Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1766

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3787
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verzocht om toezending van documenten die gaan over- of betrekking hebben op informatie over bedreigingen geuit richting verweerder en/of medewerkers van verweerder waarvan het vermoeden bestaat dat dierenactivisten hiermee te maken hebben of geuit door mensen met een motief vanuit dierenliefde. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder dient te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde gegevens. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door de Afdeling in 2017 gegrond geachte vrees van verweerder inmiddels niet meer gegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3787

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de raad van bestuur van het Erasmus MC Rotterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A. Voskamp en dr. J.M. Fentener van Vlissingen).

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om de door eiser gevraagde informatie openbaar te maken.

Op 11 mei 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.

Bij besluit van 8 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Op 10 oktober 2017 heeft eiser beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.

Op 22 december 2017 heeft verweerder ten aanzien van enkele op de zaak betrekking hebbende stukken met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen.

Bij beslissing van 27 december 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Bij brief van 2 januari 2018 heeft eiser te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen kennisname van de vertrouwelijk overgelegde stukken door de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 26 juli 2016 heeft eiser op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verweerder verzocht om toezending van documenten die gaan over- of betrekking hebben op informatie over bedreigingen geuit richting verweerder en/of medewerkers van verweerder waarvan het vermoeden bestaat dat dierenactivisten hiermee te maken hebben of geuit door mensen met een motief vanuit dierenliefde. Desgevraagd heeft eiser dit verzoek op 17 augustus 2016 gespecificeerd tot de periode 2010 t/m het heden (de rechtbank leest 17 augustus 2016).

2. Bij besluit van 29 september 2016 heeft verweerder geweigerd om de gevraagde informatie openbaar te maken. Bij het bestreden besluit van 8 september 2017 heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Ten onrechte weigert verweerder elke informatie over de aard en de hoeveelheid van de documenten waarop het verzoek van eiser ziet. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte nagelaten om per passage de weigeringsgrond aan te geven. Verder heeft verweerder verzuimd om in het bestreden besluit in te gaan op de bezwaren die eiser heeft opgeworpen tegen weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens). Het is niet aannemelijk dat een uiterst summiere omschrijving van een vermeend voorval kan leiden tot identificatie, dan wel een toename van het risico van tegen verweerder of anderen gerichte buitensporige acties. De verwijzingen van verweerder naar Afdelingsjurisprudentie kunnen geen standhouden nu de omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd. In dat kader verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:2220).

4. Verweerder voert gemotiveerd verweer.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Verweerder heeft het verzoek om openbaarmaking primair geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van documenten – en zelfs het aanduiden daarvan – onevenredige benadeling met zich brengt, vanwege de dreiging van acties door dierenrechtenactivisten. Eiser heeft hiertegen ingebracht dat dierenrechtenextremisme niet meer actueel is en het niet aannemelijk is dat een summiere omschrijving van incidenten (of slechts het vermelden van de data daarvan) een risicotoename voor verweerder en het personeel met zich brengt.

5.1.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:680) overwogen dat de dreiging van dierenrechtenactivisme reëel is. De Afdeling acht in die uitspraak voldoende grond aanwezig voor de vrees voor een toename van het risico van tegen de vergunninghouders, proefdierinstellingen, hun werknemers en andere betrokkenen gerichte buitensporige acties. Het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, dient naar het oordeel van de Afdeling zwaarder te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van de gegevens. Bij uitspraken van

5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:952) en 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1498) heeft de Afdeling wederom geoordeeld dat het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder weegt dan het belang bij openbaarmaking, vanwege de nog immer actuele dreiging van buitensporige acties door dierenrechtenactivisten.

5.1.2

Gelet op het vorenstaande en na kennisname van de stukken die verweerder ingevolge artikel 8:29 van de Awb vertrouwelijk heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder dient te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde gegevens. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door de Afdeling in 2017 gegrond geachte vrees van verweerder inmiddels niet meer gegrond is. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat acties in het kader van dierenrechtenactivisme een langjarig karakter hebben met wisselende ‘targets’ en volgens een onvoorspelbaar patroon, waarbij dezelfde sleutelfiguren een doorlopende betrokkenheid tonen. Dit heeft eiser overigens niet bestreden. Voor zover eiser verwijst naar voormelde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2017, overweegt de rechtbank dat het in die zaak niet ging om openbaarmaking van gegevens betreffende vergunninghouders die werken met proefdieren of proefdierinstellingen, maar enkel om openbaarmaking van een boeterapport. Reeds daarom kan de verwijzing naar deze uitspraak niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De dreiging van buitensporige acties door dierenrechtenactivisten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook nog steeds actueel en reëel, ondanks dat in de nummers 44 en 45 van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid wordt gemeld dat dierenrechtenextremisme een vrij marginaal verschijnsel is gebleven. Hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten, deelt de rechtbank het standpunt van verweerder dat in dit geval iedere – beperkte – vorm van openbaarmaking met betrekking tot het verzoek van eiser, gebruikt kan worden als versterker voor eventuele nieuwe (buitensporige) acties van dierenrechtenactivisten. Gelet daarop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook beperkte, dan wel geanonimiseerde, openbaarmaking een onevenredige benadeling met zich zou brengen.

5.2

Nu het primaire standpunt van verweerder standhoudt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire standpunt van verweerder en de daartegen gerichte beroepsgronden.

5.3

Het beroep is ongegrond.

5.4

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

e

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, voorzitter, en mr. J.M. Ghrib en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.