Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2104

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
C/09/543591 / HA ZA 17-1209
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Art. 4.6 BVIE. In omstandigheden van dit geval geen grond voor aanvullende werking van regels van ongeschreven internationaal privaatrecht of 107 Rv over samenhang bij meer gedaagden, in afwijking van hoofdregel (forum rei).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/543591 / HA ZA 17-1209

Vonnis in incident van 28 februari 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

EASYGROUP LTD,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. T.Y. Adam-van Straaten te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar Frans recht,

CARREFOUR, SOCIETE ANONYME,

gevestigd te Boulogne Billancourt (Frankrijk),

2. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht,

CARREFOUR BELGIUM N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. P.J.B. Heemskerk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna EasyGroup en Carrefour c.s. genoemd worden en gedaagden in de hoofdzaak tevens eiseressen in het incident afzonderlijk ook wel Carrefour S.A. en Carrefour Belgium.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 augustus 2017 met producties 1 tot en met 31;

  • -

    de incidentele conclusie houdende onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag, met producties 1 en 2;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 Vorderingen in de hoofdzaak

2.1.

EasyGroup vordert in de hoofdzaak, zakelijk weergegeven, nietigverklaring van de Beneluxmerkinschrijvingen van Carrefour c.s. met de nummers 945561, 945562 en 986065 en de ambtshalve doorhaling daarvan, met hoofdelijke veroordeling van Carrefour c.s. in de proceskosten.

2.2.

EasyGroup legt aan haar vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – de volgende stellingen ten grondslag.

2.2.1.

EasyGroup is houdster van meer dan 1.000 merken (waarvan 131 Uniewoord- en woordbeeldmerken) wereldwijd, met daarin het bestanddeel EASY, samengevoegd met een woord dat de betreffende activiteit aanduidt. Het oudste Uniemerk is het Uniewoordmerk EASYJET, gedeponeerd op 1 juli 1999 en op 25 september 2002 ingeschreven onder nummer 1232909. Andere Uniemerken van EasyGroup zijn onder meer EASYHOTEL, EASYCAR EN EASYCOFFEE. De merken van EasyGroup worden consequent gebruikt in witte letters in het lettertype ‘Cooper Black’ tegen een oranje achtergrond. Het element ‘EASY’ is een seriemerk, zoals ook is bevestigd door het EUIPO. Een aantal van de ‘EASY’-merken van EasyGroup is ingeschreven voor waren in de klassen 35 (onder andere detailhandelsdiensten) en 36 (onder andere financiële diensten).

2.2.2.

Carrefour S.A. en haar dochteronderneming Carrefour Belgium zijn supermarktconcerns die verschillende supermarktformules exploiteren in Frankrijk en België. In 2013 heeft Carrefour Belgium twee Beneluxbeeldmerken aangevraagd met daarin het woordbestanddeel EASY CADDY. In 2015 heeft Carrefour S.A. een Beneluxbeeldmerk aangevraagd met daarin het woordbestanddeel EASY MARKET. Deze drie merken – met daarin ‘EASY’ en een voor de activiteit beschrijvend bestanddeel, en voor de merken van Carrefour Belgium ook nog oranje letters in een rond lettertype, zijn intussen ingeschreven onder de nummers 945561, 945562 en 986065 en worden door Carrefour c.s. sinds 2013 gebruikt voor winkelformules onder de naam Easy Caddy en later ook onder de naam Easy Market.

2.2.3.

Deze drie Beneluxmerken stemmen overeen met de merken van EasyGroup en zijn ingeschreven voor dezelfde, althans soortgelijke, diensten als (een deel van) de ‘EASY’-merken van EasyGroup Daardoor ontstaat verwarring en wordt ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit en afbreuk gedaan aan het onderscheidend vermogen en de reputatie van de merken van EasyGroup. EasyGroup roept daarom de nietigheid in van de merken van Carrefour c.s. op grond van artikel 2.28 lid 3 sub a jo. artikel 2.3 sub b respectievelijk sub c BVIE1. Bovendien heeft Carrefour c.s. deze depots te kwader trouw verricht, omdat zij zonder twijfel bekend was met de oudere merken van EasyGroup. Ook daarom dienen de merken van Carrefour c.s. nietig verklaard te worden.

3 De incidentele vordering tot onbevoegdheidverklaring

3.1.

Carrefour c.s. vordert in dit incident, zakelijk weergegeven: primair dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van EasyGroup, met veroordeling van EasyGroup in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten, en subsidiair, voor het geval deze rechtbank zich wel bevoegd verklaart, om de zaak naar de rol te verwijzen voor conclusie van antwoord, en daarbij te bepalen dat EasyGroup haar vordering in het vervolg van deze procedure niet zodanig kan wijzigen dat ook een inbreukverbod wordt gevorderd.

3.2.

Carrefour c.s. legt hieraan het volgende ten grondslag. Aangezien Carrefour Belgium gevestigd is in België, volgt uit de hoofdregel van artikel 4.6 lid 1 BVIE dat de Belgische rechter uitsluitend bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Het gegeven dat één van gedaagden in een Beneluxland gevestigd is, brengt mee dat ook de andere gedaagde in dat Beneluxland moet worden gedagvaard. In deze situatie wordt aan lid 2 van artikel 4.6. BVIE – dat een uitzonderingskarakter heeft – niet toegekomen. De Nederlandse rechter is daarom ten aanzien van beide gedaagden onbevoegd.

3.3.

EasyGroup voert gemotiveerd verweer en stelt daartoe – zakelijk weergeven – het volgende. De rechtbank Den Haag is bevoegd op grond van artikel 4.6 lid 2 BVIE, omdat Carrefour S.A. geen woonplaats in de Benelux heeft en de bevoegdheid (voor haar) derhalve niet op grond van lid 1 kan worden bepaald. Dit brengt mee dat op grond van verknochtheid in de zin van artikel 220 lid 1 Rv en artikel 4.6 lid 5 BVIE de rechtbank Den Haag ook ten aanzien van Carrefour Belgium bevoegd is. Indien EasyGroup tegen Carrefour Belgium in België een procedure aanhangig maakt, zal de Belgische rechter die zaak wegens litispendentie verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De rechtbank kan vooruitlopend op deze formalistische en nodeloos omslachtige omweg bevoegdheid aannemen. Voorts wordt Carrefour c.s. op geen enkele wijze in haar belangen geschaad indien de procedure niet voor de Belgische rechter maar voor deze rechtbank wordt gevoerd.

3.4.

Subsidiair, indien de rechtbank zich jegens Carrefour Belgium onbevoegd zou achten, verzoekt EasyGroup de rechtbank de procedure aan te houden in afwachting van een verwijzing van de Brusselse rechtbank op de voet van artikel 4.6 lid 5 BVIE en meer subsidiair wenst zij haar eis in de hoofdzaak te verminderen tot nietigverklaring van (alleen) het Beneluxmerk met nummer 986065 van Carrefour S.A.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen dient vast te stellen aan de hand van het BVIE, die voor die bevoegdheid een lex specialis vormt ten opzichte van de EEX II-Vo2,3 en de bepalingen inzake rechtsmacht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ingevolge het bepaalde in artikel 4.6 lid 1 BVIE wordt de bevoegdheid van de rechter bepaald door de woonplaats van de gedaagde of door de plaats waar de in het geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Artikel 4.6 lid 2 BVIE bepaalt dat indien de gegeven regels uit lid 1 voor de bepaling van de territoriale bevoegdheid niet toereikend zijn, de eiser de zaak bij de rechter van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of verblijfplaats binnen het Beneluxgebied heeft, naar keuze bij de rechter te Brussel, te Den Haag of te Luxemburg aanhangig kan maken. Nu de onderhavige zaak betrekking heeft op een nietigverklaring, is een plaats waar de verbintenis is ontstaan of (moet worden) uitgevoerd niet aan de orde.

4.2.

Ingevolge lid 1 van voormelde bepaling is ten aanzien van het in België gevestigde Carrefour Belgium de rechter van haar vestigingsplaats, Brussel, bevoegd. De Haagse rechter is daarmee (in beginsel) onbevoegd. Ten aanzien van het buiten de Benelux gevestigde Carrefour S.A. geldt ingevolge lid 2 – nu ook EasyGroup woonplaats heeft buiten het Beneluxgebied – dat de daar aangewezen rechters (in Brussel, Den Haag en Luxemburg) alternatief bevoegd zijn.

4.3.

Anders dan EasyGroup meent, leidt bevoegdheid ten aanzien van Carrefour S.A. niet tot bevoegdheid ten aanzien van Carrefour Belgium. In de eerste plaats geldt dat het BVIE, anders dan de niet toepasselijke EEX II-Vo en art. 7 Rv, geen samenhangbepaling kent. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om op grond van een overeenkomstige uitleg van het arrest Burberrys II4 , nationaal procesrecht, met name artikel 107 Rv, of het commune IPR toe te passen. Anders dan in de zaak Burberrys II, gaat het in deze zaak om cumulatie van vorderingen tegen verschillende gedaagden, terwijl het in genoemd arrest ging om cumulatie van verschillende eisers. Die kozen er zelf voor hun vorderingen gezamenlijk bij één bepaalde rechter in te stellen en in die zaak vormde het forum rei (rechter woonplaats gedaagde) geen alternatief. Zowel het BVIE als het commune IPR nemen tot uitgangspunt dat de gedaagde slechts bij uitzondering van de eigen rechter mag worden afgehouden. In het onderhavige geval, waarin Carrefour Belgium gevestigd is in Brussel, zou zij worden afgehouden van de rechter van haar woonplaats en van haar land, waar zij bovendien de mogelijkheid heeft om in het Frans te procederen, wat mogelijk (en gezien de herkomst van de groep waartoe zij behoort zelfs waarschijnlijk) de eigen taal is van haar organisatie. Uit het Burberrys II arrest5 valt voorts af te leiden dat het doel van een eventuele uitzondering op het forum rei-beginsel is, dat onverenigbare uitspraken worden vermeden. Alhoewel er een zekere samenhang is tussen de vorderingen jegens beide gedaagden, is er in het onderhavige geval geen risico van onverenigbare beslissingen, omdat gedaagden ieder verschillende merken hebben geregistreerd6, met verschillende woord-, beeld- en kleurelementen. Daar komt bij dat EasyGroup de mogelijkheid heeft om de procedure tegen beide gedaagden aan te brengen bij de rechter in Brussel. Die rechter is immers niet alleen bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Carrefour Belgium als de rechter van haar woonplaats, maar is op grond van artikel 4.6 lid 2 BVIE, evenals de Haagse rechtbank, bevoegd voor Carrefour S.A. Ook in dat opzicht bestaat geen dringende reden de zaak met het oog op de rechtseenheid of proceseconomie in Den Haag aanhangig te maken.

4.4.

Bevoegdheid ten aanzien van Carrefour Belgium kan ook niet worden ontleend aan artikel 4.6 lid 5 BVIE. Op grond van deze bepaling ontstaat immers pas bevoegdheid voor deze rechtbank nadat er een procedure in België aanhangig is gemaakt en de Belgische rechter heeft beslist de zaak te verwijzen, omdat naar zijn oordeel sprake is van verknochtheid. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten aanzien van Carrefour Belgium onbevoegd is.

4.5.

De bevoegdheid van de Belgische rechter ten aanzien van Carrefour Belgium heeft niet tot gevolg, dat de Haagse rechter ten aanzien van Carrefour S.A. ook onbevoegd is. Dit volgt niet uit artikel 4.6 lid 1 of 2 BVIE. Artikel 4.6 lid 2 BVIE wijst voor Carrefour S.A. uitdrukkelijk drie alternatief bevoegde rechters aan, waaronder deze rechtbank, in het geval lid 1 geen bevoegde rechter aanwijst. De redenering van Carrefour c.s. is kennelijk dat aan lid 2 niet wordt toegekomen omdat, op grond van ongeschreven regels van internationaal of Benelux procesrecht, lid 1 in alle gevallen aangevuld moet worden met een samenhang-regeling. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen blijkt al dat de rechtbank dat standpunt niet volgt. Voor zover er al ruimte is voor een dergelijke aanvullende samenhang-regeling, dan ziet de rechtbank niet in waarom die de regeling van lid 2 buiten werking zou stellen en tot exclusieve bevoegdheid van de Brusselse rechter ten aanzien van Carrefour S.A. zou leiden in een geval als het onderhavige, waarbij geen risico van tegenstrijdige uitspraken bestaat.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank zich ten aanzien van de vorderingen tegen Carrefour Belgium onbevoegd zal verklaren en ten aanzien van de vorderingen tegen Carrefour S.A. bevoegd zal verklaren.

4.7.

De rechtbank begrijpt de subsidiaire vordering van Carrefour c.s. aldus, dat zij op voorhand een verbod wenst van een mogelijke aanvulling van de vordering van EasyGroup met een inbreukverbod. Op grond van artikel 130 Rv kan een eiswijziging in elke stand van het geding worden gedaan. Zij kan slechts worden geweigerd als zij in strijd is met de goede procesorde. Nu er op dit moment geen sprake is van een eisvermeerdering door EasyGroup, is er van enige strijd met de goede procesorde ook geen sprake en kan deze vordering niet worden toegewezen.

4.8.

EasyGroup zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure tegen Carrefour Belgium worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze kosten zullen conform het liquidatietarief worden begroot op 1/2 x € 452,- aan salaris advocaat en 1/2 x € 618,- aan griffierecht, derhalve op € 535,- in totaal. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis is eveneens toewijsbaar. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

4.9.

Carrefour S.A. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure tegen EasyGroup worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze kosten zullen conform het liquidatietarief worden begroot op 1/2 x € 452,- aan salaris advocaat en 1/2 x € 618,- aan griffierecht, derhalve op € 535,- in totaal. Bij gebreke van een vordering daartoe zal deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 In de hoofdzaak

5.1.

Het verzoek van EasyGroup tot aanhouding van de procedure, in afwachting van haar voornemen na aanhangmaking een verwijzingsverzoek te doen bij de Brusselse rechtbank op de voet van artikel 4.6 lid 5 BVIE, wordt afgewezen. Voor schorsing van de procedure in de zin van artikel 225 Rv bestaat geen grond. Nu het verzoek om aanhouding niet eenstemmig wordt gedaan en de procedure in Brussel nog niet eens is aangebracht, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een aanhouding door plaatsing op de parkeerrol.

5.2.

Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor de eisvermindering van EasyGroup, zodat in de zaak tussen EasyGroup en Carrefour S.A. op basis van die verminderde eis zal worden voortgeprocedeerd.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Carrefour S.A. kennis te nemen;

6.2.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Carrefour Belgium kennis te nemen;

6.3.

veroordeelt EasyGroup in de proceskosten in het incident tussen EasyGroup en Carrefour Belgium, aan de zijde van Carrefour Belgium tot dusver begroot op € 535,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis tot de dag van volledige voldoening;

6.4.

verklaart de in 6.3 bepaalde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

veroordeelt Carrefour S.A. in de proceskosten in het incident tussen Carrefour S.A. en EasyGroup, aan de zijde van EasyGroup tot dusver begroot op € 535,-;

6.6.

wijst het meer of anders incidenteel gevorderde af;

in de hoofdzaak

6.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 april 2018 voor conclusie van antwoord;

6.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.

1 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen).

2 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

3 HvJ EU 14 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:560 (Brite Strike).

4 BenGH 16-12-1991, ECLI:NL:XX:1991:AD1556, RvdW 1992, 11 (Burberrys II).

5 r.o. 13 tot en met 16.

6 Vergelijk in dezelfde zin Rechtbank Den Haag 30 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:9739.