Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2113

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
SGR 17/5860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers verzoek om medenaturalisatie terecht afgewezen omdat het ernstige vermoeden bestaat dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/5860

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 (het primaire besluit) is het verzoek om medenaturalisatie van eiser afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 13 oktober 2014 heeft eiser een transactievoorstel aanvaard tot het verrichten van een werkstraf van 38 uren, wegens handelen in strijd met artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft deze werkstraf verricht in de periode 10 juni 2014 tot 7 november 2014. Op 19 juli 2016 heeft eisers vader [vader eiser] een verzoek ingediend tot naturalisatie van hemzelf en medenaturalisatie van zijn twee minderjarige kinderen, waaronder eiser. Op 29 maart 2017 heeft verweerder een voornemen tot afwijzing van het verzoek tot medenaturalisatie van eiser uitgebracht, waarin is medegedeeld dat er reden is om het verzoek af te wijzen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat eiser in de periode van vier jaar voorafgaand aan het nemen van de beslissing een taakstraf heeft uitgevoerd. Op 10 april 2017 heeft eisers vader [vader eiser] zijn schriftelijke zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt. Op 23 mei 2017 is [vader eiser] het Nederlanderschap verleend. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek tot medenaturalisatie van eiser afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de RWN, bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Verweerder heeft geen aanleiding gezien toepassing te geven aan de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 10 van de RWN.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

3. In beroep voert eiser aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord conform artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bepaalt dat het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 niettemin wordt afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk

Artikel 11, eerste lid, van de RWN bepaalt dat het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, deelt in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend.

Ingevolge artikel 11, derde lid, van de RWN, voor zover hier van belang, wordt het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek om medeverlening de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is.

Het door verweerder ter zake gevoerde beleid is neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding).

Volgens de Handleiding wordt een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, aangenomen indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd.

4.3

Vast staat dat eiser korter dan vier jaar direct voorafgaande aan de verlening van het Nederlanderschap aan zijn vader (23 mei 2017) de aan hem wegens het plegen van een misdrijf opgelegde taakstraf heeft voltooid (7 november 2014), zodat gelet op het door verweerder gevoerde beleid het ernstige vermoeden bestaat dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde.

4.4

Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3117) volgt dat het door verweerder gehanteerde beleid niet onredelijk is. Bij de toepassing van het beleid dient verweerder er rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Hieruit volgt dat individuele omstandigheden dienen te worden betrokken bij de vraag of op grond van het gedrag van eiser ernstige vermoedens bestaan dat deze gevaar oplevert voor de openbare orde.

4.5

Het betoog van eiser dat in het naturalisatiebeleid voorbij wordt gegaan aan het feit dat ingeval van een transactievoorstel geen onderzoek plaatsvindt door de strafrechter en niet is gemotiveerd waarom de rehabilitatietermijn is vastgesteld op vier jaar, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband kunnen volstaan met een verwijzing naar het de Handleiding. Uit de Handleiding volgt, voor zover hier van belang, dat iedere taakstraf, ongeacht de duur ervan en ongeacht of die taakstraf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf, tot weigering van naturalisatie leidt en dat daarbij niet van belang is of het misdrijf aan de strafrechter is voorgelegd en door een strafrechter bewezen is verklaard. Verder volgt uit de Handleiding dat de vierjarentermijn, naast andere regels die zien op de beoordeling van het openbare-ordecriterium en die in de Handleiding worden genoemd, een nadere invulling vormt van het criterium ‘ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde’.

4.6

Verweerder heeft de in bezwaar aangevoerde individuele omstandigheden van eiser betrokken bij zijn besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geringe ernst van het delict, eisers jeugdige leeftijd ten tijde van het delict en het feit dat eiser sinds het delict niet meer met politie in aanraking is gekomen en bezig is een toekomst op te bouwen, geen zodanig bijzondere omstandigheden zijn dat verweerder, in afwijking van het beleid, met een kortere rehabilitatietermijn had moeten volstaan. Ook de omstandigheid dat eiser ten tijde van de aanvaarding van het transactieaanbod nog jong was en geen goede juridische bijstand heeft gehad, wat daar ook van zij, zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden. Dat het anders had kunnen lopen als eiser geweten had dat hem in plaats van een taakstraf ook een boete kon worden opgelegd, en die boete volgens eiser onder de door verweerder gehanteerde grens zou zijn gebleven, doet niet af aan het feit dat eiser de taakstraf heeft aanvaard en uitgevoerd.

4.7

Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar, slaagt niet. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van eiser niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op het primaire besluit, hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, en de motivering van het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen kon worden afgezien.

4.8

De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiser verder in beroep heeft aangevoerd louter een niet nader gemotiveerde herhaling vormt van hetgeen hij in bezwaar naar voren heeft gebracht. Verweerder is hierop in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan.

Nu eiser niet concreet heeft aangegeven op welke wijze het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan, kan een enkel herhaling van zetten niet tot enig resultaat leiden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.