Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2127

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11974
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Irak; geloofwaardigheid; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Laros).

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chaker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij een geheime relatie had met [persoon A]. Toen de familie van [persoon A] achter de geheime relatie kwam, hebben de broers en stamgenoten van [persoon A] eiser bedreigd met de dood. Vanwege de problemen die zijn ontstaan vanwege zijn relatie met [persoon A], is eiser Irak ontvlucht.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Eiser is een 28-jarige man genaamd [naam eiser], met de Iraakse nationaliteit, afkomstig uit [plaats], Irak.

  • -

    De gestelde geheime relatie van eiser met [persoon A] en de problemen die daar uit zijn voortgekomen.

3. Verweerder heeft eisers aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de verklaringen over de geheime relatie met [persoon A] en de problemen die daar uit zijn voortgekomen niet geloofwaardig. Verweerder werpt eiser tegen dat hij geen data of duidelijke tijdsaanduiding weet te geven over het verloop van en de gebeurtenissen omtrent de geheime relatie met [persoon A]. Verder acht verweerder de verklaring van eiser dat de zus van [persoon A] hem geholpen zou hebben bij het dwarsbomen van de huwelijksaanzoeken van andere mannen opmerkelijk. Eisers verklaringen over de nachtelijke ontmoeting met [persoon A] bij haar huis, waarbij [persoon A] haar moeder hen heeft betrapt, acht verweerder onvoldoende concreet en ongeloofwaardig. Daarnaast acht verweerder het bevreemdingwekkend dat eiser nog drie maanden in Irak heeft verbleven na de doodsbedreiging door [persoon A]’s familie. Verweerder ziet verder niet in dat eiser het risico heeft genomen om voor zijn vertrek naar zijn ouderlijk huis te gaan, terwijl hij heeft verklaard dat dit huis in de gaten werd gehouden. Tot slot merkt verweerder op dat het bevreemdend is dat eiser zonder zijn vriendin [persoon A] uit Irak is vertrokken nu [persoon A] ook gevaar loopt om door haar familie gestraft te worden.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de verklaringen over de geheime relatie van eiser met [persoon A] en de problemen die daar uit zijn voortgekomen ongeloofwaardig acht. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen duidelijke tijdsaanduiding heeft kunnen geven nu hij hier nooit goed in is geweest, data betreffende relaties in Irak niet op dezelfde wijze herdacht en gevierd worden als in Nederland en zijn herinneringen gestoord werden door de zorgen en problemen die hij heeft meegemaakt. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder de hulp van [persoon A]’s zus ten onrechte bevreemdend acht. Eiser wijst er daarbij op dat er sprake was van een sterke band tussen beide zussen en dat de handelswijze minder risicovol was dan verweerder veronderstelt aangezien Iraanse vrouwen niet snel dergelijke gevoelige informatie zullen doorvertellen. Ook ziet eiser niet in dat hij de namen van de huwelijkskandidaten had moeten kennen. Ten aanzien van de nachtelijke ontmoeting bij [persoon A]’s huis geeft eiser aan dat ze geen optie hadden om elders af te spreken en dat de wens om elkaar te zien opwoog tegen het risico. Verder merkt eiser op dat hij weliswaar drie maanden in Irak is gebleven, maar dat hij steeds op zijn hoede was en dat als hij nog langer zou zijn gebleven het een kwestie van tijd zou zijn geweest voordat de stam van [persoon A] hem zou vinden. Over het bezoek aan zijn ouderlijk huis voor vertrek voert eiser aan dat voorzorgsmaatregelen waren genomen en dat hij dit op uitdrukkelijk verzoek van zijn moeder heeft gedaan. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat in het bestreden besluit ten onrechte niet getoetst is aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast maakt eiser tevens bezwaar tegen het terugkeerbesluit met vertrektermijn en de aanzegging dat de verstrekkingen zullen worden beëindigd. Tot slot heeft eiser ter zitting een verklaring van zijn stam overlegd waarin staat dat hij door zijn stam is verstoten.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn relatie met [persoon A] en de problemen die daaruit zijn voortgekomen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft met name uiterst opmerkelijk mogen achten dat de zus van [persoon A] eiser geholpen zou hebben om huwelijksaanzoeken van andere mannen te dwarsbomen. Eiser heeft verklaard dat de zus van [persoon A] op zijn verzoek contact heeft opgenomen met de families van de mannen van de huwelijkskandidaten en hen heeft verteld dat [persoon A] een geheime relatie heeft met een andere man. Ongeacht de vraag hoe groot de kans is dat de moeders van de huwelijkskandidaten dit zouden doorspelen, staat vast dat de zus van [persoon A] met de voornoemde handelswijze een risico nam en problemen zou kunnen krijgen met haar familie. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte overwogen dat niet wordt ingezien dat de zus van [persoon A] een dergelijk risico zou nemen. De stelling dat de band tussen [persoon A] en haar zus sterk is, is geen afdoende uitleg om de geschetste gang van zaken niet opmerkelijk te achten. Verder heeft verweerder hierbij opmerkelijk mogen achten dat eiser de namen van de huwelijkskandidaten niet wist. Daarbij heeft verweerder mogen tegenwerpen dat moeilijk valt te rijmen dat eiser de namen van de huwelijkskandidaten niet kent maar wel aan de zus van [persoon A] vroeg naar de moeder van de desbetreffende huwelijkskandidaten te gaan.

5.2

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank verder eiser vooral mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over de nachtelijke ontmoeting bij [persoon A]’s huis onvoldoende concreet en opmerkelijk zijn. Eiser heeft verklaard dat [persoon A] hem heeft gebeld en gevraagd om naar haar toe te komen omdat haar ouders sliepen en dat zij vervolgens buiten het huis in de tuin hebben afgesproken en daar intiem contact hebben gehad. Verweerder heeft dit niet ten onrechte zeer bevreemdend geacht. Eiser was er van op de hoogte dat de familie van [persoon A] tegen een relatie tussen hem en [persoon A] was. Ook heeft eiser verklaard dat het lastig was om elkaar te zien, het te gevaarlijk was om naar het huis van [persoon A] te gaan en [persoon A] en hij nooit alleen afspraken. In dit licht heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat eiser bewust het risico heeft genomen om ’s nachts naar [persoon A]’s huis te gaan en aldaar nog meer risico heeft genomen door haar te zoenen. Het betoog dat er geen andere optie was en dat ze elkaar graag wilden zien, doet aan het voorgaande niet af. Verder heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij niet kan aangeven wanneer deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Van eiser had immers redelijkerwijs verwacht mogen worden dat hij meer concreet zou kunnen aangeven wanneer deze gebeurtenis plaatsvond nu dit de directe aanleiding voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst is geweest.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder eiser mogen tegenwerpen dat hij geen duidelijke tijdsaanduiding heeft kunnen geven van de gebeurtenissen rondom de geheime relatie met [persoon A]. Eiser heeft bijvoorbeeld enkel een grove schatting kunnen maken van het moment waarop hij [persoon A] heeft leren kennen, hoe oud hij was toen de relatie begon en wanneer hij haar ter huwelijk heeft gevraagd. Dat eiser niet goed is met data en dat in Irak in relaties data een andere rol spelen, doet er niet aan af dat van eiser op dit punt meer specificering verwacht had mogen worden nu de relatie met [persoon A] zijn reden voor vertrek uit Irak is geweest. Ook heeft verweerder eisers verklaringen over het bezoek aan zijn ouderlijk huis niet ten onrechte opmerkelijk geacht nu eiser het risico heeft genomen om hiernaartoe te gaan, terwijl hij heeft verklaard dat dit huis in de gaten werd gehouden door de broers van [persoon A]. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser geen overtuigende verklaring heeft gegeven - ook niet ter zitting - waarom hij niet op een andere plek afscheid kon nemen van zijn familie. Tot slot heeft verweerder opmerkelijk mogen achten dat eiser enerzijds verklaard heeft dat de stam van [persoon A] zeer machtig is en hem zelfs buiten Irak zal kunnen vinden, terwijl eiser anderzijds na het incident bij [persoon A]’s huis nog drie maanden bij een direct familielid ondergedoken heeft kunnen zitten zonder getraceerd te worden door de stam van [persoon A].

5.4

Ten aanzien van de ter zitting overlegde verklaring van de stam van eiser overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht en op goede ronden op het standpunt heeft gesteld dat dit niet tot een ander oordeel kan leiden. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat deze verklaring pas twee jaar na eisers vlucht op zijn verzoek is opgesteld, hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de inhoud. Verder staat in de verklaring alleen dat eiser verstoten is uit de clan, maar niet wat de reden hiervoor is. Aan de verklaring van de stam kan daarom niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht.

5.5

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de gestelde relatie met [persoon A] en de problemen die daaruit zijn voortgekomen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dat verweerder ter zitting heeft aangegeven niet meer tegen te werpen dat het bevreemdend is dat eiser niet samen met zijn vriendin het land heeft verlaten, doet niet af aan de voorgaande overwegingen. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat eiser voornamelijk vanuit zijn gevoel heeft gehandeld en dat zijn keuzes daarom niet altijd rationeel zijn geweest, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Hoewel eisers gedrag gevoelsmatig te volgen kan zijn, maakt dit het asielrelaas gelet op de geschetste vaagheden en ongerijmdheden nog niet overtuigend. Verder volgt de rechtbank niet dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM nu het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden en verweerder in het voornemen de toetsing aan de voornoemde bepalingen afdoende heeft gemotiveerd.

6. Verweerder heeft gelet op het voorgaande op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000. Nu eiser geen concrete gronden heeft aangevoerd tegen het terugkeerbesluit, de terugkeertermijn en het beëindigen van de verstrekkingen, kan het beroep hiertegen gelet op de voorgaande overwegingen niet slagen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.