Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
09/827288-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich viermaal schuldig gemaakt aan aanranding van jonge vrouwen. Verdachte is hierbij steeds op dezelfde berekenende wijze te werk gegaan door de vrouwen op deels afgelegen plekken waar ze alleen waren, plotseling te benaderen en te betasten. Ook nadat de vrouwen hadden aangegeven daar niet van gediend te zijn, heeft verdachte de ontuchtige handelingen voortgezet. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en ze  zoals ook blijkt uit de aangiftes  angst en schrik aangejaagd. Verdachte heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen behoeftes en heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. Het gaat om ernstige strafbare feiten die, behalve voor de slachtoffers in kwestie, ook in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid in de betreffende omgeving veroorzaken.

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, alsook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827288-17

Datum uitspraak: 16 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de Rechtbank Rotterdam naar de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Den Haag verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte ] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Castelijn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Atceken-Ata, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 november 2016 te Ridderkerk, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en)en, bestaande uit het

- betasten van en/of knijpen in de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

- onverhoeds betasten van en/of knijpen in de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 12 oktober 2016 te Ridderkerk, althans op het fietspad gelegen langs de A16 ter hoogte van Ridderkerk, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 2] (telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (telkens)

- betasten van/knijpen in de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 2] en/of

- trachten met zijn hand tussen de arm en het lichaam van die [slachtoffer 2]

door haar (beklede) borst(en) aan te raken

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

- op de fiets volgen van die [slachtoffer 2] en/of

- ( telkens) dicht naast en/of half achter die [slachtoffer 2] gaan fietsen en/of het (telkens) onverhoeds benaderen van die [slachtoffer 2] en/of

- ( telkens) onverhoeds betasten van de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 2]

en/of

- ( telkens) onverhoeds trachten de/een (beklede) borst(en) van die [slachtoffer 2] aan te raken en/of

- onverhoeds bij de arm vastpakken van die [slachtoffer 2] ;

3.

hij op of omstreeks 07 juli 2016 te Rotterdam en/of Ridderkerk, althans op het fietspad gelegen langs de A16 ter hoogte van Ridderkerk, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

- betasten van en/of knijpen in de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 3]

en/of

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

- meelopen met die [slachtoffer 3] en/of

- optillen van de jas van die [slachtoffer 3] en/of (vervolgens) die [slachtoffer 3] de woorden toevoegen dat het er goed uitzag, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- onverhoeds betasten van en/of knijpen in de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 3] en/of

- die [slachtoffer 3] de woorden toevoegen: "Ik zie je nog wel een keertje", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 te Barendrecht, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en)en, bestaande uit het

- meermalen betasten en vastpakken van de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 4]

en/of

- betasten van de (beklede) borst(en) van die [slachtoffer 4]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

- ( ongevraagd) meelopen met die [slachtoffer 4] en/of (vervolgens) bevragen van die [slachtoffer 4] en/of

- die [slachtoffer 4] de woorden toevoegen dat zij er nog goed uitzag, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- onverhoeds meermalen betasten en/of vastpakken van de (beklede) bil(len) van die [slachtoffer 4] en/of

- onverhoeds betasten van de (beklede) borst(en) van die [slachtoffer 4] en/of

- uit de hand grissen van de telefoon van die [slachtoffer 4] .

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kan het volgende op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Dit volgt uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, heeft ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kan zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In 2016 is in de omgeving van de IJsselmondse Randweg te Barendrecht en de Verbindingsweg te Ridderkerk verschillende keren melding gedaan van aanranding. Op 1 november 2016 is verdachte, kort na een vermeende aanranding, aangehouden. De vraag die voorligt is of verdachte zich op die 1ste november 2016 schuldig heeft gemaakt aan aanranding feit 1 en voorts of hij ook de onder 2 tot en 4 tenlastegelegde, eerdere feiten heeft gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 2 en 4 heeft de officier van justitie betoogd dat ook het aanraken/betasten van de borsten wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard, nu de aangiftes op dit punt consistent en gedetailleerd zijn en er geen twijfel kan bestaan over de juistheid daarvan. Over het betasten van de billen heeft de officier van justitie aangegeven dat dit (wel degelijk) een ontuchtige handeling betreft en naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter heeft. Hierbij heeft hij verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1778).

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat het aanraken/betasten van de borsten niet bewezen verklaard kan worden omdat daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is. De (enkele) verklaring van de aangeefsters staat hier tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. Ook overigens kunnen de tenlastegelegde feiten niet bewezen verklaard worden omdat het aanraken van billen geen ontuchtige handeling betreft. In dit verband is aangevoerd dat verdacht heeft ontkend dat hij een seksuele bedoeling heeft gehad. De verdediging meent – zo begrijpt de rechtbank – dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de feiten 1 t/m 4 – voor zover het om het betasten van en/of knijpen in de billen van aangeefsters gaat – sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom zal op dat punt worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank zal hierna wel nog ingaan op het verweer van de verdediging (strekkende tot vrijspraak) dat het aanrakenbetasten van billen niet als ontuchtige handeling moet worden aangemerkt. Voorts zal de rechtbank separaat ingaan op het betasten van de borsten, zoals tenlastegelegd onder de feiten 2 en 4, nu verdachte deze handelingen heeft ontkend.

Opsomming van de bewijsmiddelen

Feit 1

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2018;

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , d.d. 2 november 2016, p. 92 t/m 96.

Feit 2

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2018;

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , d.d. 23 oktober 2016, p. 128 t/m 136.

Feit 3

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2018;

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , d.d. 12 juli 2016, p. 158 t/m 162.

Feit 4

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2018;

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , d.d. 30 augustus 2016, p. 192 t/m 197.

Ontuchtige handelingen

De vraag die  mede in het licht van het verweer van de verdediging  beantwoord dient te worden is of het aanrakenbetasten van de billen door verdachte moet worden aangemerkt als ontuchtige handeling.

Van een ontuchtige handeling is sprake als het gaat om een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm (HR 30 maart 2010, NJ 2010, 376). Of een handeling als zodanig kan worden aangemerkt, hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context en de verhouding tussen betrokkenen en de wijze van aanraking.

Verdachte heeft de billen van aangeefsters (onverhoeds) betast, vastgepakt en/of daar in geknepen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij steeds sprake geweest van aanrakingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter hebben en – in de onderhavige situaties – in strijd waren met de sociaal-ethische norm. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte en aangeefsters elkaar in het geheel niet kenden, de aanrakingen deels plaatsvonden op afgelegen plaatsen waar aangeefsters alleen waren en (drie van de vier) aangeefsters reeds bij de eerste aanraking kenbaar hebben gemaakt daar niet van gediend te zijn zodat verdachte alleen al daarom moet hebben geweten dat aangeefsters de aanrakingen niet wilden. Dat verdachte geen seksuele bedoeling zou hebben gehad maar dat het hem om aandacht te doen was – zoals door/namens verdachte is betoogd – doet aan het voorgaande niet af. Aan het verweer van de verdediging wordt dan ook voorbij gegaan.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het ontuchtige karakter van deze handelingen van verdachte bewezen.

Feiten 2 en 4 (betasten/aanraken borsten)

De vraag die vervolgens voorligt is of verdachte, naast het betasten van de billen, op 12 oktober 2016 te Ridderkerk ook de (beklede) borst van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft aangeraakt en op 15 augustus 2016 te Barendrecht ook de (beklede) borst van [slachtoffer 4] (hierna [slachtoffer 4] ) heeft betast. Verdachte heeft ontkend dat hij dit heeft gedaan. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat verdachte dit wel heeft gedaan.

[slachtoffer 2] heeft hierover het volgende verklaard:

De man kwam toen weer, en weer zat hij aan mijn billen. Ik zei dat hij moest oprotten. Toen ik dat zei stopte hij wel weer even maar daarna voelde ik zijn hand tussen mijn linkerarm en lichaam naar mijn linkerborst toe gaan. Ik heb toen zijn hand weggeslagen. Dat ging vrij moeilijk omdat de positie waarin ik fietste ten opzichte van de man lastig was. De man fietste half achter mij en dan is het lastig om iemand van je weg te duwen. Hij kwam nog een keer op dezelfde manier terug naar mijn borst. Ik heb toen met mijn linkerhand geknepen in zijn pols. Daarna zakte de man weer een beetje terug, maar kwam daarna ook weer terug naar mij toe. Ik probeerde harder te fietsen, bij de man vandaan. Dat lukte niet door de harde wind en doordat de man weer met zijn arm en zijn hand naar mijn linkerborst wilde gaan. Terwijl hij dit probeerde voelde ik dat de man mij bij mijn linkerarm vast had. Ik ging toen ineens vol in de rem dat had hij denk ik niet verwacht.2

[slachtoffer 4] heeft over het betasten van de borst het volgende verklaard:

Toen hij langs mij fietste, langs mijn linker kant, pakte hij weer met zijn rechterhand mijn linker bil. Dat zag en voelde ik. En toen gleed zijn hand vanaf mijn linker bil, via mijn zij naar mijn linker borst. En hij deed toen zijn hele hand vol op mijn borst. Ik dacht op dat moment nog ‘zo, dat gaat makkelijk’. Ik werd pissig maar ik durfde niet zo pissig te zijn als de eerste keer. Want ik dacht toen nog wel ‘dit is echt een rare gast’. Ik zei nog wel zoiets van ‘doe normaal dat doe je toch niet’.3

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank deze verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] betrouwbaar en geloofwaardig. Hierbij overweegt de rechtbank dat beide aangeefsters gedetailleerd en eenduidig verklaren en dat een groot deel van hun verklaringen  ten aanzien van het betasten van de billen en de overige omstandigheden  bevestiging vinden in de eigen verklaringen van verdachte. Ook overigens heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook het deel van de verklaringen van aangeefsters betreffende het aanrakenbetasten van de borsten, juist is.

Het aanraken en betasten van de borst(en) heeft naar oordeel van de rechtbank zonder meer een seksueel karakter en was onder voornoemde omstandigheden in strijd met de sociaal-ethische norm, zodat ook deze handelingen van verdachte als ontuchtig worden aangemerkt.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, ook het aanraken van de borst van [slachtoffer 2] en het daarbij onverhoeds bij de arm vastpakken en het betasten van de borst van [slachtoffer 4] , wettig en overtuigend bewezen.

Viertal aanrandingen

De rechtbank verklaart aldus – behoudens het navolgende – de vier tenlastegelegde aanrandingen van respectievelijk Oprea, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] door haar bij het wegfietsen de woorden "Ik zie je nog wel een keertje" toe te voegen, tot het dulden van ontuchtige handelingen heeft gedwongen. Hoewel de rechtbank op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de getuigenverklaring van haar vader, B. [slachtoffer 3] , er niet aan twijfelt dat verdachte deze of soortgelijke woorden tegen [slachtoffer 3] heeft gezegd, is de rechtbank van oordeel dat dit niet heeft bijgedragen aan, en functioneel is geweest bij, het verrichten van de daaraan voorafgaande ontuchtige handelingen. Deze handelingen waren op dat moment – toen verdachte wegfietste – immers reeds ten einde.

Ten slotte acht de rechtbank ten aanzien van feit 4 niet bewezen dat verdachte de telefoon van [slachtoffer 4] uit haar hand heeft gegrist. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de telefoon van [slachtoffer 4] door toedoen van verdachte op de grond is gevallen, maar is van oordeel dat er, mede gelet op de stellige ontkenning van verdachte op dit punt en zijn verklaring dat een en ander (onopzettelijk) in de hectiek is gebeurd, niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte bewust die telefoon uit de hand heeft genomen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op 1 november 2016 te Ridderkerk, door feitelijkheden, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

- betasten van en knijpen in de (beklede) billen van die [slachtoffer 1]

en bestaande die feitelijkheden uit het

- onverhoeds betasten van en knijpen in de (beklede) billen van die [slachtoffer 1] ;

2.

op 12 oktober 2016 op het fietspad gelegen langs de A16 ter hoogte van Ridderkerk, door feitelijkheden, [slachtoffer 2] telkens heeft gedwongen tot het dulden ontuchtige handelingen, bestaande uit het telkens

- betasten van/knijpen in de (beklede) billen van die [slachtoffer 2] en

- met zijn hand tussen de arm en het lichaam van die [slachtoffer 2] door, haar (beklede) borst aanraken

en bestaande die feitelijkheden uit het

- op de fiets volgen van die [slachtoffer 2] en

- ( telkens) dicht naast en/of half achter die [slachtoffer 2] gaan fietsen en het (telkens) onverhoeds benaderen van die [slachtoffer 2] en

- ( telkens) onverhoeds betasten van de (beklede) billen van die [slachtoffer 2]

en/of

- ( telkens) onverhoeds de (beklede) borst van die [slachtoffer 2] aanraken en

- onverhoeds bij de arm vastpakken van die [slachtoffer 2] ;

3.

Op 7 juli 2016 te Rotterdam, door feitelijkheden, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

- betasten van en knijpen in de (beklede) billen van die [slachtoffer 3]

en bestaande die feitelijkheden uit het

- meelopen met die [slachtoffer 3] en

- optillen van de jas van die [slachtoffer 3] en vervolgens die [slachtoffer 3] de woorden toevoegen dat het er goed uitzag en

- onverhoeds betasten van en knijpen in de (beklede) billen van die [slachtoffer 3] 

4.

op 15 augustus 2016 te Barendrecht, door feitelijkheden, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

- meermalen betasten en vastpakken van de (beklede) billen van die [slachtoffer 4]

en

- betasten van de (beklede) borst van die [slachtoffer 4]

en bestaande die feitelijkheden uit het

- ( ongevraagd) meelopen met die [slachtoffer 4] en (vervolgens) bevragen van die [slachtoffer 4] en

- die [slachtoffer 4] de woorden toevoegen dat zij er nog goed uitzag en

- onverhoeds meermalen betasten en vastpakken van de (beklede) billen van die [slachtoffer 4] en

- onverhoeds betasten van de (beklede) borst van die [slachtoffer 4] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 wordt veroordeeld tot:

- een taakstraf van 200 uur en

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

De officier van justitie heeft hierbij onder meer rekening gehouden met de conclusie van psycholoog R.A.R. Bullens in het Pro Justitia Rapport dat de feiten in verminderde mate aan verdachte moeten worden toegerekend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de overige persoonlijke omstandigheden, de geëiste taakstraf te hoog is. Ten aanzien van de geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf en de op te leggen voorwaarden heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich viermaal schuldig gemaakt aan aanranding van jonge vrouwen. Verdachte is hierbij steeds op dezelfde berekenende wijze te werk gegaan door de vrouwen op deels afgelegen plekken waar ze alleen waren, plotseling te benaderen en te betasten. Ook nadat de vrouwen hadden aangegeven daar niet van gediend te zijn, heeft verdachte de ontuchtige handelingen voortgezet. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en ze  zoals ook blijkt uit de aangiftes  angst en schrik aangejaagd. Verdachte heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen behoeftes en heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. Het gaat om ernstige strafbare feiten die, behalve voor de slachtoffers in kwestie, ook in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid in de betreffende omgeving veroorzaken.

Documentatie

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte gedateerd 5 januari 2018. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia Rapport van psycholoog R.A.R. Bullens van 27 januari 2017. Uit het rapport volgt dat bij verdachte sprake is van beperkt intellectueel functioneren, tekortschietende probleemoplossende vaardigheden en beperkte gewetensvorming. Volgens de psycholoog heeft verdachte geen inzicht in zijn gedachten en gevoelens gehad voorafgaand aan zijn eigen handelen. De aanrandingen zijn op ondoordachte wijze gepleegd en de intellectuele beperkingen van verdachte hebben een duidelijke doorwerking gehad in de totstandkoming van die strafbare feiten, aldus de psycholoog. Om voornoemde redenen wordt geadviseerd om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van reclasseringswerker T. Starrenburg van 21 april 2017. De reclassering schat het recidiverisico, evenals de psycholoog, in als laagmatig. en acht het gewenst dat verdachte een psychiatrische behandeling gericht op zeden gaat volgen gedurende een verplicht reclasseringscontact. Ook de psycholoog acht een dergelijke behandeling geïndiceerd. Geadviseerd wordt daarom om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Straf

De rechtbank kan zich verenigen met voormelde conclusie van de psycholoog omtrent de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en houdt daarmee rekening bij het bepalen van (de hoogte van) de straf.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf voorts rekening met hetgeen de psycholoog en de reclassering overigens adviseren, alsook met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge gezinsleven. De rechtbank acht het mede in dat kader van belang dat verdachte spoedig een behandeling gericht op zeden start. Positief is dat verdachte ter zitting ook inzicht heeft getoond in de noodzakelijkheid hiervan en heeft aangegeven hieraan te willen meewerken.

Alles afwegende is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 120 uren, alsook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke instelling.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 791,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voornoemd bedrag bestaat uit € 141,30 aan materiële schade en € 650,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij, inclusief de wettelijke rente, volledig toe te wijzen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding rekening te houden met de beperkte draagkracht van verdachte. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij voldoende concrete en objectieve stukken waaronder een verklaring van een GZ-psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat ten gevolge van de aanranding psychisch leedletsel bij haar is ontstaan, waarvoor zij professionele behandeling heeft gekregen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding acht de rechtbank, gelet op deze gevolgen en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, ook redelijk.

Voorts is het bedrag aan materiële schade door de benadeelde partij genoegzaam onderbouwd en is duidelijk dat ook deze schade een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit feit 4.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het gevorderde bedrag van € 791,30 volledig toewijsbaar.

De rechtbank acht ook de wettelijke rente toewijsbaar. Als ingangsdatum zal worden uitgegaan van de datum van het indienen van de vordering. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente dan ook toewijzen vanaf 22 januari 2018.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte ook dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 791,30, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] .

Geen matiging

De rechtbank ziet in de gestelde draagkracht van verdachte geen aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding te matigen zoals door de verdediging is verzocht. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied volgt dat, mede gezien de reparatoire aard van de schadevergoedingsmaatregel, slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden overgegaan tot matiging. Niet aannemelijk is geworden dat hier van een dergelijk geval sprake is.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 3:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 4:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) MAANDEN;

bepaalt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (Marconistraat 2 te Rotterdam) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich door forensische psychiatrie - zeden, ambulant zal laten behandelen door De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4] een bedrag van € 791,30, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 791,30, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018 tot aan de dag waarop dit bedrag is voldaan, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.H. Erich, voorzitter,

mr. D.A.C. Koster, rechter,

mr. E.C. Kole, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal (met de nummers PL1700-2016356406, PL 1700-2016333215, PL 1700-2016222904, PL 1100-2016182833, PL 1700-2016182833 en PL 1700-2016266407) van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 217 en p. 341 t/m 367).

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , d.d. 23 oktober 2016, p. 132.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , d.d. 30 augustus 2016, p. 195.