Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2128

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 785
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Irak; geloofwaardigheid; algemene veiligheidssituatie; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Laros).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Suleiman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1989. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij met de dood is bedreigd door een officier. Eiser werkte van 2012 tot 2015 bij [afdeling] van het ministerie van Defensie. Zijn taak was om lijsten met namen van officieren in een computersysteem op te nemen, bijvoorbeeld officieren die gedeserteerd waren of die gezocht werden voor betrokkenheid bij oorlogsmisdaden. In augustus 2015 is een officier meerdere malen naar eiser toegekomen met het verzoek om een aantal namen uit het systeem te verwijderen. De officier heeft gedreigd dat als eiser deze taak niet zou uitvoeren, hij hem zou vermoorden. Eiser is daarna niet meer naar zijn werk gekomen en heeft samen met zijn ouders en zussen hun huis verlaten. Via een telefoontje van zijn baas vernam eiser dat de officier die hem bedreigd had lid was van de politieke partij Al Daawa. Vervolgens is zowel eiser als zijn vader telefonisch met de dood bedreigd. Ook heeft eiser van buren vernomen dat onbekende mannen meerdere malen naar de woning van zijn ouders zijn gekomen om te vragen waar eiser was. Eiser heeft daarna vanwege de bedreigingen Irak verlaten.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. Eiser is op [geboortedatum] 1989 geboren in de wijk [wijk] te Bagdad, Irak;

2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit;

3. Eiser behoort tot de Arabische bevolkingsgroep;

4. Eiser is moslim en hangt de sji’itische stroming aan;

5. Eiser is van 2012 tot 2015 werkzaam voor het ministerie van Defensie, [afdeling] te [plaats] ;

6. Eiser is bedreigd te zullen worden vermoord door een officier omdat hij niet wil meewerken om bepaalde officieren van een lijst te schrappen.

3. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Verweerder acht de verklaringen van eiser over de elementen 1, 2, 3, 4 en 5 geloofwaardig. De verklaringen van eiser over element 6, de doodsbedreigingen door een officier omdat hij niet wilde meewerken om bepaalde officieren van een lijst te schrappen, acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder geeft aan dat eiser niet beschikt over documenten ter onderbouwing van dit relevante element en stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser op essentiële onderdelen vaag en summier hierover heeft verklaard. Verweerder acht het allereerst ongeloofwaardig dat eiser niet de naam weet van de officier die hem heeft bedreigd of waar hij gestationeerd is. Ook de verklaringen over de dreigtelefoontjes acht verweerder ongeloofwaardig omdat eiser zich enkel op vermoedens baseert en hij deze vermoedens niet met documenten of verklaringen kan onderbouwen. Verweerder heeft verder de verklaringen over de bedreiging door onbekende mannen bij zijn ouderlijk huis zeer summier en ongeloofwaardig geacht. Tot slot geeft verweerder aan dat de algemene situatie in Bagdad en het gevaar dat eiser loopt als ambtenaar niet zodanig is dat eiser reeds daarom in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn verklaringen over de doodsbedreigingen van de officier ten onrechte vaag en summier heeft geacht. Dat eiser niet naar de naam van de officier heeft gevraagd is in zijn situatie begrijpelijk nu hij vreesde voor zijn leven. Eiser voert daarnaast aan dat hij goed heeft beschreven wat de officier van hem wilde, wat de houding van de officier was en welke gevoelens bij hem naar boven kwamen. Verder stelt eiser dat hij als deserteur wordt aangemerkt en hij daarom gestraft zal worden bij terugkeer. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser in beroep een arrestatiebevel en een brief van het ministerie van Defensie overgelegd waarin aangegeven wordt dat eiser vanwege overtreding van het Iraakse wetboek van Militair Strafrecht een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar krijgt. Eiser meent verder dat hij vanwege zijn beroep tot een risicogroep behoort en door zijn werkzaamheden als ambtenaar gevaar loopt om bij terugkeer onderworpen te worden aan onmenselijke behandeling. Hiertoe verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2016. Ook stelt eiser dat de situatie in Bagdad ernstig is en dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser door een officier is bedreigd omdat eiser geen uitvoering gaf aan het verzoek om namen van officieren van een lijst te schrappen. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser de naam of standplaats van die officier niet kent. Eiser moet in de gelegenheid zijn geweest om hier navraag naar te doen. Eiser heeft immers telefonisch contact gehad met zijn baas waarbij deze aan hem vertelde dat de desbetreffende officier lid was van Al Daawa. Het betoog van eiser dat het in zijn situatie begrijpelijk is dat hij niet naar de naam heeft gevraagd nu hij vreesde voor zijn leven leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij eerst samen met zijn ouders en zussen hun huis is ontvlucht en heeft vervolgens zijn land van herkomst verlaten vanwege de bedreigingen door de officier. Verweerder heeft daarom mogen stellen dat niet in te zien valt dat eiser geen nadere informatie over deze officier waar hij zo bang voor was heeft gevraagd zodat hij een beoordeling had kunnen maken van het daadwerkelijke gevaar of eventueel (later) een klacht tegen de officier had kunnen indienen. Dat de officier lid zou zijn van de politieke partij Al Daawa kan hier niet aan afdoen, hetgeen te meer geldt nu eiser niet veel weet te vertellen over deze politieke partij. Verder heeft verweerder de verklaringen van eiser over de telefonische bedreigingen ongeloofwaardig mogen achten nu eiser heeft verklaard dat hij zeker weet dat de bedreigingen afkomstig zijn van de officier, maar dit enkel op vermoedens is gebaseerd. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat eiser heeft verklaard dat hij iedere keer door hetzelfde nummer werd gebeld, maar geen telefoonnummer heeft genoemd ter onderbouwing van zijn relaas. Ook heeft verweerder de bedreiging van de onbekende mannen die naar zijn ouderlijk huis zouden zijn gekomen zeer summier mogen achten. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over de doodsbedreigingen door de officier ongeloofwaardig heeft geacht.

5.2.

Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het overgelegde arrestatiebevel en de brief van het ministerie van Defensie niet tot een ander oordeel leiden. Allereerst heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze documenten zien op een beschuldiging van desertie en daarom niet kunnen dienen ter ondersteuning van eisers verklaringen over de doodsbedreigingen door de officier. Daarnaast heeft verweerder mogen overwegen dat voornoemde documenten kopieën betreffen waardoor de echtheid niet onderzocht kan worden. Verder heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat de documenten ook inhoudelijk gezien niet overtuigend zijn. Hierbij heeft verweerder met name van belang mogen achten dat niet valt in te zien dat eiser op grond van het Iraakse wetboek van Militair Strafrecht vervolgd zou worden voor desertie omdat hij niet als militair maar als burger werkzaam is geweest bij het ministerie van Defensie. Eiser heeft niet afdoende onderbouwd waarom hij desondanks als militair wordt gezien en bestraft. Daarnaast heeft verweerder van belang mogen achten dat de stukken dateren van december 2015 en eiser geen genoegzame verklaring heeft gegeven waarom deze documenten in 2017 voor het eerst zijn ingebracht. Voorts heeft verweerder opmerkelijk mogen achten dat in de brief van het ministerie van Defensie niet staat vanaf wanneer eiser niet meer op zijn werk is verschenen. Reeds gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat aan de overgelegde documenten niet de door eiser gewenste waarde toekomt.

5.3

Ten aanzien van het betoog van eiser in de zienswijze dat hij als ambtenaar tot een risicogroep behoort, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat er geen speciaal beleid geldt voor personen die bij de Iraakse overheid hebben gewerkt. Dat vaststaat dat eiser werkzaam was als ambtenaar, is daarom onvoldoende grond om aan te nemen dat eiser reeds hierom een reëel risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling.

5.4.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat in Irak geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. In het voornemen heeft verweerder verwezen naar de Tweede Kamerbrief van 9 december 2015 (kenmerk: 694088) en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009). In het bestreden besluit heeft verweerder daarnaast verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2016, waarin staat dat de veiligheidssituatie in Bagdad in de verslagperiode niet significant is veranderd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 21 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3083, waarin is overwogen dat in de stad Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in onder meer haar uitspraak van 3 juli 2017 (ECLINL:RVS:2017:1744). De rechtbank overweegt verder dat de rapporten en nieuwsberichten die bij de zienswijze zijn overgelegd aantonen dat de situatie in Bagdad ernstig is, dat er veel incidenten plaatsvinden en dat daarbij doden en gewonden vallen. Hieruit volgt echter geen wezenlijk ander beeld dan in de documenten waarnaar verweerder verwijst en in de voornoemde uitspraken van de Afdeling geschetst wordt. De overlegde stukken zijn daarom onvoldoende grond om aan te nemen dat de mate van willekeurig geweld in Irak zo hoog is, dat eiser louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op schade.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.