Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2185

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
C-09-531809-HA ZA 17-474
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Verzoek om ambtshalve vermindering van na doorlopen bestuursrechtelijke rechtsgang onherroepelijk geworden op schattingen gebaseerde (navorderings)aanslagen ter zake van een tot in het hoger beroep verzwegen buitenlandse bankrekening. Hangende het hoger beroep is alsnog informatie verstrekt, die door de bestuursrechter als tardief buiten beschouwing is gelaten. In de gegeven omstandigheden is de weigering de aanslagen ambtshalve te verminderen niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/531809 / HA ZA 17-474

Vonnis van 21 februari 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
behandelend advocaat mr. drs. S. Bharatsingh te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN

gezeteld te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bergman te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1 c.s.] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 april 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 juli 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 januari 2008, en de aldaar
    vermelde stukken.

1.2

Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na toezending daarvan schriftelijk te reageren naar aanleiding van eventuele feitelijke onjuistheden. De Staat heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij brief van 6 februari 2018. Deze brief wordt aan het proces-verbaal gehecht. De rechtbank zal het proces-verbaal lezen met in achtneming van de opmerkingen van de Staat.

1.3

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

In 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie in het kader van de spontane uitwisseling van inlichtingen krachtens de Europese Bijstandsrichtlijn een brief met bijlagen gezonden aan het toenmalige hoofd van de Belastingdienst FIOD ECD/Team Internationaal. De bijlagen bij de brief bevatten gegevens over rekeningen van inwoners van Nederland bij de bank Van Lanschot Luxembourg (hierna: Van Lanschot).

Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld. Daarbij is gekozen voor een projectmatige aanpak in de vorm van een landelijk project onder de naam project Bank Zonder Naam.

2.2

Op basis van de bovengenoemde gegevens heeft de Belastingdienst [eiser sub 1 c.s.] geïdentificeerd als rekeninghouders bij Van Lanschot.

2.3

Bij brief van 7 maart 2007 heeft de inspecteur van de Belastingdienst Zuid-West (hierna: de inspecteur) [eiser sub 1 c.s.] verzocht om door middel van de invulling van de meegezonden formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” gegevens en bescheiden te verstrekken.

2.4

[eiser sub 1 c.s.] hebben de inspecteur bij brief van 13 maart 2007 geantwoord dat zij geen gegevens hebben van een buitenlandse bankrekening.

2.5

De inspecteur heeft [eiser sub 1 c.s.] vervolgens op 27 maart 2007 een brief gestuurd, waarin hij heeft vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie is gebleken dat [eiser sub 1 c.s.] buitenlandse bankrekeningen hebben aangehouden. Hij heeft in deze brief [eiser sub 1 c.s.] verzocht hiervan opgaaf te doen, onder verwijzing naar artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en naar de mogelijke consequenties voor [eiser sub 1 c.s.] van het niet voldoen aan het informatieverzoek.

2.6

[eiser sub 1 c.s.] hebben de inspecteur verzocht om aan te geven over welke informatie hij ten aanzien van [eiser sub 1 c.s.] beschikt. De inspecteur heeft hierop te kennen gegeven dat hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat [eiser sub 1 c.s.] in het verleden hebben beschikt over buitenlandse vermogensbestanddelen en dat deze zeer waarschijnlijk niet in de belastingheffing betrokken zijn geweest. Daarbij heeft de inspecteur [eiser sub 1 c.s.] nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken.

2.7

De inspecteur heeft [eiser sub 1 c.s.] bij brief van 19 november 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om aan hen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB), met een verhoging dan wel boete, op te leggen. [eiser sub 1 c.s.] zijn in de gelegenheid gesteld om voor 3 december 2007 te reageren.

2.8

[eiser sub 1 c.s.] hebben bij brief van de gemachtigde van 4 december 2007 de inspecteur meegedeeld niet te kunnen reageren omdat de inspecteur ondanks herhaaldelijk verzoek, niet de door [eiser sub 1 c.s.] gevraagde informatie heeft verstrekt.

2.9

De inspecteur heeft vervolgens aan [eiser sub 1] de navolgende
(navorderings)aanslagen opgelegd, alle met een verhoging dan wel boete:

• met dagtekening 28 december 2007 (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 1995
en 2002 en een aanslag IB/PVV over het jaar 2014;

• met dagtekening 14 november 2008 aanslagen IB/PVV over de jaren 2005 en 2006;

• met dagtekening 15 november 2008 navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1996 tot
en met 2003 en VB over de jaren 1997 tot en met 2000.

Aan [eiseres sub 2] zijn de navolgende (navorderings)aanslagen opgelegd, alle met een boete, met uitzondering van de aanslag IB/PVV over het jaar 2005:

• met dagtekening 28 december 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2002
en een aanslag IB/PVV over het jaar 2004;

• met dagtekening 24 oktober 2008 een aanslag IB/PVV over het jaar 2005;

• met dagtekening 15 november 2008 navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2001 en

2003.

Bovengenoemde (navorderings)aanslagen zullen in het hierna volgende tezamen worden aangeduid met “de aanslagen”.

2.10

De aanslagen zijn alle bij gebreke van precieze rekeninggegevens gebaseerd op geschatte bedragen, waarbij de inspecteur tevens toepassing heeft gegeven aan de in artikel 25 lid 6 (oud) en artikel 27 e (oud) AWR neergelegde omkering van de bewijslast.

2.11

[eiser sub 1 c.s.] hebben beiden tegen voormelde aanslagen bezwaar gemaakt. Zij hebben vervolgens tegen de beslissingen op bezwaar, waarbij hun bezwaren zijn afgewezen, beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda.

2.12

Bij uitspraken van 19 december 2012 (ECLI:NL:RBBRE: 2012:CA0354 ( [eiser sub 1 c.s.] ); ECLI:NL:RBBRE:2012:CA0352 ( [eiseres sub 2] ) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de aan [eiser sub 1 c.s.] opgelegde aanslagen deels vernietigd, en deels alleen vernietigd voor wat betreft de opgelegde verhogingen/boetes, waarbij de verhogingen/boetes vervolgens zijn verminderd. De vermindering van de boetes en verhogingen zijn gebaseerd op overschrijding van de redelijke termijn door de inspecteur. De rechtbank heeft daarnaast een aantal aanslagen vernietigd, omdat de inspecteur onvoldoende voortvarend had opgetreden.

2.13

Tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant hebben zowel [eiser sub 1 c.s.] als de inspecteur hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s -Hertogenbosch (hierna: het hof).

2.14

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 25 maart 2014. Voorafgaand aan deze zitting hebben [eiser sub 1 c.s.] stukken ingediend, die in afschrift aan de inspecteur zijn verstrekt. Dit betrof bankstukken die betrekking hadden op de aanslagen die de rechtbank in stand had gelaten. Deze stukken hadden derhalve alleen betrekking op de aanslagen waartegen [eiser sub 1 c.s.] hoger beroep hadden ingesteld. Aan het slot van de zitting heeft het hof het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek uitsluitend zal worden hervat ten aanzien van de grief over fair play (geheimhouding).

2.15

Op 17 april 2014 hebben [eiser sub 1 c.s.] het hof een brief met bijlagen gestuurd. De bijlagen betreffen de volgende stukken:

  • -

    Productie 7 Current accounts 1996 tot en met 1999

  • -

    Productie 8 Rekening courant overzicht 2000

  • -

    Productie 9 Portefeuilleoverzicht per 31-12-1995

  • -

    Productie 10 Portefeuilleoverzicht per 31-12-2001

2.16

Het hof heeft deze stukken retour gezonden op de gronden vermeld in de (gelijkluidende) overwegingen 4.1 tot en met 4.8 van de hofuitspraken, zoals hieronder onder 2.21 (gedeeltelijk) nader weergegeven. Deze gronden komen er, kort gezegd, op neer dat deze stukken tardief zijn ingediend.

2.17

Bij brief van 11 september 2014 is [eiser sub 1 c.s.] meegedeeld dat het hof door een administratieve vergissing geen kopieën van de onder 2.15 vermelde stukken aan het dossier heeft toegevoegd, maar slechts van de begeleidende brief. Het hof heeft [eiser sub 1 c.s.] verzocht om de retour gezonden stukken nogmaals aan het hof te sturen ter complementering van het dossier.

2.18

[eiser sub 1 c.s.] hebben bij brief van 25 september 2014 de onder 2.15 vermelde stukken nogmaals toegezonden. Zij hebben daarbij een extra productie gevoegd, aangeduid als “De berekening van de daadwerkelijke door belanghebbenden verschuldigde belasting (Productie 11)”. De stukken zijn in afschrift aan de inspecteur verstrekt.

2.19

De nadere zitting heeft plaatsgehad op 7 oktober 2014.

2.20

Het hof heeft bij (gelijkluidende) uitspraken van 12 december 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:5254 ( [eiser sub 1 c.s.] ); ECLI:NL:GHSHE:2014:5255 ( [eiseres sub 2] ) de beroepen van [eiser sub 1 c.s.] grotendeels ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur alle aanslagen voldoende voortvarend opgelegd. Het hof heeft voorts geoordeeld dat [eiser sub 1 c.s.] niet hebben doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen te hoog zijn vastgesteld, zodat ook niet is gebleken dat en in hoeverre de beslissingen op bezwaar onjuist zijn (rov. 4.34 van de hofuitspraken). Het hof is verder van oordeel dat de inspecteur een redelijke, beargumenteerde en inzichtelijke schatting ten grondslag heeft gelegd aan de aanslagen (rov. 4.36 van de hofuitspraken). Gelet hierop heeft het hof de aanslagen in stand gelaten. (rov. 4.37 van de hofuitspraken).

Het hof heeft wel enkele boetes /verhogingen gematigd.

2.21

Het hof heeft bij de beoordeling geen acht geslagen op de onder 2.15 genoemde stukken en de onder 2.18 vermelde berekening, omdat het hof deze tardief acht. Het hof heeft dit in de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.8 van de beide gelijkluidende uitspraken gemotiveerd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder als volgt overwogen:

“(…)

4.2.

Ter zitting van 25 maart 2014 is aan de orde geweest in hoeverre de belastingaanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. De gemachtigde van belanghebbende heeft te dezer zitting verklaard dat hij bij zijn in 1.11 en 2.43 aangehaalde stukken uitsluitend de bankstukken heeft overgelegd betreffende de jaren waarover de Rechtbank de belastingaanslagen in stand heeft gelaten. De overgelegde bankbescheiden hebben derhalve alleen betrekking op de jaren met belastingaanslagen waartegen belanghebbende hoger beroep heeft ingediend. Voorts heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij de bankstukken betreffende de jaren waarvan de Rechtbank de belastingaanslagen heeft vernietigd, over kan leggen. Desgevraagd door het Hof heeft belanghebbende uitdrukkelijk gesteld zijn aanvankelijk ter zitting gedane bewijsaanbod betreffende de bankbescheiden over de jaren waarvan de Rechtbank de belastingaanslagen heeft vernietigd, in te trekken. Aan het einde van die zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting gesloten met uitzondering van het onderzoek betreffende de grief over fair play (geheimhouding). Uitsluitend met betrekking tot deze grief heeft het Hof beslist dat het onderzoek ter zitting wordt geschorst en het vooronderzoek wordt hervat. Op 17 april 2014 is bij het Hof de desbetreffende brief met bankstukken binnengekomen.
(…)

4.4.

Het Hof erkent dat belanghebbende een zwaarwegend belang heeft bij het overleggen van de bankstukken. Gelet op de in 4.2 beschreven gang van zaken is het Hof echter van oordeel dat het algemeen belang van een doelmatige procesgang prevaleert. Het Hof vermag niet in te zien waarom de gemachtigde van belanghebbende de bankstukken niet in een eerder stadium in het geding heeft gebracht; belanghebbende heeft daarvoor geen enkele valide reden aangevoerd. Honorering van het in de inzending van die bankstukken besloten gelegen verzoek tot heropening van het vooronderzoek, voor zover het betreft het antwoord op de vraag naar de hoogte van de belastingaanslagen, zou voorts een aanzienlijke vertraging in de procesgang opleveren. Die honorering zou namelijk leiden tot een aanzienlijke uitbreiding van het partijdebat zoals dat zich tot het moment van inzending van de in 4.1 bedoelde producties 7 tot en met 10 had gevormd. [de onder 2.15 genoemde stukken; toevoeging rechtbank] De redengeving dat belanghebbende de procedures betreffende de navorderingsaanslagen over de jaren 1996 tot en met 2001 bij de Rechtbank had gewonnen, snijdt geen hout nu de Inspecteur tegen die beslissingen hoger beroep heeft aangetekend. Hetzelfde geldt met betrekking tot de verwijzing van belanghebbende naar de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2013, nrs. 11/00670 en 11/00671; tegen deze uitspraken heeft de Staatssecretaris van Financiën immers beroep in cassatie ingesteld. Het Hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich tegen die honorering verzet. Het vorenoverwogene ligt eveneens ten grondslag aan de tardiefverklaring van de onder 1.19 bedoelde “Productie 11”, [de onder 2.18 genoemde berekening; toevoeging rechtbank] alsmede aan de tardiefverklaring van de in 4.1 genoemde uitlatingen ter zitting van de zijde van partijen.

(…)”

2.22

[eiser sub 1 c.s.] hebben tegen deze uitspraken beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 19 februari 2016 de cassatieberoepen ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet RO.

2.23

Bij brief van 5 juli 2016 hebben [eiser sub 1 c.s.] de inspecteur verzocht om ambsthalve vermindering van de aanslagen. Zij hebben – voor zover thans nog relevant – een beroep gedaan op artikel 65 AWR, alsmede op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M. Zij hebben er in hun verzoek op gewezen dat met het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Zij hebben te kennen gegeven dat zij in het licht hiervan openheid van zaken willen geven. Zij hebben voorts in het verzoek aangegeven dat zij bij de eerste brief van de Belastingdienst al openheid van zaken hadden willen geven, maar dat zij door de publicaties in de media, dat de Belastingdienst geen gebruik mocht maken van de renseignementen doordat de verkrijging heeft plaatsgevonden op onrechtmatige wijze, hiervan zijn weerhouden, alsmede door het feit dat destijds de jurisprudentie omtrent de diverse vraagstukken in dit bijzondere buitenlandse rekeningenproject nog niet (zo ver) was ontwikkeld als dat thans wel het geval is. [eiser sub 1 c.s.] hebben destijds mede om die reden gekozen voor een bepaalde juridische strategie, hetgeen volgens [eiser sub 1 c.s.] niet mag resulteren in een aanslag die niet met de werkelijkheid strookt. [eiser sub 1 c.s.] stellen zich op het standpunt dat gelet op de overgelegde bescheiden de opgelegde aanslagen niet in stand kunnen blijven.

2.24

Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. De inspecteur heeft, voor zover thans nog relevant, overwogen dat artikel 65 AWR de inspecteur de mogelijkheid geeft om onjuiste aanslagen te verminderen, maar dat dit geen verplichting is, maar een “kan” bepaling. De uitputtende regeling in gevallen waarin de inspecteur tegemoetkomt is inmiddels opgenomen in artikel 17 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 18 december 2013, welk Besluit het door [eiser sub 1 c.s.] genoemde Besluit van 16 december 2010 vervangt. Dit Besluit, en in het bijzonder onderdeel 6b van artikel 17 daarvan, leidt volgens de inspecteur niet tot de conclusie dat de aanslagen ambtshalve moeten worden verminderd, nu over de juistheid van deze aanslagen tot in hoogste instantie is geprocedeerd, en de aanslagen niet onjuist zijn gebleken. De inspecteur heeft [eiser sub 1 c.s.] daarnaast onderdeel 9a van artikel 17 van het Besluit tegengeworpen. Hierin is bepaald dat de termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt op het ambtshalve verlenen van vermindering van belasting voor aanslagbelastingen vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

3 Het geschil

3.1

[eiser sub 1 c.s.] vorderen, samengevat en verkort weergegeven, om de Staat (inzonderheid de Inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest/kantoor Roosendaal) bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te bevelen:

a. om het besluit van 3 augustus 2016 tot afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering te vernietigen;

b. een nieuw besluit te nemen waarbij de inspecteur dient te onderzoeken of de door [eiser sub 1 c.s.] verstrekte gegevens betreffende de door hen bij Van Lanschot Luxembourg aangehouden rekening reden kunnen geven tot het oordeel, dat de navorderingsaanslagen waarvan de vermindering is verzocht onjuist zijn en om op basis van de resultaten van dit onderzoek op het verzoek tot ambtshalve vermindering te beslissen,

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2

[eiser sub 1 c.s.] leggen aan hun vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat de inspecteur bij de toepassing van punt 6b van onderdeel 17 (thans onderdeel 23) van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het oordeel had kunnen komen dat de juistheid van de in het geding zijnde aanslagen was komen vast te staan vanwege de enkele omstandigheid dat over de hoogte van deze aanslagen tot in hoogste instantie was beslist, nu tot in hoogste instantie immers geen rekening is gehouden met de onder 2.15 genoemde overgelegde gegevens inzake de door [eiser sub 1 c.s.] bij Van Lanschot aangehouden rekening. Uit deze gegevens blijkt volgens [eiser sub 1 c.s.] (in één oogopslag) dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. [eiser sub 1 c.s.] voldoen derhalve aan de criteria van punt 6b van onderdeel 23 van het Besluit Fiscaal procesrecht.

Ten aanzien van de door de inspecteur tegengeworpen vijf-jaarstermijn stellen [eiser sub 1 c.s.] dat er op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding is om van deze beleidsregel af te wijken. Zij voeren daartoe aan dat in de beleidsregel niet is verdisconteerd de mogelijkheid dat de bestuursrechtelijke procedures in bezwaar en de (hoger) beroepsprocedures tegen de aanslagen zo lang duren, dat de vijf-jaarstermijn al is verstreken op het moment dat de aanslagen onherroepelijk worden, hetgeen zich in dit geval heeft voorgedaan.

3.3

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De overwegingen

4.1

De rechtbank stelt voorop dat de Staat zich terecht beroept op de formele rechtskracht van de aan [eiser sub 1 c.s.] opgelegde, met het arrest van de Hoge Raad onherroepelijk geworden, aanslagen. Tegen de aanslagen heeft immers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open gestaan. In dit civiele geding dient er daarom in beginsel van uit te worden gegaan dat de aanslagen zowel wat hun wijze van tot stand komen als wat hun inhoud betreft in overeenstemming zijn met wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

4.2

Op grond van artikel 65 AWR kan een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur worden verminderd en kan een in de wet voorziene vermindering ambtshalve door hem worden opgelegd. Indien de aanslagen - zoals in het onderhavige geval - onherroepelijk zijn geworden, stuit een verzoek om vermindering van de aanslag in beginsel af op het hiervoor genoemde beginsel van formele rechtskracht en bestaat nog slechts ruimte voor een toetsing door de inspecteur of sprake is van gronden voor ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslag.

4.3

In het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van de AWR staat geen bezwaar en beroep open tegen een beslissing van de inspecteur om een aanslag al dan niet ambtshalve te verminderen. Evenmin kan daarvoor de reguliere bestuursrechtelijke rechtsgang worden gevolgd. Dat betekent dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van dit geschil over de weigering van de inspecteur om over te gaan tot verminderen van de aan [eiser sub 1 c.s.] opgelegde aanslagen en dat [eiser sub 1 c.s.] ook ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.4

In deze civiele procedure is aan de orde of de weigering van de inspecteur om de aanslagen ambtshalve te verminderen onrechtmatig is. Daarbij dient een marginale toets te worden aangelegd: indien de inspecteur weigert om een aanslag ambtshalve te verminderen, is dat alleen onrechtmatig indien de aanslag onmiskenbaar onjuist is (zie HR 8 juli 1993, NJ 1995, 73 m.nt. M. Scheltema (Océ/Limburg): “Voor het aanvaarden van een verplichting tot ambtshalve vermindering kan niet worden volstaan met een — aan de burgerlijke rechter in beginsel onttrokken — beoordeling van de vraag wat de belastingrechter zou hebben beslist, als Océ de kwestie aan deze zou hebben kunnen voorleggen. Van een dergelijke verplichting kan immers slechts sprake zijn als het Schap tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist waren. (…)”.

4.5

De vraag of de weigering van de inspecteur tot ambtshalve vermindering van de aan [eiser sub 1 c.s.] opgelegde aanslagen onrechtmatig is, dient beantwoord te worden aan de hand van het toetsingskader van artikel 65 AWR, nader uitgewerkt in onderdeel 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Gelet op de datum van het indienen van het verzoek (5 juli 2016) is het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 februari 2016 (hierna ‘het Besluit’), van toepassing.

4.6

Onderdeel 23 van het Besluit heeft betrekking op de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering en ambtshalve teruggaaf. In punt 2 van onderdeel 23 van het Besluit is neergelegd dat dit onderdeel een uitputtende regeling bevat van de gevallen, waarin de inspecteur van deze bevoegdheden gebruik maakt.

In punt 6 van onderdeel 23 is het volgende neergelegd:

6. De inspecteur verleent geen vermindering of teruggaaf als een verzoek om vermindering of teruggaaf betrekking heeft op een belastingaanslag of een beschikking, waarvoor:
a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of
b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 41, 47, 47a, 49, 52, van de AWR, alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel 53, eerste, tweede en derde lid, van de AWR, voorzover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen;
tenzij is gebleken dat en in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist is”.

In punt 7 onder b is neergelegd dat de inspecteur ambtshalve de vermindering of teruggaaf van belasting verleent waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt.

In punt 9 onder a is neergelegd dat de termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting

voor aanslagbelastingen vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft

Ten slotte geldt dat in punt 15 is neergelegd dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin de inspecteur moet afwijken van de in dit onderdeel opgenomen regeling.

4.7

De Staat heeft betoogd dat [eiser sub 1 c.s.] redelijkerwijs niet voor ambtshalve vermindering in aanmerking komen en dat de inspecteur daarom in redelijkheid het verzoek heeft kunnen afwijzen en daarbij ook in redelijkheid heeft kunnen betrekken dat over de aanslagen tot in hoogste instantie is geprocedeerd bij de belastingrechter. De Staat heeft in dat verband in de eerste plaats aangevoerd dat [eiser sub 1 c.s.] niet aan hun wettelijke informatieverplichtingen hebben voldaan en in de fiscale procedures de inspecteur en de belastingrechter in eerste aanleg willens en wetens informatie hebben onthouden en onjuiste informatie hebben verstrekt (door tot in de hoger beroepsprocedure te ontkennen over een buitenlandse rekening te beschikken). Zij hebben in die hoger beroepsprocedure in een dusdanig laat stadium stukken overgelegd dat deze tardief zijn verklaard en door de belastingrechter buiten beschouwing zijn gelaten. Voorts zijn de aanslagen door de belastingrechter inhoudelijk tot in hoogste instantie beoordeeld en in stand gelaten. Voor deze situatie zijn artikel 65 AWR en het Beleid naar de mening van de Staat niet bedoeld. Bovendien is niet gebleken dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn. Al die omstandigheden tezamen brengen naar het oordeel van de Staat mee dat niet is voldaan aan het in punt 7b van onderdeel 23 Besluit neergelegde vereiste dat [eiser sub 1 c.s.] redelijkerwijs in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering.

De Staat stelt zich daarnaast op het standpunt dat [eiser sub 1 c.s.] niet voldoen aan punt 6b van onderdeel 23 van het Besluit, en dat daarnaast punt 9b van het Besluit aan inwilliging van het verzoek van [eiser sub 1 c.s.] in de weg staat.

4.8

De rechtbank is met de Staat van oordeel dat artikel 65 AWR en het daarop gebaseerde beleid zoals neergelegd in onderdeel 23 van het Besluit niet zijn bedoeld voor een situatie als de onderhavige, waarin een belastingplichtige in strijd met de op hem rustende informatieverplichting eerst vermogens- en inkomensbestanddelen (jarenlang) niet aangeeft, en vervolgens (tot in hoogste instantie) procedeert over de hoogte en de juistheid van de navorderingsaanslagen, in die procedures (tot in het hoger beroep) welbewust ontkent over deze vermogens- en inkomensbestanddelen te beschikken en daarover ook welbewust geen of onvolledige gegevens verstrekt, om daarna, wanneer die procedures voor hem niet tot een gunstig resultaat hebben geleid, via het doen van een verzoek om ambtshalve vermindering alsnog dit resultaat te corrigeren (zie in dezelfde zin Hof Den Haag 6 juni 2017 (ECLI:NL:GHDHA: 2017:1581; rov. 10)). In zo’n geval kan de inspecteur in redelijkheid het standpunt innemen dat de belastingplichtige redelijkerwijs niet voor ambtshalve vermindering in aanmerking komt, zoals wel is vereist om in aanmerking te komen voor ambtshalve vermindering volgens punt 7 van onderdeel 23 van het Besluit. Dat geldt te meer nu, zoals hieronder onder 4.12 nader zal worden overwogen, niet is komen vast te staan dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.

4.9

Dat het ontkennen over een buitenlandse rekening te beschikken en het weigeren de betreffende bankgegevens te overleggen een legitieme strategische proceskeuze was, gelet op de onduidelijkheid die er was ten aanzien van de vraag of de Belastingdienst de van de Belgische overheid verkregen informatie wel rechtmatig mocht gebruiken, zoals [eiser sub 1 c.s.] stellen, volgt de rechtbank niet. Op [eiser sub 1 c.s.] rustte hoe dan ook op grond van artikel 47 AWR van meet af aan, en al helemaal na de herhaalde verzoeken om informatie van de inspecteur, de verplichting om informatie over hun rekening bij Van Lanschot te verstrekken. Bovendien geldt dat al in 2010 de zogenaamde ‘Nauta-proefprocedure’ waarnaar [eiser sub 1 c.s.] in dit verband hebben verwezen, was afgerond, en op dat moment duidelijkheid bestond over de vraag of de Belastingdienst de informatie van (in dit geval) de Belgische belastingdienst heeft mogen gebruiken. Desondanks hebben [eiser sub 1 c.s.] ook toen niet de onder 2.15 bedoelde informatie verstrekt, maar daar mee gewacht tot 17 april 2014. Daarvoor hebben zij geen enkel redelijk argument gegeven. Dat zij meenden dat zij alleen gegevens hoefden te verstrekken over de aanslagen die de rechtbank in stand had gelaten, zoals [eiser sub 1 c.s.] ter comparitie hebben aangevoerd, geeft aan dat [eiser sub 1 c.s.] zelfs in dat stadium van de procedure kennelijk niet bereid waren volledige openheid van zaken te geven en (nog steeds) strategisch procedeerden en vormt dus ook geen redelijk argument om de bij brief van 17 april 2014 verstrekte gegevens niet eerder te verstrekken.

4.10

Dat [eiser sub 1 c.s.] uiteindelijk wel de onder 2.15 bedoelde informatie hebben verstrekt, maar dat het hof deze niet in de beoordeling van de aanslagen heeft meegenomen, maakt het voorgaande niet anders. Dat het hof die informatie tardief heeft geacht en om die reden – uitvoerig gemotiveerd – niet in de beoordeling heeft betrokken, is volledig te wijten aan de eigen proceshouding en de eigen (strategische) keuzes van [eiser sub 1 c.s.] .

4.11

[eiser sub 1 c.s.] hebben betoogd dat zij voldoen aan punt 6b van onderdeel 23 van het Besluit en om die reden voor ambtshalve vermindering in aanmerking komen.

De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt van punt 6b van onderdeel 23 van het Besluit is dat geen vermindering wordt verleend als niet aan de informatieverplichting van (onder meer ) artikel 47 AWR is voldaan. Dit lijdt uitsluitend uitzondering als is gebleken dat en in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist is.

4.12

Nog los van de vraag of [eiser sub 1 c.s.] , gelet op het onder 4.8 tot en met 4.10 overwogene, überhaupt aanspraak kunnen maken op toepassing van punt 6b, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn en dus niet is gebleken dat zij aan de criteria van punt 6b voldoen. [eiser sub 1 c.s.] hebben gesteld dat gelet op de door hen overgelegde gegevens, en in het bijzonder gelet op de bij brief van 17 april 2014 overgelegde gegevens en de bij brief van 25 september 2014 overgelegde berekening, ‘in één oogopslag’ zichtbaar is dat de aanslagen voor een te hoog bedrag zijn vastgesteld en dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist zijn. De Staat heeft dit gemotiveerd betwist. De Staat heeft in dat verband aangevoerd dat uit de berekening van 25 september 2014 volgt dat volgens [eiser sub 1 c.s.] over de periode 1995 tot en met 2008 totaal een bedrag van € 97.887 aan IB/PVV en VB verschuldigd zou zijn. De Staat wijst er terecht op dat dit totaalbedrag van verschuldigde belasting niet correspondeert met het door [eiser sub 1 c.s.] in de dagvaarding genoemde totaalbedrag van verschuldigde belasting van € 86.389, en dat de berekening van 25 september 2014 op geen enkele wijze is onderbouwd. Ook sluit de berekening niet aan bij de overgelegde bankafschriften. Voorts heeft de Staat er op gewezen dat geenszins vaststaat dat [eiser sub 1 c.s.] alle gegevens omtrent hun bankrekening(en) bij Van Lanschot hebben verstrekt. Bovendien kan volgens de Staat niet uitgesloten worden dat [eiser sub 1 c.s.] nog over andere buitenlandse bankrekeningen hebben beschikt dan wel beschikken. [eiser sub 1 c.s.] hebben tegenover dit gemotiveerde verweer van de Staat onvoldoende onderbouwd dat en in hoeverre de opgelegde navorderingsaanslagen onjuist zijn, zoals punt 6b van onderdeel 23 van het Besluit wel vereist, laat staan dat zij hebben onderbouwd dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist zijn (het Océ-criterium).

4.13

De inspecteur heeft [eiser sub 1 c.s.] , nog los van het voorgaande, als zelfstandig dragende weigeringsgrond tegengeworpen dat [eiser sub 1 c.s.] ook niet in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering gelet op punt 9b van onderdeel 23 van het Beleid, nu meer dan vijf jaar zijn verstreken tussen het opleggen van de aanslagen en het verzoek om ambtshalve vermindering. Anders dan [eiser sub 1 c.s.] betogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de inspecteur in redelijkheid van dit beleid zou moeten afwijken. [eiser sub 1 c.s.] hebben in dit verband aangevoerd dat in het Beleid niet is verdisconteerd dat de procedures tegen de aanslagen, zeker in gevallen als deze waarin door de Belastingdienst voor een projectmatige aanpak is gekozen, zo lang kunnen duren dat de vijf-jaarstermijn reeds is verstreken voordat de aanslagen onherroepelijk zijn geworden, wat hier aan de orde is. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar juist is dat de aanslagen pas ruimschoots na ommekomst van bedoelde vijf-jaarstermijn onherroepelijk zijn geworden, maar dat dit er niet toe leidt dat de inspecteur in dit concrete geval gehouden zou zijn van het beleid af te wijken. In dit geval hadden [eiser sub 1 c.s.] immers de mogelijkheid om hangende de bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures de gegevens waarop zij zich in het verzoek om ambtshalve vermindering beroepen (alsnog) aan de inspecteur respectievelijk de (hoger beroeps)rechter voor te leggen. In dat geval hadden de aanslagen door de inspecteur of de belastingrechter verminderd kunnen worden, indien en voor zover zou zijn gebleken dat deze te hoog waren vastgesteld. Dat de belastingrechter deze gegevens niet in zijn oordeel heeft betrokken is, zoals hiervoor al is overwogen, te wijten aan de eigen proceshouding en strategische proceskeuzes van [eiser sub 1 c.s.] en noopt in redelijkheid niet tot afwijking van punt 9b van onderdeel 23 van het Beleid.

4.14

[eiser sub 1 c.s.] hebben ten slotte ter comparitie nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Zij hebben daartoe verwezen naar een door [eiser sub 1 c.s.] overgelegd geanonimiseerd arrest van de Hoge Raad en een geanonimiseerde uitspraak van de belastingkamer van het hof ’s Hertogenbosch, beide in een procedure van (een en dezelfde) andere cliënt van de advocaat van [eiser sub 1 c.s.] Ook daar betrof het navorderingsaanslagen terzake van een verzwegen rekening bij Van Lanschot Luxembourg, waarover de Belgische Bijzondere belastingeenheid informatie aan de Belastingdienst had verstrekt. [eiser sub 1 c.s.] wijzen er op dat de Hoge Raad in die procedure heeft geoordeeld dat het belanghebbende vrijstaat om in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslagen naar een te hoog bedrag zijn opgelegd en dat daartoe ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) mogen worden overgelegd. In de hofuitspraak na verwijzing verwijst het hof naar dit oordeel van de Hoge Raad. Het hof overweegt vervolgens (in rov. 7.6.2) dat belanghebbende in hoger beroep opening van zaken over zijn rekening in Luxemburg heeft gegeven door middel van het overleggen van bankafschriften en jaaropgaven en dat de inspecteur aan de hand daarvan de hoogte van de belastbare inkomens en vermogens opnieuw heeft berekend. Het hof overweegt vervolgens dat belanghebbende met die berekening, die leidt tot vermindering van de navorderingsaanslagen, heeft ingestemd. [eiser sub 1 c.s.] c.s betogen met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dat ook zij door overlegging van gegevens hebben aangetoond dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd en dus moeten worden verminderd.

4.15

Los van de vraag of het toetsingskader in deze zaak ruimte geeft voor toetsing aan het gelijkheidsbeginsel – hetgeen de rechtbank in het midden laat – is de rechtbank met de Staat van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Zoals uit het arrest in cassatie (rov. 3.4) blijkt, had het hof in die zaak de mondelinge behandeling van het geschil beperkt tot het geschil rond de vereiste voortvarendheid, en bracht het oordeel van het hof op dat punt mee dat het in hoger beroep aan de orde zijnde geschil over de hoogte van de navorderingsaanslagen niet was behandeld. Onder die omstandigheden stond het de belanghebbende vrij om alsnog in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslagen naar een te hoog bedrag zijn opgelegd en stond het hem ook vrij om daartoe ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) te overleggen. Die situatie verschilt wezenlijk van de situatie van [eiser sub 1 c.s.] . In het geval van [eiser sub 1 c.s.] was het hof op de zitting van 25 maart 2014 nu juist wel inhoudelijk op de hoogte van de aanslagen ingegaan, en hebben [eiser sub 1 c.s.] er zelf voor gekozen om de onder 2.15 bedoelde informatie niet voorafgaand aan die zitting, maar pas ná die zitting, toen het hof het inhoudelijke debat over de hoogte van de aanslagen al had gesloten en nog slechts de grief over het fair play beginsel open stond, in het geding te brengen. Van vergelijkbare gevallen is dus geen sprake. Gelet hierop noopt ook het gelijkheidsbeginsel er niet toe, dat het verzoek om ambsthalve vermindering wordt gehonoreerd.

4.16

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de aanslagen niet onmiskenbaar onjuist zijn en dat [eiser sub 1 c.s.] in redelijkheid niet voor ambtshalve vermindering van de aanslagen in aanmerking komen. Hieruit volgt dat de weigering van de inspecteur om tot ambtshalve vermindering over te gaan niet onrechtmatig is.

4.17

De vorderingen van [eiser sub 1 c.s.] zullen daarom worden afgewezen.

4.18

[eiser sub 1 c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 1.522 , te weten
€ 618 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten à € 452 volgens tarief II). De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst de vorderingen af,

5.2

veroordeelt [eiser sub 1 c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.522, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.