Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1942

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
17 / 11236
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis, Eritrea, gezinsband/huwelijk niet aangetoond, geen documenten, tegenstrijdige verklaringen, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/11236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.A. Nijland,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Peeters.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 mei 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 15 december 2017 een aanvullend besluit genomen. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht richt het beroep zich mede tegen dat besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 januari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig [naam referent] , referent, en T. Tzegai, tolk.

Overwegingen

  1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 28 augustus 2015 is aan referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 28 oktober 2015 heeft referent namens eiseres een aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis ingediend. Eiseres en referent stellen in dat verband in augustus 2014 (traditioneel) gehuwd te zijn en daarna drie maanden te hebben samengewoond, tot aan het vertrek van referent in november 2014. Op 15 september 2016 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

  2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres haar identiteit en de feitelijke gezinsband met referent niet heeft aangetoond met documenten, maar dat zij in bewijsnood verkeert. Er zijn daarom identificerende gehoren afgenomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres en referent met hun verklaringen de feitelijke gezinsband niet aannemelijk hebben gemaakt.

  3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat niet aan eiseres wordt tegengeworpen dat zij haar identiteit niet heeft aangetoond.

  5. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder in het aanvullend besluit niet (alsnog) aangenomen dat tussen haar en referent sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Verweerder heeft in het aanvullend besluit immers overwogen dat een traditioneel huwelijk, zoals eiseres en referent stellen te hebben, ook een rechtsgeldig huwelijk kan zijn. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de door eiseres en referent gestelde feitelijke gezinsband (het huwelijk) niet aannemelijk is, omdat zij dit niet met documenten hebben onderbouwd en tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen hebben afgelegd.

  6. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres en referent hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de dagelijkse gang van zaken in de periode van drie maanden waarin zij stellen te hebben samengewoond. Tijdens het eerste gehoor van zijn asielprocedure heeft referent verklaard dat hij tot oktober of november 2014 in de tomatenfabriek werkte en daar dus ook tijdens zijn huwelijk nog werkte. Tijdens zijn identificerend gehoor heeft hij aangegeven dat hij tijdens de wittebroodsweken naar zijn werk ging en dat eiseres dan thuis bleef. Hij ging soms in de ochtend, maar meestal in de avond, naar de fabriek om daar toezicht te houden. Eiseres heeft tijdens haar identificerend gehoor verklaard dat referent na hun huwelijk niet heeft gewerkt. Eiseres heeft aangegeven dat zij en referent ’s avonds thuis vrienden ontvingen en rond tien of elf uur naar bed gingen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van partners verwacht mag worden dat zij overeenstemmend verklaren ten aanzien van elkaars werkzaamheden en de dagelijkse gang van zaken tijdens de periode van samenwonen. Verder heeft verweerder aan eiseres tegengeworpen dat het bevreemdingwekkend is dat referent haar niet op de hoogte heeft gesteld van zijn vertrek. Van partners mag verwacht worden dat zij op de hoogte zijn van elkaars toekomstplannen.

  7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres en referent op essentiële onderdelen tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen hebben afgelegd, die niet met een toelichting achteraf kunnen worden weggenomen. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat er tussen hen sprake is van een huwelijksband. Dat referent de afgelopen maanden geld heeft overgemaakt aan eiseres en dat zij dagelijks contact hebben, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ter beoordeling staat immers of aannemelijk is gemaakt dat er ten tijde van de inreis van referent in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband tussen hem en eiseres.

  8. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daaraan voldoende invulling heeft gegeven door eiseres en referent persoonlijk te horen. Niet is gebleken dat zij tijdens die gehoren onvoldoende gelegenheid hebben gehad hun persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen.

  9. Nu verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de gezinsband tussen eiseres en referent niet aannemelijk is, kan het beroep van eiseres op artikel 17 van de Richtlijn 2003/86/EG en artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie niet slagen.

  10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was, zodat er geen sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

11. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.