Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
AWB 17/11839
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag man uit Bahrein; demonstratie; persoonlijke vrees; beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11839


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft op 9 juni 2017 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Naar aanleiding van een door eiser in beroep overgelegd document, heeft Bureau Documenten op verzoek van verweerder op 4 juli 2017 een verklaring van onderzoek uitgebracht over dit document.

Bij brief van 3 november 2017 heeft eiser de rechtbank een contra-expertise van gelijke datum toegezonden.

Bij brief van 30 november 2017 heeft verweerder de rechtbank een weerwoord van Bureau Documenten van 28 november 2017 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig B. Arabi, tolk Arabisch.

Overwegingen

1. Eiser is sjiiet en van Bahreinse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 28 maart 2017 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanaf 2011 regelmatig heeft deelgenomen aan demonstraties tegen de overheid van Bahrein. Eiser heeft op 20 februari 2017 deelgenomen aan een demonstratie naar aanleiding van de dood van een activist [naam 1] . Eiser is tijdens deze demonstratie aangehouden en bedreigd door een agent in burger en werd door een andere agent gefilmd. Eiser heeft kunnen ontkomen aan de agenten en heeft op 21 februari 2017 Bahrein verlaten. Eiser heeft tot 7 maart 2017 in Azerbeidzjan verbleven en is vervolgens met een Schengenvisum naar Nederland gereisd. Na zijn vertrek hebben er op 26 februari 2017 en 23 maart 2017 invallen in zijn woning plaatsgevonden en is eiser tweemaal opgeroepen om zich te melden bij de strafrechtelijke recherchedienst. Ter onderbouwing van zijn relaas heeft hij tijdens zijn nader gehoor op 30 mei 2017 kopieën van deze twee oproepen overgelegd. Eiser vreest dat hij bij terugkeer onder marteling een bekentenis moet afleggen voor een onterechte beschuldiging en dat hij veroordeeld zal worden tot een lange gevangenisstraf.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers nationaliteit, identiteit en herkomst worden gevolgd. Ook de door eiser gestelde gebeurtenissen in Bahrein worden geloofwaardig geacht, maar eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. De daaraan door hem ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Met de door eiser bij zienswijze ingebrachte informatie over de algemene mensenrechtensituatie in Bahrein heeft hij zijn persoonlijke vrees niet aannemelijk gemaakt. Voorts blijkt uit de inhoud van de door eiser overgelegde oproepen niet van een causaal verband met de demonstratie op 20 februari 2017, nu de reden waarom hij zich moet melden er niet in wordt vermeld. De tijdlijn van de gebeurtenissen is onvoldoende om een causaal verband aan te nemen. Daarnaast heeft eiser zonder problemen op legale wijze zijn land verlaten. Verweerder heeft voorts overwogen dat het feit dat eiser pas op 27 maart 2017 een asielaanvraag heeft ingediend, ernstig afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn gestelde vrees niet aannemelijk heeft geacht. Zijn verklaringen zijn immers geloofwaardig geacht en deze zijn bovendien in overeenstemming met de door hem ingebrachte algemene informatie uit openbare bronnen over demonstraties georganiseerd door met name sjiitische burgers in Bahrein en het optreden van de autoriteiten hiertegen. Deze algemene informatie is wel degelijk relevant voor de aannemelijkheid van zijn gestelde persoonlijke vrees en is ten onrechte niet mede in de beoordeling betrokken. Dat eiser één dag na de demonstratie legaal is uitgereisd en het feit dat de reden van de oproepen niet in de oproepen zelf staan vermeld, is onvoldoende om te concluderen dat zijn persoonlijke vrees niet aannemelijk is. Eiser heeft voorts in beroep gesteld dat de politie inmiddels op 5 juni 2017 een nieuwe inval bij zijn ouderlijk huis heeft gedaan, waarbij een oproep om zich direct te melden aan zijn moeder is overhandigd. Eiser heeft deze originele oproep van 5 juni 2017 in beroep ingebracht.

Bij brief van 22 juni 2017 heeft eiser ter onderbouwing van de demonstratie op 20 februari 2017 en de schermutselingen tussen demonstranten en regeringstroepen een drietal internetartikelen overgelegd.

Bij brief van 27 juni 2017 heeft eiser een brief van het landelijk bureau van Vluchtelingenwerk van 26 juni 2017 met bijlagen overgelegd met recente informatie over de positie van opposanten in Bahrein. Tevens heeft eiser e-mailberichten van een aantal experts1 ingebracht die zien op mensenrechtenschendingen tegen demonstranten door de Bahreinse overheid en een inschatting van het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Bahrein.

5. Naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde originele oproep van de politie van 5 juni 2017 heeft verweerder dit document voor onderzoek naar Bureau Documenten toegezonden. In de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 4 juli 2017 wordt geconcludeerd dat het document gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal mogelijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie.

6. Op 3 november 2017 heeft eiser een rapport van contra-expertise ingebracht van dr. Rebwar Fatah van de Middle East Consultancy Group. De contra-expert concludeert dat het document de belangrijkste kenmerken van een betrouwbaar document bevat. Hij verklaart dat de stempelafdruk op het document geprint is en dat hij vanwege de complexiteit van in Bahrein afgegeven documenten, niet zeker weet of dit de normale praktijk is. Hij concludeert dat hij het document het voordeel van de twijfel heeft gegeven omdat er geen discrepanties in het document zijn.

7. In het weerwoord van Bureau Documenten van 28 november 2017 staat vermeld dat de mening van de contra-expert niet wordt gedeeld en er wordt uiteengezet waarom er twijfel bestaat over de autorisatie. De rapporteur ziet ook na kennisneming van de contra-expertise geen reden is om de conclusie van Bureau Documenten te wijzigen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat ter zitting is gebleken dat eiser niet de beschikking heeft gehad over het door verweerder aan de rechtbank toegezonden weerwoord van Bureau Documenten van 28 november 2017. Eiser en zijn gemachtigde hebben na lezing van het weerwoord en na kort beraad besloten niet om aanhouding te verzoeken voor een reactie van de contra-expert op het weerwoord.

9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

10. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op 20 februari 2017 heeft deelgenomen aan een demonstratie tegen het regime van Bahrein, waarbij hij is aangehouden en gefilmd door de Bahreinse politie. Voorts heeft verweerder geloofwaardig geacht dat er op 26 februari 2017 en 23 maart 2017 invallen in de woning van eiser hebben plaatsgevonden. Verweerder acht echter eisers gestelde persoonlijke vrees voor vervolging niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt ondeugdelijk gemotiveerd. De gedane invallen in de woning van eiser die verweerder geloofwaardig heeft geacht, geven immers reeds aan dat eiser in de negatieve aandacht van de Bahreinse autoriteiten staat. Dat uit de inhoud van de door eiser overgelegde oproepen niet blijkt waarom hij zich moet melden bij de politie, laat onverlet dat de inval in eisers woning op 27 februari 2017 heel kort na de demonstratie heeft plaatsgevonden en dat gesteld noch gebleken is dat eiser om een andere reden in de negatieve belangstelling van de Bahreinse overheid staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat een causaal verband tussen de demonstratie en de invallen onvoldoende aannemelijk zou zijn gemaakt. Dat eiser één dag na de demonstratie legaal is uitgereisd en dus kennelijk op dat moment nog niet gesignaleerd stond, is onvoldoende om zijn gestelde vrees niet aannemelijk te achten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten het geloofwaardig geachte relaas in samenhang met de door eiser ingebrachte algemene informatie over de mensenrechtensituatie in Bahrein te beoordelen. De door eiser ingebrachte stukken die betrekking hebben op de wijze van behandeling van demonstranten die in de negatieve behandeling van de Bahreinse overheid staan, vormen immers wel degelijk een onderbouwing van eisers gestelde persoonlijke vrees bij terugkeer naar Bahrein. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten over de in beroep onderzochte oproep van 5 juni 2017 aan de bovenstaande gebreken van het bestreden besluit niet afdoen.

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

12. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.002,- (duizendtwee euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 mr. dr. Marc Jones, van de Universiteit van Exeter, van 23 juni 2017, dr. Anne de Jong van de Universiteit van Amsterdam, van 26 juni 2017, Floor Beuming van Amnesty International met informatie van 26 juni 2017, Nicolas McGeehan van Human Rights Watch van 23 juni 2017 en 26 juni 2017 .