Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
NL17.10150 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, 1(F), Afghanistan, CIA-werkzaamheden, faciliteren, aannemelijkheid, personal participation, motiveringsgebrek.

Vreemdelingenwet 28, 30b. Vluchtelingenverdrag 1(F).

Verweerder heeft eiser 1(F) tegengeworpen omdat naar zijn mening eiser voor de CIA in Afghanistan werkzaamheden heeft uitgevoerd en daarmee door de CIA in Afghanistan gepleegde foltering en/of marteling van arrestanten en verdachten heeft gefaciliteerd.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de CIA naast de onder 6.3. bedoelde werkzaamheden handelingen heeft verricht die zijn aan te merken als misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Verweerder is er echter niet in geslaagd om aan te tonen dat de werkzaamheden die eiser in Afghanistan in de periode van 2002 tot en met 2014 heeft verricht in verband zijn te brengen met de CIA. Uit de verklaringen van eiser blijkt enkel dat hij heeft gegist naar de organisatie waarvoor zijn opdrachtgevers werkzaam waren. Eisers verklaringen kunnen dan ook niet dienen als bewijs ter onderbouwing van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht die in verband met de CIA moeten worden gebracht. Anders dan verweerder a contrario lijkt te betogen, kan de omstandigheid dat niet geloofwaardig is dat eiser niet heeft geweten voor welke Amerikaanse (overheids)organisatie hij heeft gewerkt, niet dienen als bewijs van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA. Uit informatie van Human Rights Watch, waarnaar eiser heeft verwezen, blijkt dat in Afghanistan in de periode van 2002 tot en met 2014 naast de CIA ook andere Amerikaanse overheidsorganisaties actief waren die werkzaamheden met een bepaald doel hebben verricht die vergelijkbaar zijn met de door eiser verrichte werkzaamheden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10150


uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Jankie),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Ticheler).


Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag).

Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd met een duur van tien jaar en met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij schrijven van 12 oktober 2017 en 8 december 2017 de gronden aangevoerd.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiser is geboren op [1984] en heeft de Afghaanse nationaliteit.

2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) respectievelijk 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638) overwogen dat een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw (zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd, zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een zodanige vergunning.
Verder heeft de ABRvS overwogen dat in het kader van de toetsing van een zwaar inreisverbod ten volle aan de orde kan worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning. Indien een vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven. Nu een verblijfsvergunning niet kan worden verleend zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, vindt de rechterlijke toetsing of een vreemdeling aan die vereisten voldoet slechts plaats in het kader van een beroep tegen een zwaar inreisverbod.

Belang bij toetsing in rechte van een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, is bij samenloop daarvan met een besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw dan ook eerst aan de orde, indien het besluit tot het uitvaardigen van dat inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel dat inreisverbod wordt opgeheven.

3. Gelet op de hiervoor onder 2. vermelde uitspraken van de ABRvS beoordeelt de rechtbank hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, alsof dit deel uitmaakt van de beroepsgronden gericht tegen het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod.

Het beroep voor zover gericht tegen de vastgestelde vertrektermijn en het uitgevaardigd inreisverbod

Hetgeen tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is aangevoerd

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanwege zijn geloofwaardig bevonden atheïsme aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan, onder de huidige omstandigheden, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) en dat hij daarom in verband moet worden gebracht met door de CIA in Afghanistan gepleegde foltering en/of marteling van arrestanten en verdachten. Gelet hierop zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag. Met zijn werkzaamheden heeft eiser immers misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd. Om die reden heeft verweerder de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

5. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is, nu verweerder niet heeft aangetoond dat hij werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA. Daarom kan verweerder hem niet in verband brengen met de door de CIA in Afghanistan gepleegde misdrijven en heeft verweerder hem ten onrechte tegengeworpen dat hij misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd.

6. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

6.1.

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling één van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. Zie onder meer een uitspraak van de ABRvS van 1 september 2017 (ECLI:NL: RVS:2017:2377).

6.2.

De rechtbank overweegt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op een persoon als onder meer sprake is van persoonlijke deelname (personal participation) aan de in voormeld artikel bedoelde misdrijven.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in Afghanistan in de periode van 2002 tot en met 2014 werkzaamheden met een bepaald doel heeft verricht voor in Afghanistan aanwezige Amerikanen.

Voorts is niet in geschil dat de CIA in voormelde periode in Afghanistan werkzaamheden met een bepaald doel heeft verricht dan wel heeft laten verrichten.
Verder is niet in geschil dat de door eiser verrichte werkzaamheden vergelijkbaar zijn met vorenbedoelde werkzaamheden die de CIA heeft verricht dan wel heeft laten verrichten.

6.4.

Tussen partijen staat vast dat de CIA naast de onder 6.3. bedoelde werkzaamheden handelingen heeft verricht die zijn aan te merken als misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag.

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de werkzaamheden die eiser in Afghanistan in de periode van 2002 tot en met 2014 heeft verricht in verband zijn te brengen met de CIA. Verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA ontbeert immers iedere onderbouwing.
De passages in openbare rapporten en berichten van gezaghebbende onafhankelijke en objectieve bronnen waarnaar verweerder heeft verwezen bieden geen aanknopingspunt voor de juistheid van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA.

Bovendien blijkt uit informatie van Human Rights Watch1, waarnaar eiser op de derde pagina van zowel de zienswijze als het aanvullend beroepschrift van 12 oktober 2017 heeft verwezen, dat in Afghanistan in de periode van 2002 tot en met 2014 naast de CIA ook andere Amerikaanse overheidsorganisaties actief waren die werkzaamheden met een bepaald doel hebben verricht die vergelijkbaar zijn met de door eiser verrichte werkzaamheden.
Anders dan verweerder heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij heeft verklaard dat hij werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA. In het rapport aanvullend gehoor van 1 april 2015 staat weliswaar het volgende:


Echter, deze verklaringen van eiser leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaringen blijkt enkel dat eiser heeft gegist naar de organisatie waarvoor zijn opdrachtgevers werkzaam waren. Eisers verklaringen kunnen dan ook niet dienen als bewijs ter onderbouwing van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht die in verband met de CIA moeten worden gebracht. Anders dan verweerder a contrario lijkt te betogen, kan de omstandigheid dat niet geloofwaardig is dat eiser niet heeft geweten voor welke Amerikaanse (overheids)organisatie hij heeft gewerkt, niet dienen als bewijs van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA. Datzelfde geldt voor het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt, inhoudende dat het niet anders kan zijn dan dat de opdrachtgevers van eiser werkzaam waren voor de CIA.

7. De rechtbank is van oordeel dat reeds vanwege het feit dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van personal participation aan door de CIA gepleegde misdrijven, verweerder niet heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag. Daarom laat de rechtbank onbesproken hetgeen partijen over de “knowing participation” hebben aangevoerd.

8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

Hetgeen tegen de vastgestelde vertrektermijn en het uitgevaardigd inreisverbod is aangevoerd

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder zowel aan het onthouden van een vertrektermijn als aan het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod ten grondslag heeft gelegd, dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

10. Nu verweerder, gelet op hetgeen onder 6. tot en met 7. staat, niet heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft verweerder evenmin aangetoond dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. Om die reden heeft verweerder het besluit om te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod niet deugdelijk gemotiveerd.

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vastgestelde vertrektermijn en het uitgevaardigde inreisverbod, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

12. Nu het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod voor vernietiging in aanmerking komt, heeft eiser belang bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

13. Hetgeen onder 6. tot en met 8. staat dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

14. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

15. Gezien het voorgaande komt dus het bestreden besluit als geheel voor vernietiging in aanmerking.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder van mening is dat de bewijsmiddelen die hij aan de bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd die besluitvorming wel kunnen dragen. Het toepassen van een bestuurlijke lus zou daarom geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden. Gelet op het voorgaande zal verweerder daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzitter, en mr. G.P. Loman en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week2 na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 https://www.hrw.org/report/2004/03/07/enduring-freedom/abuses-us-forces-afghanistan

2 Zie artikel 69, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw.