Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
NL18.754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, identiteit/nationaliteit/herkomst niet aannemelijk gemaakt, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.754


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Zwiers),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 januari 2018 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.755, plaatsgevonden op 1 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Walls, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.M. Faes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser, die stelt te zijn geboren op [geboortedatum] , heeft op 2 oktober 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 17 november 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij uitspraak van 6 april 2017 (NL16.3400, niet gepubliceerd) heeft deze rechtbank en zittingsplaats eisers beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 november 2016 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

  2. Eiser heeft verklaard dat hij in [geboorteplaats] is geboren en dat hij tot 1962 in Ethiopië heeft gewoond. Daarna werd hij naar de Sovjet Unie gebracht, waar hij tot 1992 verbleef. Eiser verbleef vervolgens tot 2015 in Oekraïne, waar hij stelt te zijn gemarteld.

  3. In de hiervoor genoemde uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat er gehoren hebben plaatsgevonden, terwijl de Forensische Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) had geadviseerd om eiser niet te horen. Verweerder had zich daarom op het standpunt gesteld dat de door eiser tijdens de gehoren afgelegde verklaringen niet konden worden gebruikt. Dit viel volgens de rechtbank niet te rijmen met verweerders standpunt dat eisers herkomst, identiteit en nationaliteit niet vast waren komen te staan, omdat hij daarover ongerijmd en wisselend had verklaard. Gelet daarop is het beroep gegrond verklaard.

  4. Op 27 juli 2017 is eiser opnieuw gezien door FMMU en is opnieuw geadviseerd om eiser niet te horen, vanwege onduidelijkheid omtrent zijn mentale fitheid. Op 25 oktober 2017 heeft FMMU geconcludeerd dat eiser wel gehoord kan worden. Vervolgens heeft op 21 november 2017 een aanvullend gehoor plaatsgevonden.

  5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat er geen aanleiding bestaat om te onderzoeken of hij in aanmerking komt voor een asielvergunning. Daartoe heeft verweerder allereerst overwogen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Hij heeft tijdens het eerste en nader gehoor tegenstrijdig verklaard over tot wanneer hij in het bezit is geweest van zijn Ethiopisch paspoort. Ook valt niet in te zien dat hij geen kopie van dit paspoort of andere documenten heeft overgelegd, nu hij tijdens het aanvullend gehoor heeft verklaard dat hij tot juli 2016 in het bezit is geweest van een USB-stick waarop kopieën van Ethiopische documenten stonden. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser ook met zijn verklaringen zijn gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Tijdens het eerste gehoor heeft hij in eerste instantie verklaard dat hij waarschijnlijk Ethiopische is, maar later dat hij er niet zeker van is. Tijdens het aanvullend gehoor heeft hij verklaard dat hij staatloos is en niet de Ethiopische nationaliteit heeft. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig en doen afbreuk aan de geloofwaardigheid. Ook is het opmerkelijk dat eiser tijdens het aanvullend gehoor heeft uitgelegd dat er twee verschillende Ethiopische paspoorten waren, terwijl hij daar in zijn eerdere gehoren niets over heeft verklaard. Verder heeft eiser aan het begin van het aanvullend gehoor verklaard dat hij een Ethiopisch paspoort had, maar later dat hij niet weet of hij de Ethiopische nationaliteit bezit. Dit is ongerijmd, nu aan een paspoort altijd een nationaliteit wordt gekoppeld. Tot slot heeft verweerder overwogen dat eiser reeds meerdere jaren in Nederland verblijft en dat hij heeft nagelaten om zich tot de vertegenwoordiging van Ethiopië of een andere buitenlandse staat te wenden om identificerende documenten te verkrijgen.

  6. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  7. Eiser heeft terecht aangevoerd dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt ten onrechte heeft verwezen naar de verklaringen die hij tijdens het eerste en nader gehoor heeft afgelegd. Met de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2017 is immers vast komen te staan dat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt.

  8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter, gelet op de verklaringen die eiser tijdens het aanvullend gehoor heeft afgelegd, de aanvraag terecht afgewezen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontbreken van documenten ter onderbouwing hiervan voor rekening van eiser komt. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor immers verklaard dat hij in het bezit is geweest van een USB-stick waarop kopieën van zijn Ethiopische documenten stonden. Niet valt in te zien dat hij deze niet heeft uitgeprint en overgelegd. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser zich tot de vertegenwoordiging van Ethiopië, dan wel van een andere land waar hij stelt te hebben verbleven, had kunnen wenden om identiteitsdocumenten of andere bewijsstukken te verkrijgen. Gelet op eisers leeftijd en zijn verklaringen over zijn langdurig verblijf in de Sovjet Unie en Oekraïne, valt niet in te zien dat hij in geen enkel land geregistreerd staat of heeft gestaan. Eiser is al sinds 5 oktober 2016 (de datum waarop het eerste voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag bekend is gemaakt) op de hoogte van het feit dat er wordt getwijfeld aan zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, zodat hij voldoende tijd heeft gehad om deze nader te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende inspanning geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn.

  9. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser de afwijzing als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw niet heeft betwist.

  10. Het beroep is ongegrond.

  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.