Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2076

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
NL18.1645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning asiel, transgender Cuba

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1645


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) afgewezen. Daarbij heeft verweerder eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Cubaanse nationaliteit.

2. Bij besluit van 6 november 2017 heeft verweerder een eerdere asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw. Op 7 december 2017 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 januari 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is dit besluit onherroepelijk geworden.

3. In de eerste asielprocedure zijn de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, evenals de verklaringen over zijn seksuele geaardheid en genderidentiteit en de problemen met de samenleving vanwege zijn travestie. Eisers verklaringen over de veroordeling vanwege het verstoren van de openbare orde zijn niet geloofwaardig geacht.

4. Eiser heeft aan de opvolgende aanvraag, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat hij bij zijn vorige asielaanvraag niet heeft verteld dat hij een dissident, een tegenstander van de Cubaanse regering, is. Hij heeft deelgenomen aan manifestaties tegen de regering en een interview voor een boek gegeven over zijn problemen met de politie. De politie volgt hem. Hij zal op grond van de Wet op gevaar worden opgepakt, omdat hij niet heeft gewerkt. Hij wil in een vrij land leven, daarom is hij naar Nederland gekomen, aldus eiser.

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de door eiser gegeven verklaringen niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken elementen of bevindingen, welke aanleiding geven tot afwijking van het in de eerste asielprocedure gegeven oordeel.

6. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

7. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet als dissident kan worden beschouwd. LHBT-activisten die kritiek hebben op de staat worden vaak het slachtoffer van onderdrukking en kunnen geen ondersteuning verwachten van Cenesex. Voorts betoogt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij met de verwijzing naar het Oostenrijkse mensenrechtenrapport “Cuba: Travel Regulations and Civil and Political Human Rights” van augustus 2017 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een dermate onhoudbare situatie dat gesproken dient te worden van vluchtelingschap. Ook heeft verweerder ten onrechte een inreisverbod van twee jaar opgelegd, aldus eiser.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1

Het is vaste jurisprudentie dat het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ geen andere betekenis heeft dan het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’. Dit betekent dat de rechtbank voor de uitleg van het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ aansluiting zoekt bij de bestaande jurisprudentie over het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’.

Onder nieuwe elementen of bevindingen moeten daarom worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of veranderde omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

8.2

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser de gestelde nieuwe elementen en bevindingen niet in de eerste asielprocedure naar voren had kunnen brengen. De stelling van eiser dat hij deze elementen niet eerder naar voren heeft gebracht, omdat hij in de veronderstelling was dat zijn LHBT-relaas voldoende zou zijn voor een asielvergunning, maakt dat niet anders. De rechtbank acht hierbij van belang dat het betoog van eiser met betrekking tot Cenesex en het Oostenrijks mensenrechtenrapport verband houden met de in de eerste asielprocedure voorliggende problemen in verband met zijn seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Niet valt daarom in te zien waarom eiser hier niet over zou hebben kunnen verklaren tijdens zijn eerste asielprocedure. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat tijdens de eerste procedure duidelijk is gemaakt dat het van belang is dat eiser de waarheid spreekt en geen gegevens betreffende zijn asielaanvraag achterwege laat. Ten aanzien van de vraag of eiser als dissident kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onlogische en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over wat de aanleiding vormde voor zijn problemen in Cuba. Zo heeft eiser verklaard dat hij niet van de reden op de hoogte is waarom hij problemen heeft ondervonden in Cuba en altijd aan de politie heeft weten te ontkomen, terwijl eiser stelt al jaren een politieke tegenstander van de regering te zijn en dat de politie daarvan op de hoogte is.

8.3

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

8.4

Nu verweerder ook inhoudelijk niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser als dissident dient te worden aangemerkt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser een evident risico loopt om bij terugkeer naar Cuba in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) te worden behandeld. De omstandigheid dat eiser transgender is, is daarvoor onvoldoende. Het ter zitting gedane beroep op artikel 83.0a van de Vw en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int; hierna: het arrest Bahaddar) slaagt derhalve niet.

8.5

Aan eiser is op 6 november 2017 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Deze termijn is reeds verlopen. In haar uitspraak van 8 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:959) heeft de Afdeling, op grond van de antwoorden op de door haar gestelde prejudiciële vragen, overwogen dat een eerder uitgevaardigd terugkeerbesluit op het moment van het indienen van een asielverzoek niet van rechtswege vervalt. Verweerder heeft derhalve geen nieuwe vertrektermijn hoeven geven. Nu eiser derhalve onmiddellijk Nederland dient te verlaten, heeft verweerder terecht op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw aan eiser een inreisverbod opgelegd.

9. Het beroep is ongegrond.

10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.