Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/09/541153 / FA RK 17-7825
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie van een meerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0067
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2018/5107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-7825

Zaaknummer: C/09/541153

Datum beschikking: 14 februari 2018

Adoptie van een meerderjarige

Beschikking op het op 12 oktober 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

en

[verzoekster]

beide verzoekers wonende op Bali (Indonesië),

hierna kortweg ook te noemen: zoon [verzoeker] en stiefmoeder [verzoekster] ,

advocaten: mr. M. Brinks en mr. L. Bakers te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het op 12 oktober 2017 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- het F9-formulier van 22 december 2017 (door de rechtbank ontvangen op

27 december 2017), met bijlage, van verzoekers.

Op 3 januari 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide verzoekers met hun advocaten. Ter zitting heeft de advocaat mr. Bakers pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

Verzoek

Zoon [verzoeker] en zijn stiefmoeder [verzoekster] hebben gezamenlijk aan de rechtbank verzocht de adoptie van zoon [verzoeker] door stiefmoeder [verzoekster] uit te spreken “en te vermelden in de registers van de burgerlijke stand”.

Bij het verzoekschrift is een ondertekende instemmingsverklaring van [naam] , de moeder van [verzoeker] , met een kopie van haar paspoort overgelegd. Uit de bijlage bij het F-9 formulier van 22 december 2017 blijkt dat en waarom ook [naam] , de vader van [verzoeker] , instemt met het verzoek tot stiefmoederadoptie.

Feiten

De moeder [naam] en de vader [naam] hebben een affectieve relatie gehad, die in 1999 definitief is verbroken. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] de oudste zoon [verzoeker] geboren. Uit deze relatie zijn daarna nog twee kinderen geboren: zoon [naam] op [geboortedatum] en dochter [naam] op [geboortedatum] . Zoon [verzoeker] en dochter [naam] zijn na het uiteengaan van hun ouders bij hun vader blijven wonen op Curaçao. De moeder is in 1999 met haar vriend naar Nederland vertrokken; op enig moment is zoon [naam] bij zijn moeder in Nederland gaan wonen.

De stiefmoeder [verzoekster] heeft sinds 2000 een affectieve relatie met de vader [naam] . Zij zijn op [datum] te Curaçao met elkaar gehuwd en uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: dochter [naam] op [geboortedatum] en dochter [naam] op [geboortedatum] . Samen met zoon [verzoeker] en dochter [naam] vormen zij sindsdien een hecht gezin van zes personen met als thuisbasis eerst Curaçao en nu Bali.

Zoon [verzoeker] en dochter [naam] hadden van 1999 tot 2005 nog slechts sporadisch contact met hun moeder [naam] en vanaf 2005 helemaal niet meer. Bij beschikking van 21 mei 2014 heeft het gerecht van eerste aanleg van Curaçao de adoptie van dochter [naam] (toen 17 jaar) door haar stiefmoeder [naam] uitgesproken.

Beoordeling

Alle belanghebbenden hebben de Nederlandse nationaliteit. Beide verzoekers en de vader wonen nu op Bali in Indonesië. De moeder woont in Nederland. De rechtbank acht, reeds gelet op het vorenstaande, ruim voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek tot stiefmoederadoptie van zoon [verzoeker] kennis te nemen. Toepasselijk is het Nederlandse adoptierecht.

De rechtbank stelt voorop dat zoon [verzoeker] bij de indiening van het adoptieverzoek 26 jaar oud was. Dit betekent dat niet voldaan is aan de in artikel 1:228, lid 1 onder a BW gestelde voorwaarde dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is. Die bepaling is van dwingend recht, zodat op grond van het toe te passen Nederlandse recht (stiefmoeder)adoptie in dit geval in beginsel is uitgesloten. Zie daartoe bijvoorbeeld ook Hoge Raad 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5053 en ECLI:NL:PHR:2013:BY5053.

Uit de gepubliceerde lagere rechtspraak volgt echter dat er soms feitelijk sprake kan zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden, die terzijdestelling van deze dwingendrechtelijke wetsbepaling van artikel 1:228 lid 1 onder a BW kunnen rechtvaardigen. Het gaat dan om (zeer) uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van een adoptie wegens de enkele meerderjarigheid bij de indiening van het adoptieverzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen. De drie gepubliceerde zaken waarin die laatste conclusie in de Nederlandse rechtspraak is getrokken en waarin dus de adoptie van een bij aanvang van de procedure meerderjarig kind onder (zeer) bijzondere omstandigheden is uitgesproken zijn gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2746, gerechtshof Amsterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1162 en rechtbank Noord-Nederland 22 november 2017, RBNNE:2017:4670.

Naar het oordeel van de rechtbank is er alles afwegende ook in deze zaak van zoon [verzoeker] en zijn stiefmoeder Melanie [verzoekster] sprake van (zeer) bijzondere omstandigheden, die een terzijdestelling van het minderjarigheidsvereiste van wetsartikel 1:228 lid 1 onder a op grond van artikel 8 EVRM rechtvaardigen. Daartoe overweegt de rechtbank nader het volgende.

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is ten eerste gebleken dat de nu bijna 27-jarige zoon [verzoeker] vanaf 9-jarige leeftijd tot op de dag van vandaag samen met zijn vader [naam] (feitelijk soms afwezig wegens zijn werk bij de Koninklijke Marine), zijn stiefmoeder [verzoekster] , zijn zusje [naam] en daarna ook zijn zusjes [naam] en [naam] in een zeer hecht gezinsverband heeft geleefd, eerst op Curaçao en daarna op Bali. Ook staat vast dat de onderlinge band tussen zoon [verzoeker] en stiefmoeder [verzoekster] buitengewoon goed is en dat zij zich in alle opzichten nu al zo’n 18 jaar feitelijk en sociaal hebben gedragen en nog steeds gedragen als volwaardig zoon en moeder met de bijbehorende familie- en gezinsrollen. Ook de band van zoon [verzoeker] met de overige naaste familieleden van zijn stiefmoeder [verzoekster] , zoals zijn opa en oma [naam verzoekster] in Nederland, is hecht. [verzoeker] heeft enkele jaren net als zijn vader bij de Koninklijke Marine gewerkt en verbleef toen feitelijk meestal bij zijn opa en oma [naam verzoekster] aan stiefmoederszijde in Nederland. Kerstmis wordt gezamenlijk gevierd bij de familie [naam verzoekster] in Nederland. Een buitengewoon hechte band als feitelijk zoon en moeder gedurende 18 jaar in een Nederlands zeer hecht gezin van zes personen op eerst Curaçao en daarna op Bali, met ook een hechte band met de naaste familie van de stiefmoeder in Nederland, is dus de eerste bijzondere omstandigheid van dit geval.

[verzoeker] en [verzoekster] hebben als bijzondere omstandigheid ten tweede gesteld dat de biologische moeder [naam] haar zoon [verzoeker] op kwetsbare 8-jarige leeftijd op Curaçao in de steek heeft gelaten door haar vertrek met haar vriend naar Nederland. Aan de sporadische bezoeken die [verzoeker] daarna van 1999 tot 2005 bij zijn moeder in Nederland heeft afgelegd heeft [verzoeker] nare herinneringen overgehouden. Zo heeft zijn moeder hem op 10-jarige leeftijd in zijn ogen opnieuw ernstig in de steek gelaten door hem en zijn zusje [naam] veel eerder dan was afgesproken te laten ophalen door de ouders (opa en oma [naam verzoekster] ) van zijn stiefmoeder [verzoekster] , omdat de moeder [naam] de zorg voor [verzoeker] en [naam] al snel zelf niet kon dragen. Tijdens dat bezoek is [verzoeker] ook opnieuw geconfronteerd met drankgebruik en drugsgebruik door de biologische moeder, net als voorheen op Curaçao. Deze zaken hebben het onveilige gevoel dat [verzoeker] toch al bij zijn biologische moeder had nog verder versterkt. Tussen [verzoeker] en zijn biologische moeder bestaat sinds 2005 aldus geen enkele band meer, met uitzondering van de juridische en biologische afstammingsband.

Ten derde is dochter [naam] uiteindelijk in mei [jaar] op 17-jarige leeftijd anders dan [verzoeker] wel door stiefmoeder [verzoekster] geadopteerd. Een eerdere stiefmoederadoptie van [naam] en [verzoeker] toen ook [verzoeker] nog minderjarig was is wel door de vader [naam] en de stiefmoeder [verzoekster] overwogen, maar destijds niet doorgezet omdat men daarover toen te veel praktische en juridische problemen verwachtte met de moeder [naam] , met alle voor [verzoeker] en [naam] mogelijk negatieve gevolgen van dien. De stiefmoederadoptie van zijn zusje [naam] in mei [jaar] heeft echter de sterke wens bij [verzoeker] zelf aangewakkerd om ook door zijn stiefmoeder [verzoekster] geadopteerd te worden. Op dat moment was [verzoeker] echter al 23 jaar en heeft hij van een advocaat vernomen dat om die reden adoptie wettelijk niet (meer) mogelijk was. [verzoeker] heeft er echter nu als 26-jarige in toenemende mate emotioneel last van dat hij juridisch aldus als enige in het gezin en in de naaste familie een andere positie heeft dan de overige vijf gezinsleden.

Ten vierde heeft [verzoeker] eind 2016 ontslag genomen bij de Koninklijke Marine en zit hij nu in een tussenjaar, waarin hij veel reizen maakt met als thuisbasis zijn gezin op Bali en zich bezint op zijn verleden, op zijn heden en vooral op zijn toekomst. In de media heeft [verzoeker] gelezen over de hiervoor vermelde spraakmakende beslissing van het gerechtshof Amsterdam uit 2016 waarin adoptie van een meerderjarig kind bij uitzondering toch werd toegestaan, en ook dat heeft hem verder “getriggerd”. Zoon [verzoeker] en stiefmoeder [verzoekster] verwachten dat de psychische druk die een eventuele afwijzing van het adoptieverzoek nu op [verzoeker] zou leggen, zodanig groot zou zijn dat [verzoeker] professionele hulp nodig zal hebben om in dat negatieve geval alsnog tot een behoorlijke verdere evenwichtige identiteitsvorming en volwassenheid te kunnen komen.

Ten vijfde hebben zoon [verzoeker] en stiefmoeder in dit verband nog gesteld dat zij (samengevat) het onbegrijpelijk, onrechtvaardig en buitengewoon pijnlijk zouden vinden indien onder alle bovenstaande bijzondere omstandigheden niet de stiefmoeder [verzoekster] maar wel de moeder [naam] een juridische rol en stem zou hebben bij eventuele toekomstige hoogtepunten en dieptepunten in het verdere leven van [verzoeker] , zoals het sluiten van een huwelijk en/of de geboorte van kinderen van [verzoeker] en/of onverhoopt een ernstige ziekte, ongeval of overlijden van [verzoeker] . Ook onrechtvaardig en buitengewoon pijnlijk zou het naar hun mening zijn indien [verzoeker] als enige van het hechte gezin en de naaste familie juridisch buitenspel zou moeten blijven staan bij een onverhoopte ziekte, ongeval of overlijden van de stiefmoeder [verzoekster] .

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat, hoewel stiefmoederadoptie gelet op de leeftijd van zoon [verzoeker] niet meer het (primaire) karakter heeft van kinderbescherming, zoon [verzoeker] en stiefmoeder [verzoekster] er gelet op alle hiervoor door verzoekers gestelde en door de rechtbank samengevatte (zeer) bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval er een zwaarwegend belang bij hebben dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de sinds zo’n 18 jaar bestaande feitelijke gezins- en familiesituatie.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een afwijzing van het verzoek tot adoptie van zoon [verzoeker] door stiefmoeder [verzoekster] wegens de enkele meerderjarigheid van zoon [verzoeker] bij het indienen van het adoptieverzoek jegens deze twee verzoekers een ongeoorloofde inbreuk op hun recht op familie- en gezinsleven zou opleveren zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er in dit specifieke geval sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van artikel 1:228 lid 1 sub a BW rechtvaardigen, voor zover die Nederlandse wetsbepaling vereist dat het te adopteren kind bij de indiening van het verzoek tot adoptie nog minderjarig is.

Vaststaat dat in dit geval wel aan alle overige vereisten voor stiefmoederadoptie naar Nederlands recht is voldaan. Ook de biologische moeder [naam] de vader [naam] hebben schriftelijk ingestemd met dit adoptieverzoek. Alle rechtstreeks betrokkenen zijn het daarover dus eens. De rechtbank zal dit adoptieverzoek daarom toewijzen op de wijze zoals hierna bij de beslissingen volgt.

De verzoekers hebben zich niet uitgelaten over een eventuele wijziging van de geslachtsnaam van [verzoeker] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [verzoeker] na de adoptie zijn eigen geslachtsnaam [naam vader] zal willen behouden.

Ook het nevenverzoek aan de rechtbank om deze beslissing tot stiefmoederadoptie “te vermelden in de registers van de burgerlijke stand” zal de rechtbank naar de strekking daarvan toewijzen. Dit echter op de wijze zoals hierna bij de beslissingen volgt en onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Beslissingen

De rechtbank:

spreekt uit de adoptie van de zoon [verzoeker] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , door zijn stiefmoeder [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats] een latere vermelding van deze rechterlijke beslissing tot stiefmoederadoptie aan de aldaar ingeschreven geboorteakte van de zoon [verzoeker] toe te voegen;

gelast de griffier van de rechtbank Den Haag daartoe op de voet van het bepaalde in wetsartikel 1:20e BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de familierechter mr. H. Wien, bijgestaan door mr. K. Veelenturf-Beukhof als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2018.