Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
NL18.2130, NL18.2132
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.2130 (beroep eiser)

NL18.2132 (beroep eiseres)


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaken tussen

[eiser], eiser

en

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Tamer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 januari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL18.2131 en NL18.2133, plaatsgevonden op 22 februari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M.Y. Abdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 21 augustus 2017 onderhavige asielaanvragen ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eisers eerder in Duitsland een asielaanvraag hebben ingediend (eiser op 10 juni 2016 en eiseres op 23 november 2016). Met verweerders verzoek aan Duitsland om terugname van eisers op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening (EU) 604/2013, is Duitsland op 2 oktober 2017 akkoord gegaan.

3.1

Eisers voeren primair aan dat niet Duitsland maar Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen. Italië is volgens eisers het land waar zij als eerste zijn ingereisd. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten hun asielaanvragen niet in behandeling hebben genomen wegens een Dublinclaim op Italië, zodat in Duitsland niet inhoudelijk op hun asielaanvragen is beslist.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom

Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen, ondanks de illegale binnenkomst in Italië. Ten aanzien van eiser is op 15 maart 2016 de overdrachtstermijn verstreken zonder dat eiser door de Duitse autoriteiten was overgedragen aan Italië, waardoor Duitsland op 16 maart 2017 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn aanvraag. Ten aanzien van eiseres is Duitsland verantwoordelijk geworden doordat Duitsland beslist heeft op haar asielaanvraag.

4.1

Eisers voeren subsidiair aan dat verweerder de behandeling van hun asielaanvragen onverplicht aan zich zou moeten trekken, omdat ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Asielzoekers hebben in Duitsland niet automatisch recht op gefinancierde rechtsbijstand, waardoor geen sprake is van ‘fair trial’ en een ‘effective remedy’, zoals vastgelegd in artikel 47, derde lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 46 van de Procedurerichtlijn 2013/32/EU en artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eisers verwijzen naar een rapport van ECRE (European Council on Refugees and Exiles) van november 2017, waarin Europese staten worden opgeroepen ervoor zorg te dragen dat asielzoekers zonder financiële middelen in alle stadia van de asielprocedure rechtsbijstand te verlenen. Ook verwijzen eisers naar een uitspraak van het Oostenrijkse Hoogste Administratieve Gerechtshof van 3 september 2015.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eisers nakomt. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers hierin niet zijn geslaagd. Uit de omstandigheid dat vreemdelingen in de Duitse asielprocedure eerst in beroep recht hebben op kosteloze bijstand en eerst nadat de kansrijkheid van het beroep is beoordeeld, heeft verweerder terecht niet de conclusie getrokken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure. De vraag of een zaak kans van slagen heeft en daarmee voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking komt, wordt beoordeeld door een onafhankelijke rechter, hetgeen in overeenstemming is met artikel 20 van de Procedurerichtlijn. Het derde lid van dit artikel biedt lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Van het ontbreken van een effectief rechtsmiddel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen grond hoeven zien om de aanvragen van eisers onverplicht in behandeling te nemen.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.