Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
NL18.1818
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Cuba - homoseksuele geaardheid en problemen geloofwaardig maar onvoldoende zwaarwegend - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Spaans is verschenen M.A. Vissers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1990 en dat hij de Cubaanse nationaliteit bezit.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is homoseksueel. Aanvankelijk had hij weinig contacten en geen partner omdat hij bang was voor wat men daarvan zou zeggen. Vanaf het moment dat eiser op 1 februari 2015 op zichzelf ging wonen ging hij echter vrijer leven en ging hij relaties aan met andere homoseksuelen. Dit alles nog wel stiekem. Toen eiser op 10 juli 2016 een relatie kreeg met [persoon A] (NL18.1817) begon het hem minder te interesseren wat anderen van hem dachten en op 1 september 2016 gingen zij samenwonen. Na vier maanden begonnen buurtbewoners aanplakbiljetten met scheldwoorden op de woning te plakken, scheldwoorden te roepen en stenen te gooien. Eiser en zijn partner zijn daarop uit de woning gezet. Op 1 januari 2017 verhuisden eiser en zijn partner naar een andere woning, maar ook daar werden stenen naar hen gegooid en werd geklaagd over de geluidsoverlast die zij zouden veroorzaken, zodat zij eind mei 2017 ook die woning moesten verlaten. Op 1 juli 2017 vonden zij weer een nieuwe huurwoning. Op 10 juli 2017 werden eiser en zijn partner, nadat zij in een restaurant uit eten waren geweest, door een aantal mannen mishandeld. In het ziekenhuis wilde de politie geen verklaring opnemen, maar zij werden wel opgeroepen om naar het politiebureau te komen. Toen eiser op 18 juli 2017 naar de politie ging, kon men hem niet vertellen wie de daders waren. Eiser en zijn partner kwamen er echter achter dat een van de daders de zoon van de sectorchef was en op 18 september 2017 kwam de sectorchef bij eiser zijn partner langs. Hij schaamde zich voor wat zijn zoon had gedaan en wilde de foto’s zien die met de telefoon van eisers partner van de opgelopen verwondingen waren gemaakt. De telefoon viel daarbij zogenaamd per ongeluk in een afvoer en raakte onherstelbaar beschadigd. De sectorchef heeft eiser en zijn partner tijdens dit bezoek ook bedreigd. Op 28 september 2017 zijn eiser en zijn partner samen naar de politie gegaan. Eiser heeft tegen de politie gezegd dat hij het hogerop zou zoeken, bij de provinciale politie, als hij geen antwoorden zou krijgen, en eisers partner heeft aangifte gedaan. Vanwege de orkaan van 8 september 2017 en bij gebrek aan bewijs zijn eiser en zijn partner niet daadwerkelijk naar de provinciale politie gegaan. Op 28 november 2017 gingen eiser en zijn partner weer uit eten. De zoon van het sectorhoofd kwam met een aantal andere jongens binnen en viel eiser en zijn partner lastig. De volgende dag kwam het sectorhoofd weer bij eiser en zijn partner langs. Hij zei hen dat zij weg moesten en dat zij niet over het gebeurde mochten praten. Daarop besloten eiser en zijn partner om uit Cuba weg te gaan. Eiser ondervond ook op zijn werk (hij werkte in Cuba als tandarts) problemen vanwege zijn seksuele geaardheid. Zo moest hij op feestdagen werken en kreeg hij werkzaamheden waarbij hij minder in contact kwam met patiënten. Verder kreeg eiser op zijn werk te horen dat hij zijn oorbellen uit moest doen, dat hij zijn haar anders moest dragen en dat hij bij zijn partner weg moest gaan.

2. Verweerder heeft in asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderscheiden:

  • -

    Nationaliteit, identiteit en herkomst;

  • -

    De seksuele gerichtheid van eiser;

  • -

    Problemen met lokale autoriteiten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen als ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht alle relevante elementen geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat de door eiser ondervonden problemen niet zwaarwegend genoeg zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel.

4. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen door hem in beroep is aangevoerd zal hieronder – voor zover van belang – worden ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Eiser stelt dat verweerder hem zijn originele paspoort en identiteitskaart moet teruggeven, zodat hij aan de identificatieplicht kan voldoen. De rechtbank stelt vast dat de vraag of verweerder eiser zijn documenten moet teruggeven, buiten de omvang van het geschil valt. De gemachtigde van eiser heeft dit ter zitting ook bevestigd. Hetgeen in dit verband in beroep is aangevoerd behoeft daarom geen verdere bespreking.

5.2

Eiser stelt voorts dat verweerder zijn aanvraag ten behoeve van onderzoek in de verlengde asielprocedure had moeten behandelen en zich mogelijk niet aan de termijnen van de algemene asielprocedure gehouden heeft. Dit betoog slaagt niet.

Blijkens het door verweerder gevoerde en door de rechtbank niet onredelijk geachte beleid, neergelegd in paragraaf C1/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) behandelt verweerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag. Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure worden verwacht. Verweerder behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook in de verlengde asielprocedure, als hij de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.

5.3

Hoewel eiser in zijn zienswijze en in beroep heeft aangegeven dat zowel hij als verweerder de tijd goed hadden kunnen gebruiken om het nodige onderzoek te verrichten, ontbreekt een toereikende nadere onderbouwing van wat hij anders of meer had kunnen aanvoeren of inbrengen indien de termijnen van de verlengde asielprocedure van toepassing waren geweest. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat er allemaal factoren zijn die men nader onder loep kan nemen als er meer tijd is, en dat eiser in de verlengde asielprocedure bijvoorbeeld een nadere onderbouwing had kunnen geven bij zijn standpunt dat er in Cuba een wet bestaat die bepaalt dat medisch personeel dat het land verlaat gedurende acht jaar niet meer mag terugkeren, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat de asielaanvraag van eiser ex nunc is beoordeeld, zodat eiser nog tot 19 januari 2018 de gelegenheid had om zijn asielrelaas, dat hij tijdens het nader gehoor al volledig naar voren heeft moeten en kunnen brengen, nader te onderbouwen of toe te lichten. Eisers standpunt dat verweerder zijn aanvraag ten behoeve van onderzoek in de verlengde asielprocedure had moeten behandelen, slaagt daarom niet.

5.4

Ook eisers standpunt dat verweerder zich mogelijk niet aan de termijnen van de algemene asielprocedure gehouden heeft, slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser dit standpunt niet nader heeft onderbouwd, acht de rechtbank van belang dat eiser niet in zijn belangen is geschaad als gevolg van het mogelijk niet naleven van de termijnen van de algemene asielprocedure en het dus mogelijk ten onrechte niet verder behandelen van de aanvraag in de verlengde asielprocedure. De rechtbank verwijst in dit verband naar het bovenstaande. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn asielmotieven in de algemene asielprocedure naar voren te brengen. Wat eiser anders of meer had kunnen aanvoeren of inbrengen indien verweerder – wegens overschrijding van de termijnen van de algemene asielprocedure – de aanvraag verder had behandeld in de verlengde asielprocedure, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet daarom aanleiding om, voor zover al sprake is van een procedureel gebrek, dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

5.5

Ten aanzien van de door verweerder geloofwaardig maar onvoldoende zwaarwegend geachte relevante elementen overweegt de rechtbank als volgt. Ten eerste is niet gebleken dat de algehele politieke- en mensenrechtensituatie in Cuba zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, moet worden verleend. Ook blijkt niet uit openbare bronnen dat specifiek de LHBT-groep wordt vervolgd. Ondanks dat aannemelijk is dat de omstandigheden voor deze groep in Cuba beduidend slechter zal zijn dan in Nederland kan niet gesproken worden van een sociale groep die wordt vervolgd.

5.6

Verder is van belang dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld. Uit de algemene landeninformatie, waarnaar verweerder verwijst in het bestreden besluit, blijkt dat de situatie met betrekking tot LHBT’s in Cuba de laatste tijd is verbeterd. Onder leiding van de dochter van de huidige president, Mariela Castro, vindt een langzame seksuele revolutie plaats. In Havana heeft een conferentie plaatsgevonden met betrekking tot LHBT’s waaraan verscheidene Latijns-Amerikaanse landen hebben deelgenomen. Bovendien verbiedt de wet discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij werk, huisvesting, staatloosheid en toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De overheid financiert geslachtsveranderingen en pride-marches. Er wordt ook gedemonstreerd voor huwelijken tussen personen van gelijke sekse. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan er niet aan af doen dat de ontwikkelingen in Cuba voor de LHBT-gemeenschap positief zijn en dat eiser een wettelijke basis heeft om bescherming te vragen tegen discriminatie op basis van zijn geaardheid. Hoewel in het door eiser aangehaalde artikel van huffingtonpost.com getiteld “Mariela Castro and LGBT Leader Rea Carey: Conversation, Yes – But Please, Not in a Vacuum” de kanttekening wordt geplaatst dat Mariale Castro een telg is van de Castro-familie, die zich heeft schuldig gemaakt aan vele mensenrechtenschendingen, wordt hierin ook nadrukkelijk vermeld dat niemand de positieve invloed van Mariela Castro op de levens van LHBT’s in Cuba kan ontkennen.

5.7

Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet louter vanwege zijn seksuele geaardheid voor vergunningverlening in aanmerking komt. Het door eiser in beroep aangehaalde standpunt van de UNHCR bevestigt dit. Dit standpunt luidt – samengevat – dat Cubaanse LHBT’s niet louter vanwege hun seksuele oriëntatie en gender identiteit als vluchteling kunnen worden aangemerkt, tenzij zij hun angst voor vervolging bij terugkeer op iets anders baseren, bijvoorbeeld dat de persoon in kwestie zich als activist tegen de regering heeft uitgesproken. Ook uit het door eiser in beroep overgelegde artikel van nos.nl van 15 februari 2018 getiteld “Meer Cubanen dan ooit vroegen asiel aan, heel veel zijn afgewezen”, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het enkele zijn van Cubaanse LHBT-er onvoldoende is om vervolging aan te nemen. In dit artikel geeft Boris Dittrich van Human Rights Watch (HRW) onder meer aan dat, hoewel de situatie van homoseksuelen in Cuba lastig is in te schatten, vervolging op grond van seksuele voorkeur, voor zover HRW bekend, niet voorkomt. Eiser moet daarom aannemelijk maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die maken dat hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden verleend. Hierin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

5.8

Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), dat niet kennelijk onredelijk is, merkt verweerder discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

5.9

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie zijdens familie, medeburgers en overheid een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hem als homoseksueel onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Hoezeer de rechtbank de door eiser ondervonden discriminatie ook betreurt, dat eisers leven hierdoor onhoudbaar is geworden acht de rechtbank, met verweerder, niet aannemelijk. Verweerder heeft in dit verband van belang mogen achten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Cuba vanwege zijn seksuele geaardheid uitgesloten is geweest van scholing, huisvesting, juridische bijstand, rechtsgang, medische zorg dan wel van de eerste levensbehoeften. Eiser heeft verklaard dat hij tandheelkunde heeft gestudeerd en vervolgens nog een specialisatie heeft gedaan. Verder heeft eiser weliswaar verklaard dat hij en zijn partner regelmatig vanwege hun seksuele geaardheid uit huis werden gezet, maar blijkt uit zijn verklaringen ook dat zij telkens weer woonruimte hebben gevonden. Verweerder heeft voorts van belang mogen achten dat eiser zijn geaardheid kennelijk openlijk heeft kunnen uiten. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij zijn seksuele geaardheid tijdens zijn militaire dienst heeft verborgen gehouden en hoewel hij, in tegenstelling tot wat verweerder in het bestreden besluit stelt, nimmer heeft verklaard dat hij zich vrouwelijk kleedde, blijkt uit eisers verklaringen ook dat het hem sinds de aanvang van de relatie met zijn huidige partner op 10 juli 2016 minder ging interesseren wat anderen van hem dachten, dat zij op 1 september 2016 gingen samenwonen en dat zij zich samen ook in het openbaar begaven, ook op plaatsen waar andere LHBT’s kwamen. Eiser is blijkens zijn verklaringen ook nooit aangehouden door de politie en nooit gedetineerd geweest. Eiser heeft voorts zonder belemmeringen een paspoort kunnen verkrijgen en is zonder problemen uitgereisd. Dit duidt er niet op dat sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven van eiser onhoudbaar is geworden.

5.10

De problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van het sectorhoofd en zijn zoon, vormen geen reden om anders te oordelen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat aangenomen kan worden dat het hierbij ging om persoonlijke problemen van het sectorhoofd met eiser en zijn partner, vanwege het handgemeen tussen eiser en zijn partner en de zoon van het sectorhoofd en twee metgezellen. Het sectorhoofd zou zich schamen voor de daden van zijn zoon en deze daden proberen te verdoezelen. Dat de (hogere) Cubaanse autoriteiten eiser in dit verband geen bescherming kunnen of willen bieden is door eiser niet aangetoond. Buiten beschouwing gelaten of eiser bij de lokale autoriteiten aangifte heeft gedaan, staat vast dat eiser zich niet tot de hogere (provinciale) autoriteiten heeft gewend, hoewel hij daarmee wel bij de lokale autoriteiten zou hebben gedreigd. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat het voor eiser al op voorhand zinloos of om zich voor bescherming tot de Cubaanse autoriteiten te wenden. Eisers standpunt dat in zijn geval sprake was van een patroon van incidenten dat in samenhang bezien als een daad van vervolging moet worden gezien, slaagt niet. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit eisers verklaringen volgt dat sprake was van een incident en niet van een structureel probleem.

5.11

Hoewel eiser niet bestrijdt dat het enkele zijn van Cubaanse LHBT-er onvoldoende is om als vluchteling te worden aangemerkt, stelt hij ook dat in zijn geval sprake is van bijkomende omstandigheden die maken dat hij boven het maaiveld uitkomt en dus desalniettemin voor vervolging te vrezen heeft. Zo hebben eiser en zijn partner meegewerkt aan een interview van [zender], een in Miami gevestigde en door Amerika gefinancierde zender die politieke propaganda in het Spaans uitzendt in Cuba. Een afschrift van dit interview van 17 februari 2018 is met vertaling overgelegd. Eiser, zijn partner en twee andere Cubaanse LHBT-ers vertellen in dit interview – samengevat – over de situatie voor LHBT-ers in Cuba en hun asielaanvragen in Nederland. Het interview is volgens eiser op de facebookpagina van [zender] gepubliceerd. Eiser stelt verder dat zijn werkgever hem inmiddels vanwege zijn seksuele geaardheid een sanctie heeft opgelegd, inhoudende dat hij definitief is verwijderd uit de arbeidsinstelling, met een rehabilitatietermijn van vier jaar. Eiser maakt hieruit op dat zijn werkgever niet van zijn seksuele geaardheid gediend was. Nu eisers werkgever het Ministerie van Volksgezondheid is betekent deze sanctie in de praktijk dat eiser gedurende vier jaar van werk verstoken zal zijn, aldus eiser. Daarbij zal eiser na twee jaar zijn diploma moeten herwaarderen, hetgeen enkel op uitnodiging mogelijk is. Vanwege de sanctie zal eiser naar eigen zeggen nooit een dergelijke uitnodiging ontvangen. Eiser stelt verder dat hij bij terugkeer naar Cuba verantwoording zal moeten afleggen vanwege zijn asielaanvraag in het buitenland. Verweerder betoogt volgens eiser ten onrechte dat niet valt in te zien waarom Cubaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de asielaanvraag van eiser. Verweerder gaat hiermee volgens eiser volledig voorbij aan de door hem overgelegde (en ten dele vertaalde) screenshots, waaruit blijkt dat hij via Facebook onder zijn eigen naam contact heeft gehad met [onderdirecteur], de onderdirecteur van CENESEX, die daarbij overigens heeft bevestigd dat LHBT’s in Cuba forse discriminatie ondervinden. Verweerder is in het bestreden besluit volgens eiser ook ten onrechte voorbij gegaan aan de door hem in zijn zienswijze aangehaalde wet die bepaalt dat medisch personeel dat niet terugkeert gedurende acht jaar geen toegang krijgt tot Cuba. Eiser voert verder aan dat uit het door hem in beroep aangehaalde standpunt van de UNHCR blijkt dat de zogeheten “Ley Peligrosidad” door de Cubaanse autoriteiten op oneerlijke wijze wordt toegepast op homoseksuelen. Dit alles maakt volgens eiser dat hij bij gedwongen terugkeer verantwoording zal moeten afleggen.

5.12

Eisers betoog slaagt niet. Hoewel uit het standpunt van de UNHCR, zoals weergegeven in de gronden, blijkt dat homorechtenactivisten de Cubaanse autoriteiten ervan hebben beschuldigd dat zij de misdaad van de “precriminal dangerousness” oneerlijk hebben toegepast op homoseksuelen, ziet de rechtbank met verweerder geen reden om aan te nemen dat dit ook in eisers geval zo zal zijn. Eiser heeft in dit verband immers niets dan vermoedens kunnen uitspreken. Eisers standpunt dat de Cubaanse autoriteiten van het interview van hem en zijn partner door [zender] dan wel van de door hem op Facebook geplaatste berichten op de hoogte zijn geraakt en hem daarom nu als antirevolutionair beschouwen, berust ook op niets dan vermoedens en is niet nader onderbouwd. Uit de door eiser met vertaling overgelegde sanctie van zijn werkgever blijkt voorts niet dat hem deze sanctie vanwege zijn seksuele geaardheid is opgelegd. Uit het stuk blijkt dat eiser na een onbetaald verlof van 4 tot 11 december 2017 zijn werkzaamheden niet meer heeft hervat, en dat dit resulteert in een schending van de arbeidsdiscipline. Verweerder betoogt niet ten onrechte dat zulks duidt op een arbeidsconflict nu eiser als medicus zomaar zijn werkgever zonder uitleg in de steek heeft gelaten, wat ook in Nederland niet zonder gevolgen zou blijven. Dat eiser als gevolg van de sanctie nooit meer, binnen dan wel buiten de overheid, zal kunnen werken, volgt niet uit het stuk. Eisers standpunt dat medisch personeel dat ongeoorloofd het land verlaat gedurende acht jaar niet mag terugkeren, slaagt vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing ook niet. De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat uit hetgeen door eiser tijdens zijn nader gehoor is aangevoerd niet blijkt dat hij voor zijn vertrek uit Cuba politiek actief is geweest. Eiser heeft desgevraagd voorts aangegeven dat hij nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging of door hem ontplooide politieke activiteiten. Dat eisers – marginale – politieke uitlatingen in Nederland bij de Cubaanse autoriteiten bekend zijn geworden en dat eiser daardoor bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Cubaanse autoriteiten zal komen te staan, wordt niet gevolgd.

5.13

Gelet op al het voorgaande heeft verweerder het door eiser aangevoerde onvoldoende zwaarwegend mogen achten voor verlening van een verblijfsvergunning asiel . Eisers asielaanvraag is terecht afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.