Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1730

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/09/537958 / FA RK 17-6283
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekster is afkomstig uit Somalie. Haar echtgenoot is niet met haar meegereisd. Verzoekster stelt dat haar echtgenoot in 2009 is overleden en zij onderbouwt haar stelling met de verklaring dat zij in 2009 een telefoontje heeft gekregen van een vriendin die haar dit overlijden heeft meegedeeld. Verder heeft zij geen stukken ingediend. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen aangezien aan het vereiste, namelijk dat het bestaan van de vermiste onzeker is, niet is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-6283

Zaaknummer: C/09/537958

Datum beschikking: 12 februari 2018

Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Beschikking op het op 11 augustus 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B.A. Huijgen te Amsterdam,

betreffende de vermissing van:

[naam vermiste]

[geboortedatum] te [geboorteplaats] , Somalië,

hierna te noemen: de vermiste.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift;

- de brief van 5 september 2017 van verzoekster;

- de brief van 29 december 2017 van de Officier van Justitie waarin wordt

meegedeeld dat het Openbaar Ministerie geen rol voor zichzelf ziet weggelegd in

deze procedure.

Op 15 januari 2018 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door de heer [naam] tolk in de Somalische taal, en haar advocaat.

De vermiste is openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de op 6 december 2017 verschenen editie van de Staatscourant, zoals blijkt uit de door de griffier in het dossier gevoegde gegevens.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank de vermiste [naam vermiste] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Somalië, zal oproepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken en, als daarvan niet blijkt, de rechtbank zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van Abdi Yarow Jama Hirsi bestaat, alsmede te bepalen dat de kosten die verzoekster op grond van artikel 1:413 lid 1 BW heeft gemaakt, ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.

Feiten

  • -

    Verzoekster is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Somalië.

  • -

    Zij staat sinds 28 oktober 2009 ingeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen (BRP).

  • -

    Blijkens deze BRP-registratie is zij in 2007 gehuwd met de vermiste.

  • -

    Verzoekster heeft een onbekende nationaliteit.

  • -

    Op 28 april 2010 te Zevenaar is verzoekster nader gehoord door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hiervan is een rapport van nader gehoor opgemaakt.

  • -

    De vrouw heeft de volgende thans nog minderjarige kinderen gekregen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De vermiste is als gevolg van het geregistreerde huwelijk met verzoekster de juridische vader geworden van deze drie minderjarigen kinderen. Verzoekster heeft de rechtbank Amsterdam verzocht om de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van deze kinderen gegrond te verklaren. Bij beschikking van 26 juli 2017 heeft de rechtbank Amsterdam de ontkenning van het vaderschap gegrond verklaard.

  • -

    Verzoekster heeft sinds 2013 een affectieve relatie met [naam] .

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank is op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd om van het voorliggende verzoek kennis te nemen en zij past bij gebrek aan nadere conflictregels Nederlands recht toe.

Inhoudelijke beoordeling

Artikel 1:413 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien het bestaan van een persoon onzeker is en de in het tweede lid aangegeven tijdsruimte is verlopen, belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken hun te gelasten die persoon op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat de rechtbank, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van die persoon bestaat.

Nu verzoekster heeft gesteld dat zij gehuwd is (geweest) met de vermiste, kan zij worden aangemerkt als belanghebbende in deze procedure.

Wil een verzoek tot het verkrijgen van een verklaring van vermoedelijk overlijden ontvankelijk zijn, dan moet vast staan dat dit betrekking heeft op een persoon wiens bestaan onzeker is. Bovendien moet een bepaalde tijdsruimte zijn verlopen. Het betreft hier twee zelfstandige vereisten.

In het hierna volgende zal de rechtbank allereerst beoordelen of is voldaan aan het vereiste dat het bestaan van de vermiste onzeker is.

Verzoekster heeft daartoe, verkort weergegeven, het volgende gesteld. Zij is in Somalië in 2007 uitgehuwelijkt aan de vermiste. Zij was zelf niet aanwezig bij de huwelijksvoltrekking. Verzoekster is mishandeld door haar echtgenoot en heeft hierom Somalië ontvlucht. Zij is in 2009 in Nederland aangekomen, zonder haar echtgenoot. In datzelfde jaar heeft verzoekster telefonisch vernomen dat de vermiste was overleden. Zij is gebeld door haar vriendin [naam] en [naam] heeft haar toen gezegd dat zij: ‘vandaag blij mag worden want die oude man is overleden. Je bent vrij om met je leven verder te gaan.’ [naam] vertelde voorts dat de vermiste ziek is geworden en dat hij een natuurlijke dood is gestorven. [naam] heeft over dit overlijden gehoord toen zij in het dorp was waar de vermiste woonde. De vermiste had veel kinderen en die waren aan het huilen vanwege het overlijden van hun vader, heeft [naam] toen aan verzoekster verteld. Verzoekster vermoedt dat de vermiste op het platteland is begraven, maar weet verder niets over de begrafenis. In het dorp waar de vermiste vandaan komt, heeft verzoekster geen kennissen dan wel familie meer wonen, zodat het voor haar onmogelijk is om meer informatie te krijgen over het overlijden van vermiste. Daarbij komt dat in Somalië het overlijden van een persoon niet wordt bijgehouden en dat er geen akte van overlijden wordt opgemaakt. Het is aldus voor verzoekster onmogelijk om bij de autoriteiten in Somalië meer informatie op te vragen.

Blijkens het IND-rapport van nader gehoor van 2010 heeft verzoekster op de vraag: ‘Denkt u dat u bij terugkeer nog problemen zult ondervinden met uw man?’ bevestigend geantwoord en uitgelegd dat haar man daar nog steeds is. De rechtbank heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling gevraagd hoe deze verklaring, in 2010 afgelegd, dat de vermiste toen nog zou leven, te rijmen is met haar huidige stelling dat de vermiste al in 2009 zou zijn overleden. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij met haar in 2010 bij de IND afgelegde verklaring bedoelde te zeggen dat de zonen van haar echtgenoot nog steeds in Somalië zijn en dat zij voor hen bang is.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht, onvoldoende is om tot de slotsom te komen dat sprake is van omstandigheden die het bestaan van de vermiste onzeker maken. De rechtbank overweegt daartoe dat haar onderbouwing uitsluitend is gebaseerd op haar stelling dat zij in 2009 door haar vriendin [naam] hierover zou zijn geïnformeerd. Deze stelling wordt niet door andere stukken of andere bewijsmiddelen ondersteund. Integendeel, uit de verklaring die verzoekster in 2010 bij de IND heeft afgelegd, ontstaat juist het beeld dat de vermiste (toen in ieder geval) leefde. Tijdens dit gehoor heeft verzoekster kennelijk niet gesproken over de informatie die zij van haar vriendin [naam] zou hebben verkregen over het overlijden van de vermiste. Nu verzoekster en de vermiste al sinds het vertrek van verzoekster uit Somalië naar Nederland geen contact meer hadden (verzoekster wilde dit contact ook niet), is in het ontbreken van het contact tussen hen ook geen aanwijzing te vinden voor de stelling van verzoekster, dat hij zou zijn overleden. Er zijn door verzoekster ook geen pogingen ondernomen om de vermiste op te sporen.

Nu aan het vereiste, dat het bestaan van vermiste onzeker is, niet is voldaan, zal het verzoek, inclusief de kostenveroordeling, worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, H. Dragtsma en

O.F. Bouwman, bijgestaan door mr. K.M. Heins als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2018.