Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1875

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12492
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, handtekening op machtigingsformulier voor het indienen van bezwaar komt niet overeen met de handtekening op het aanvraagformulier visum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.G. Evers),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres verzochte visumaanvraag afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Zowel eiseres als verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiseres heeft op 26 januari 2017 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf in verband met familiebezoek. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.

2. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder redengevend geacht dat de handtekening van eiseres op het machtigingsformulier voor het indienen van bezwaar niet overeenkomt met de handtekening van eiseres op het visumaanvraagformulier. De overgelegde machtiging is volgens verweerder daarom niet rechtsgeldig en daaruit blijkt niet dat de indiener van het bezwaarschrift gemachtigd was om namens eiseres een bezwaarschrift in te dienen. Verweerder heeft aan eiseres herstelverzuim geboden bij brief van 12 mei 2017. Eiseres heeft hier bij brief van 26 mei 2017 op gereageerd, waarbij zij nog weer een andere handtekening heeft gebruikt.

3. Eiseres erkent dat de handtekeningen niet overeenkomen. Zij geeft als verklaring voor de verschillende handtekeningen dat de handtekening op het aanvraagformulier van 26 januari 2017 in Arabisch schrift is geschreven en de handtekening op het machtigingsformulier in gewone Latijnse letters. Eiseres heeft het door haar ondertekende machtigingsformulier met het e-mailadres van haar zoon in Egypte naar haar gemachtigde gestuurd. Een kopie daarvan heeft zij in beroep ingediend. Voorts voert eiseres aan dat de Latijnse handtekening die zij heeft gebruikt bij haar visumaanvraag in 2012 al in het bezit was van verweerder en dat deze overeenkomt met de handtekening in de brief van 26 mei 2017.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder, na het ontvangen van het eerste machtigingsformulier bij het bezwaar van 22 februari 2017 met een afwijkende handtekening, aan eiseres een herstelverzuimtermijn heeft geboden. De rechtbank stelt tevens vast dat de handtekening op het op tweede machtigingsformulier, bij brief van 26 mei 2017 afwijkt van de handtekening op het eerste machtigingsformulier, waardoor er nu drie verschillende handtekeningen van eiseres naar voren zijn gekomen. Gelet op de diversiteit in handtekeningen, heeft verweerder terecht mogen twijfelen aan de bevoegdheid van mr. Evers om namens eiseres het bezwaar in te dienen. Een gebrek met betrekking tot de machtiging zoals in dit geval het ontbreken van een geldige machtiging, kan in de beroepsfase niet worden gerepareerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder terecht het bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard.

5. Het beroep is ongegrond

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of.