Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag subsidieverlening voor een haalbaarheidsstudie op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en het Besluit van 26 februari 2016 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Demonstatieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies).

Wetsverwijzingen
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 7.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/84 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/4029

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2018 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Struijk Sloop en Grondwerken B.V., te Krimpen aan de Lek, gemeente Krimpenerwaard , eiseres

(gemachtigde: M. Cleeren MBA),

en

de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk en J.R.H. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres voor de haalbaarheidsstudie ‘Asbestos Removel in Georgia’ afgewezen.

Bij besluit van 6 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018.

Namens eiseres zijn verschenen [persoon 1] , [functie] , M. Cleeren MBA en [persoon 2] , beiden werkzaam bij Sira Subsidies B.V., en [persoon 3] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 19 september 2016 een aanvraag ingediend voor subsidiëring van het project ‘Asbestos Removal in Georgia’ op grond van artikel 7.2. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en het Besluit van 26 februari 2016 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Demonstatieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies)1, hierna te noemen: de Beleidsregels. De subsidie is aangevraagd voor het doen van een haalbaarheidsstudie. Het aangevraagde subsidiebedrag is € 100.000,-. De totale projectkosten zijn in de aanvraag begroot op € 200.000,-.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De reden daarvan is dat de aanvraag niet voldoet aan de begripsbepaling van ‘haalbaarheidsstudie’ zoals omschreven in paragraaf 2 van de Beleidsregels. De aanvraag beschrijft een onderzoek dat ten behoeve van eiseres zelf wordt uitgevoerd en betreft voornamelijk marktonderzoek en partnersearch. Er is geen sprake van een door een potentiële afnemer te nemen investeringsbesluit noch is sprake van een concreet project waarin wordt geïnvesteerd. De studie resulteert niet in een businessplan of projectplan. Voorts kan export pas op de lange termijn worden verkregen. In Georgië ontbreekt op dit moment regelgeving over asbestsanering. De verwachte aantallen trainees zijn niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Daarmee voldoet de aanvraag niet aan de drempelcriteria om voor subsidie in aanmerking te komen. De aanvraag is om die reden niet op de overige beoordelingscriteria beoordeeld door middel van een puntenscore.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de in het primaire besluit genoemde afwijzingsgronden gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat hij twijfelt over de bevoegdheid van eiseres om trainingen te geven waarmee certificering voor asbestverwijdering kan worden verkregen, nu regelgeving over asbestverwijdering in Georgië ontbreekt. Gelet op het ontbreken van deze regelgeving is het niet zonder meer aannemelijk dat conform Europese regelgeving mag worden gewerkt, nu deze normen geen rechtskracht hebben in Georgië. Ook is het in Nederland geldende toezichtsysteem zonder regelgeving niet zonder meer op eiseres van toepassing bij de uitvoering van projecten in Georgië, zodat niet is uitgesloten dat risico’s zullen ontstaan voor de volksgezondheid.

4. Eiseres stelt dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag ten onrechte ervan is uitgegaan dat de aanvraag een investeringsvoorbereidingsstudie betreft. Eiseres voert onder verwijzing naar de aanvraag en de daarbij overgelegde stukken aan dat aan alle elementen van het begrip ‘haalbaarheidsstudie’ als beschreven in de Beleidsregels is voldaan. Ten aanzien van de door verweerder gesignaleerde ontbrekende elementen heeft eiseres in het beroepschrift verwezen naar de passage in de aanvraag waar dat element is beschreven.

Verder stelt eiseres dat verweerder bij het bestreden besluit, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, de gronden van de afwijzing heeft aangevuld. Ter zitting heeft eiseres nog toegelicht dat zij, zolang de wet- en regelgeving in Georgië op dit vlak ontbreekt, conform de Europese regels te werk zal gaan en asbest kan gaan verwijderen op projectbasis.

5.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse zaken 2006 kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van:

a. activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van een duurzame vergroting van werkgelegenheid en economische groei in ontwikkelingslanden door versterking van het bedrijfsleven in die landen,

b. transacties in het economisch verkeer met een vernieuwend of stimulerend effect op de verbetering van het milieu in ontwikkelingslanden, en

c. activiteiten die strekken of dienstig zijn aan de bevordering van de internationale economische betrekkingen en de buitenlandse handel.

Volgens paragraaf 2 van de Beleidsregels, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit, is een haalbaarheidsonderzoek:

“…een onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een door een buitenlandse potentiële afnemer te nemen investeringsbesluit en waarmee wordt bepaald of het technisch en/of commercieel haalbaar is een concreet project in het doelland uit te voeren, waarmee Nederlandse export van kapitaalgoederen of diensten met een omvang van ten minste tienmaal het subsidiebedrag gerealiseerd kunnen worden. De haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd door de Nederlandse onderneming om de buitenlandse potentiële afnemer te overtuigen van het doen van de investering. Het is toegestaan om in één studie twee projecten voor twee potentiële afnemers te ontwikkelen. De studie resulteert in een rapport in de vorm van een businessplan of een projectplan, op basis waarvan de buitenlandse potentiële afnemer een investeringsbesluit kan nemen, en waarmee de kans op het verkrijgen van exportorders door de betrokken Nederlandse ondernemingen wordt vergroot. Vóór aanvang van de studie bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de markt, de beoogde opzet van het investeringsproject, de locatie, de exploitatie, de financiering en de lokale impact. De studie heeft als doel om de details rond de voorgenomen investering helder te krijgen. In de studie wordt het beoogde project ontworpen op hoofdlijnen (basic design). De maximale termijn waarbinnen een haalbaarheidsstudie dient te worden uitgevoerd is 2 jaar.”

Volgens paragraaf 8 van de Beleidsregels, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als niet voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregels.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet een nieuwe afwijzingsgrond heeft toegevoegd, maar de afwijzingsgronden nader heeft gemotiveerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verweerder is toegestaan bij het besluit op bezwaar de motivering van de afwijzing aan te vullen. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder immers op grondslag van de bezwaren het primaire besluit te heroverwegen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zou eerst sprake kunnen zijn indien eiseres door het maken van bezwaar in een slechtere positie zou zijn gekomen. Dat is niet het geval, nu de aanvraag bij het primaire besluit is afgewezen en dit bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

5.4.

Uit de motivering van het bestreden besluit- evenals uit de motivering van het primaire besluit - blijkt duidelijk dat verweerder de aanvraag heeft opgevat als een aanvraag om subsidie voor een haalbaarheidsstudie en niet voor een investeringsvoorbereidingsstudie. Dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar de regelgeving in een bijlage bij het besluit waarin – wederom ten onrechte – de definitie van een investeringsvoorbereidingsstudie is vermeld, berust op een kennelijke omissie. Eiseres is hierdoor niet in haar belangen geschaad, te meer nu in het bestreden besluit zelf het juiste juridische kader is aangegeven.

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in de aanvraag beschreven project onvoldoende concreet is om te kunnen worden aangemerkt als een haalbaarheidsonderzoek in de zin van de Beleidsregels. Dat eiseres – naar zij stelt – in haar aanvraag alle elementen van de definitie van een haalbaarheidsonderzoek heeft benoemd, betekent niet dat daarmee al deze elementen en het project als geheel door verweerder als voldoende concreet dienden te worden aangemerkt. Verweerder stelt terecht dat niet is gebleken dat een buitenlandse potentiële afnemer – volgens de aanvraag de Georgische overheid – door middel van studie overtuigd dient te worden een investeringsbesluit te nemen ten behoeve van eiseres. Evenmin is duidelijk in welk concreet project de Georgische overheid zou willen investeren, het opzetten van een opleidingsinstituut of een of meer daadwerkelijke asbestsaneringsprojecten. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inzet van eiseres weliswaar goede mogelijkheden geeft voor toekomstige opdrachten, maar dat dit niet afhankelijk is van de haalbaarheid van de investering in de diensten van eiseres. Er is in Georgië nog geen regelgeving op het gebied van asbestsanering. Zolang deze er niet is, is onduidelijk in welke regelgeving het door eiseres op te zetten instituut zou moeten opleiden en waarop de bevoegdheid om certificaten te verstrekken kan worden gebaseerd.

Verder mocht verweerder de afwijzing baseren op de omstandigheid dat eiseres met de haalbaarheidsstudie zaken wenst te onderzoeken die al voor het haalbaarheidsonderzoek bekend zouden moeten zijn volgens de Beleidsregels, zoals de inventarisatie van het asbestprobleem en van de lokale ondernemers en concrete asbestsaneringsprojecten waarin de Georgische overheid bereid is te investeren.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan de drempelcriteria om voor een subsidie voor een haalbaarheidsstudie in aanmerking te komen, nu het zicht op een concreet investeringsbesluit ten bate van de onderneming van eiseres ontbreekt.

5.6.

Het beroep is ongegrond.

5.7.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzitter, en mr. G. van Zeben-de Vries en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Staatscourant 4 maart 2016 nr. 11200