Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:2006

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
NL17.14879
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, eerste beroep, staandehouding Dublinclaimant, gehoor na IBS

Art 59a Vw

Samenvatting:

Eiser voert aan dat het voortraject mis is gegaan, omdat hij niet voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring is gehoord. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 oktober 2017. Verweerder heeft in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016 gehandeld, door eiser rauwelijks in bewaring te stellen. Het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig is omdat hij vooraf niet is gehoord, faalt. Het is voldoende aannemelijk dat sprake was van een situatie als genoemd in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder d, in samenhang met het derde lid, van het Vb. Verweerder heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er in het azc in Leersum geen beschermde ruimte tegen ongeoorloofd vertrek beschikbaar was, waardoor eiser op dat moment niet met voldoende waarborgen omkleed kon worden gehoord. Dat er wel een tolk en personeel van de Dienst Terugkeer & Vertrek aanwezig waren, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een ruimte die is beschermd tegen ongeoorloofd vertrek niet langer nodig was. Eiser is na aankomst in Zeist zo spoedig mogelijk gehoord in overeenstemming met artikel 5.2, derde lid, van het Vb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14879


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).


Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 20 december 2017 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 december 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [1992] .

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert aan dat het voortraject mis is gegaan, omdat hij niet voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring is gehoord. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992), waarin is geoordeeld dat het onrechtmatig is een Dublinclaimant vreemdelingrechtelijk staande te houden en dat verweerder de vreemdeling voorafgaand aan de overbrenging naar het detentiecentrum moet horen en de maatregel moet opleggen. Ook beroept eiser zich op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 oktober 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:5185), waarin is geoordeeld dat verweerder de wijze van inbewaringstelling van Dublinclaimanten een jaar na de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 op orde moet hebben en dat verweerder anders rekening moet houden met een voor hem merkbaar strengere beoordeling bij de afweging van de belangen.

4. In het proces-verbaal van gehoor voor de oplegging van de maatregel van bewaring van 12 december 2017 is verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 waaruit volgt dat er geen vreemdelingrechtelijke staandehouding, overbrenging en ophouding konden plaatsvinden. Ook is vermeld dat er in het asielzoekerscentrum (AZC) in Leersum geen gelegenheid was om eiser te horen, omdat er geen ruimte beschikbaar was die is beschermd tegen ongeoorloofd vertrek.

5. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), voor zover van belang, wordt een vreemdeling voordat hij in bewaring wordt gesteld gehoord. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder d, is het eerste lid niet van toepassing als het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. Op grond van het derde lid wordt slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d, de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.

6. De rechtbank stelt vast dat uit het digitale dossier volgt dat aan eiser op 12 december 2017 in het AZC in Leersum om 9:06 uur de maatregel van bewaring is uitgereikt. Vervolgens is eiser overgebracht naar het Detentiecentrum Zeist waar hij om 10:22 uur aankwam. Eiser is daarna om 11:33 uur gehoord.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in overeenstemming met de uitspraak van de ABRvS van 1 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2992) heeft gehandeld, door eiser rauwelijks in bewaring te stellen. Het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig is omdat hij vooraf niet is gehoord, faalt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake was van een situatie als genoemd in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder d, in samenhang met het derde lid, van het Vb. Verweerder heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er in Leersum geen beschermde ruimte tegen ongeoorloofd vertrek beschikbaar was, waardoor eiser op dat moment niet met voldoende waarborgen omkleed kon worden gehoord. Dat er wel een tolk en personeel van de Dienst Terugkeer & Vertrek aanwezig waren, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een ruimte die is beschermd tegen ongeoorloofd vertrek niet langer nodig was. Eiser is na aankomst in Zeist zo spoedig mogelijk gehoord in overeenstemming met artikel 5.2, derde lid, van het Vb.

8. Omdat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schending van artikel 5.2, eerste lid, van het Vb en de maatregel van bewaring daarmee rechtmatig is, komt de rechtbank aan eisers stellingen over een belangenafweging bij onrechtmatigheid van de inbewaringstelling niet toe.

9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft bestreden.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wolfrat, rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.