Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2123

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
NL18.2032
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2032


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2033, plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Achamlale. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

Uit Eurodac is verweerder gebleken dat eiser asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk

op 22 december 2010, in Zwitserland op 26 april 2011, in Duitsland op 13 april

2012, in Zweden op 20 juni 2012, in Noorwegen op 17 augustus 2012, in

Denemarken op 11 mei 2013, in Zweden op 1 augustus 2014, in Denemarken

op 16 augustus 2016, in Italië op 7 november 2016, in Zwitserland op 6

december 2016 en in Duitsland op 9 juni 2017.

Uit onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening is verweerder voorts gebleken – voor zover hier van belang – dat Duitsland in 2014, naar aanleiding van eisers eerste asielaanvraag aldaar, aan Oostenrijk, Zwitserland en Frankrijk heeft gevraagd eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen, dat al deze landen het verzoek hebben afgewezen en dat het verzoek aan Frankrijk weer is ingetrokken. Duitsland heeft in 2014 ook Italië gevraagd om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen en Italië is hiermee, door niet tijdig te reageren, (fictief) akkoord gegaan. Hoewel eisers eerste asielaanvraag in Duitsland vanwege de verantwoordelijkheid van Italië is afgewezen is eiser daaropvolgend niet door Duitsland aan Italië overgedragen. Uit het onderzoek is verder gebleken dat eisers tweede asielaanvraag in Duitsland is afgewezen omdat eiser niet is verschenen voor zijn gehoor.

Gelet op deze bevindingen heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Eiser voert aan dat hij de reële vrees heeft dat Duitsland zijn asielaanvraag niet zorgvuldig zal behandelen en dat hij aldaar geen opvang zal krijgen, waardoor schending dreigt van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser stelt verder dat hij, in weerwil van wat verweerder in het bestreden besluit betoogt, wel degelijk in zijn belangen is geschaad als gevolg van het feit dat hij in Duitsland tijdens zijn asielprocedure en zijn vreemdelingendetentie geen rechtsbijstand heeft gehad en er in het kader van zijn beroep aldaar geen zitting heeft plaatsgevonden waarbij hij aanwezig kon zijn. Eiser stelt dat hij heeft geprobeerd hierover bij de autoriteiten proberen te klagen, maar dat dit tot niets heeft geleid. Eiser betwist voorts verweerders standpunt dat hij geen stukken heeft overgelegd ten aanzien van zijn medische situatie. Eiser heeft naar eigen zeggen medische documenten uit Zwitserland overgelegd. Eiser stelt verder dat verweerder, gelet op alles wat eiser heeft meegemaakt, zijn psychische problemen en het feit dat hij na vijftien jaar zwerven rust nodig heeft, zijn aanvraag aan zich moet trekken dan wel Duitsland om garanties moet vragen. Eiser verwijst hiertoe naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 inzake Tarakhel tegen Zwitserland.

Dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming is niet in geschil. In geschil is of verweerder de behandeling van het verzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, onverplicht aan zich dient te trekken.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Nu eiser ter staving van zijn betoog dat Duitsland zijn asielaanvraag niet zorgvuldig zal behandelen en hij aldaar geen opvang zal krijgen en dat hij in Duitsland geen rechtsbijstand heeft gehad, geen algemene of op zijn persoon toeziende documentatie heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de motivering zoals gegeven in het voornemen en ter zitting heeft kunnen volstaan.

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder in beginsel ervan uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Eiser heeft niet op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat in Duitsland het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers tekortschiet. De enkele niet nader onderbouwde verklaringen van eiser acht de rechtbank onvoldoende om zulks aan te nemen. Verweerder heeft in voornoemd betoog van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers aanvraag onverplicht aan zich te trekken.

In de door eiser aangevoerde psychische problemen heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om eisers aanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder betoogt terecht dat uit de door eiser overgelegde medische stukken uit Zwitserland niet blijkt dat hij onder specialistische medische behandeling staat of deze behoeft. Verder betoogt verweerder terecht dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen en dat Duitsland wordt verondersteld dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden te hebben als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen te kunnen behandelen.

De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde psychische problematiek ook geen aanleiding voor de conclusie dat eiser moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon en dat er aanvullende garanties noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het bepaalde in het arrest Tarakhel in eisers geval niet van toepassing.

Verweerder heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.