Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
NL18.1579
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin, Duitsland, niet beëdigde tolk, art. 6:22 Awb, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond, proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1579


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nr. NL18.1580, plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij burger van Niger is en dat zijn geboortedatum is [geboortedatum] . Eiser heeft op 29 september 2017 in Nederland asiel aangevraagd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland. Uit nader onderzoek is gebleken dat eiser dit verzoek op 4 oktober 2016 heeft ingediend met de personalia [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] , van Ghanese nationaliteit. Het verzoek is op 10 november 2016 afgewezen en het beroep daartegen is op 30 november 2016 afgewezen1. Gelet op deze onderzoeksresultaten heeft verweerder op 12 oktober 2017 de Duitse autoriteiten gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening2. Op 17 oktober 2017 hebben de Duitse autoriteiten met dit verzoek ingestemd.

3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk tijdens het gehoor van eiser. Verder betoogt eiser dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Registertolk

4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.

5. Niet in geschil is dat tijdens het aanmeldgehoor gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in de Hausa taal. In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het voornemen het standpunt ingenomen dat ten tijde van het plannen van het aanmeldgehoor geen registertolk tijdig beschikbaar was, en dat er gebruik is gemaakt van een niet-registertolk, omdat in de Dublinprocedure spoed is vereist.

6. De rechtbank volgt dat standpunt van verweerder niet. De asielaanvraag is niet afgedaan in de zogeheten algemene asielprocedure. Dat betekent dat de termijnen die daarvoor gelden, gericht op afdoening binnen acht procesdagen3, in dit geval niet van toepassing waren. Dat heeft tot gevolg dat het aanmeldgehoor ook een week of een aantal weken later had kunnen worden gehouden. De praktische en logistieke problemen, die zich volgens verweerder voordoen indien de voorgenomen planning bij toepassing van de Dublinprocedure niet kan worden gevolgd, leiden niet tot het oordeel dat sprake is van spoedeisendheid als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Door te wachten op een registertolk worden immers geen wettelijke termijnen overschreden. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd beaamd, dat er geen spoed was vereist bij het horen van eiser.

7. Dit betekent dat verweerder artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv heeft geschonden door eiser niet te horen met gebruikmaking van een registertolk.

8. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de wet geen ruimte biedt om het geconstateerde gebrek te passeren, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die ruimte wel: een besluit kan ondanks schending van een rechtsregel in stand worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Niet gebleken is dat eiser de tolk niet goed heeft begrepen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser bevestigend geantwoord op de vraag van de gehoormedewerker aan het begin van het gehoor of hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen in het Hausa. Op de vraag van de gehoormedewerker aan het einde van het gehoor of eiser nog op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de gehoormedewerker of de tolk, heeft eiser geantwoord: “Nee”. Eiser heeft ook geen correcties en aanvullingen ingediend bij het gehoorrapport. Bovendien blijkt noch uit de beroepsgronden, noch uit de behandeling ter zitting dat eiser feiten of omstandigheden naar voren had willen brengen, waartoe hij door gebruikmaking van een niet-registertolk niet in staat is geweest. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiser door het gebrek is benadeeld. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit in stand laten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

9. Verweerder heeft in het voornemen, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

10. In beroep wijst eiser op zijn ervaringen met betrekking tot de opvang en betoogt hij dat zijn aanvraag op een weinig zorgvuldige manier is afgedaan. Eiser heeft echter tijdens het aanmeldgehoor gezegd dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland 4. Eiser heeft niets verklaard over slechte opvang of over de wijze van afdoening van zijn asielaanvraag in Duitsland. In de schriftelijke reactie op de aankondiging dat verweerder eiser aan Duitsland wil overdragen, blijft eiser erbij dat hij in Duitsland geen asielaanvraag heeft ingediend en bestrijdt hij dat hij contact heeft gehad met de Duitse autoriteiten5. Ter zitting is niet meer bestreden dat eiser wel een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Uitleg over de opvang en de wijze van afdoening van zijn asielaanvraag is echter achterwege gebleven.

11. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er concrete aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat ten aanzien van Duitsland niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is daarin niet geslaagd.

Slotsom

12. Het beroep is ongegrond.

13. Gelet op overwegingen 7 en 8 is er in dit geval aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het bedrag ervan wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501 en een gemiddeld gewicht).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrag van € 1.002 (duizendtwee euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Resultaat dacty-onderzoek Duitsland 11 oktober 2017

2 Verordening (EU) 604/2013

3 Artikel 3.110 e.v. van het Vreemdelingenbesluit 2000

4 Pagina 5 van het aanmeldgehoor.

5 Brief aan verweerder van 4 december 2017.