Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
C/09/545808/ FT RK 18/30 en FT RK 18/31
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP-verzoek door ondernemer die de onderneming wil voortzetten

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Faillissementswet 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/545808 / FT RK 18/30 en FT RK 18/31

uitspraakdatum: 14 februari 2018

[verzoeker],

en

[verzoekster],

beiden wonende aan de [adres] te [postcode en woonplaats],

verzoekers,

Verzoekers hebben op 5 januari 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is op 31 januari 2018 behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord: verzoekers, bijgestaan door mevrouw M.J.P. Nöllen, medewerker van Zuidweg en Partners.

De rechtbank overweegt als volgt.

1. Verzoeker heeft sinds 1 januari 2012 een éénmanszaak, [X]. Het procesreglement

verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbank bepaalt onder meer (artikel 3.1.2.6) dat bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd: “indien de verzoeker een bedrijf heeft of heeft gehad, een origineel uittreksel uit het handelsregister en, indien deze zijn opgemaakt, de jaarstukken van de laatste drie jaar.” Bij het verzoekschrift zijn geen jaarstukken van de jaren 2016 en 2017 gevoegd.

2. Voorts heeft te gelden dat zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen de WSNP-regeling niet van toepassing kan worden verklaard (Kamerstukken 11, vergaderjaar 1997/1998, 25672, nr.3 ). Ingeval van een verzoek als het onderhavige dient er dus van uit te kunnen worden gegaan dat dit verzoek is voorafgegaan door een – deugdelijk uitgevoerd – minnelijke schuldregelingstraject. De rechtbank kan hier niet van uitgaan. De schuldeisers is een voorstel gedaan op basis van een te verkrijgen BBZ-krediet van € 34.000,-, waarvan een bedrag van € 4.050,- bestemd was voor de door de gemeente Westland ingeschakelde schuldhulpverlener. De gemeente heeft zich daarbij klaarblijkelijk gebaseerd op een rapport van 19 augustus 2016 van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). In dit rapport is uitgegaan van financiële gegevens van de jaren 2013-2015 en wordt het (positieve) bedrijfsresultaat – vóór belasting – als volgt geprognosticeerd: 2016 € 25.000,-, 2017 € 30.100,- en 2018 € 33.900,-, waarbij rekening is gehouden met een jaarlijkse arbeidsvergoeding voor verzoekster van 15.000,-. Daargelaten dat zich op basis van de overgelegde stukken niet laat constateren of deze prognoses voor de jaren 2016 en 2017 juist zijn gebleken, is niet gebleken of in het minnelijke schuldregelingstraject is onderzocht of liquidatie van de onderneming en het in loondienst werken door verzoekers de schuldeisers meer zou kunnen opleveren. Een dergelijke vergelijking is de schuldeisers ook niet voorgehouden. Dit terwijl van een deugdelijk uitgevoerd minnelijk schuldregelingstraject moet worden verwacht dat de schuldeisers duidelijk wordt gemaakt dat het door verzoekers gedane aanbod het uiterste is waartoe zij financieel in staat moeten worden geacht. Nu dit ontbreekt, kan de rechtbank er niet van uitgaan dat het verzoek is voorafgegaan door een deugdelijk gedane poging tot een buitengerechtelijk schuldregeling, hetgeen op één lijn dient te worden gesteld met het niet uitvoeren van een buitengerechtelijk schuldregeling.

3. Het vorenstaande leidt reeds tot niet-ontvankelijkheid. Indien verzoekers wel in hun verzoek ontvankelijk zouden zijn geweest, zou dit ook niet tot toewijzing van het verzoek hebben geleid. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4. Zoals ook is overwogen in het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 oktober 2005 (ECLI:NL: HR:2005:AT6856) AT6856) blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 25 juni 1998, Stb. 445, waarbij de schuldsaneringsregeling in de Faillissementswet (Fw.) werd opgenomen, dat de regering de schuldsaneringsregeling mede heeft willen openstellen voor natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, maar daarbij heeft benadrukt dat dergelijke personen zullen moeten kiezen tussen surseance of schuldsaneringsregeling (Kamerstukken II 1992-1993, 22969, nr. 3, blz. 24):

"De opzet van het wetsvoorstel is deze dat de natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent, een keuze zal moeten maken. Of hij opteert voor de schuldsaneringsregeling met als consequentie dat ten genoegen van de schuldeisers zoveel mogelijk activa te gelde worden gemaakt, of hij kiest ervoor om zijn zelfstandig beroep of bedrijf voort te zetten, derhalve met behoud van de bedrijfsinventaris en dergelijke, althans zonder dat de liquidatie daarvan voorop staat. Ook in het laatste geval evenwel zal de schuldenaar die in financiële moeilijkheden verkeert, behoefte kunnen hebben aan een adempauze. Deze schuldenaar kan daartoe de surseance van betaling aanvragen.
In het wetsvoorstel is overigens voorzien in de mogelijkheid dat de natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent en aan wie de surseance van betaling voorlopig is verleend, kan verzoeken de surseance in te trekken onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Deze regeling maakt het mogelijk dat de schuldenaar in samenwerking met de bewindvoerder in de surseance kan bezien of de toepassing van de surseance zal worden voortgezet of dat de schuldsaneringsregeling alsnog de voorkeur verdient."

5. Door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (d.d. 19 mei 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008: BD6249) is dit als volgt verwoord:

“De WSNP-regeling is echter niet bestemd om een ondernemer faciliteiten te bieden voor een sanering van zijn onderneming en vervolgens voortzetting van dat bedrijf en het maken van een doorstart.

Voor zover al in het kader van de WSNP een ondernemer voortzetting van zijn bedrijf wordt toegestaan - ten behoeve van de boedel - gaat het daarbij om een tijdelijke voortzetting teneinde lopende zaken af te wikkelen, met aanbieding van een akkoord, of liquidatie. Daarna dient de schuldenaar zijn activiteiten te stoppen en betaald werk in loondienst te nemen (MvT Kamerstukken 22969 nr. 3, blz. 24; vgl. ook de Recofa-richtlijnen 2005 en het ook in de vernieuwde Recofa-richtlijnen 2008 onder 17 opgenomene).”

6. De WSNP-regeling is derhalve niet bedoeld om een ondernemer faciliteiten te bieden om, met gelijktijdige voortzetting van de onderneming, zijn schulden te saneren en de voortzettingsmogelijkheid van artikel 311 Fw. ziet derhalve niet op voortzetting van een onderneming gedurende de gehele schuldsaneringsregeling. De rechtbank onderkent dat dit mogelijk anders is voor een groep ondernemers/zelfstandigen die met werknemers in loondienst zijn te vergelijken en die zich onder meer kenmerken door het alleen aanbieden van hun eigen arbeid, het verrichten van werk dat normaliter in dienstverband wordt verricht, het geen personeel in dienst hebben, het geen of in beperkte vorm eigen bedrijfsruimte hebben en het niet of nauwelijks hoeven investeren in bedrijfsmiddelen. Verzoeker is echter niet als zodanig aan te merken.

7. Ter terechtzitting is niet gebleken dat bij verzoeker de onvoorwaardelijke bereidheid bestaat om de onderneming op te geven. Verzoeker heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat het zijn intentie is om zijn onderneming voort te (kunnen) zetten. Deze intentie van verzoeker om zijn onderneming voort te zetten, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank dat toepassing van de schuldsaneringsregeling niet de juiste weg is voor verzoeker. Het aanvragen van surseance van betaling ligt in deze situatie meer voor de hand.

8. Nu de rechtbank er van uit dient te gaan dat verzoeker beoogt zijn onderneming voort te zetten, is onvoldoende aannemelijk dat verzoekers de uit de – mede op vereffening gerichte – schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen (kunnen) nakomen. Bovendien is in voornoemd IMK-rapport aangegeven dat verzoekers over een matig financieel inzicht beschikken dat zij zich dienen te laten ondersteunen bij het nemen van financiële beslissingen. Niet is gebleken dat verzoekers zich inmiddels hebben voorzien van dergelijke ondersteuning. Dit maakt dat evenmin aannemelijk is geworden dat het risico van het ontstaan van nieuwe schulden in voldoen mate is beteugeld.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2018 in tegenwoordigheid van J.E.M. Witberg, griffier.