Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16637

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
2951126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Effecten)leaseovereenkomst Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

FV

Rolnr.: 2951126 / CV EXPL 14-2168

Datum: 16 mei 2018

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. van Staveren (USG Legal Professionals),

tegen

[gedaagde] ,

overleden op 28 juni 2016,

laatstelijk wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.

Procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-

de dagvaarding van 19 maart 2014 met producties,

-

de conclusie van antwoord met producties,

-

-

de conclusie van repliek met producties,

de conclusie van dupliek met producties,

-

de akte uitlating producties van [eiser] met producties,

-

de akte uitlating producties van [gedaagde] ,

-

de rolbeslissing van 4 mei 2017,

-

de door [eiser] genomen akte uitlaten met producties en de gelijktijdig door Boonstra genomen akte uitlaten arresten Hoge Raad met producties.

Op 17 augustus 2015 heeft een pleidooi-zitting plaatsgevonden waarop door de gemachtigden van partijen, aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota’s, onder andere de onderhavige zaak nader is toegelicht. Van het verhandelde op deze zitting is door de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Het vonnis is bepaald op heden.

Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

a

[eiser] Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. [eiser] is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. [eiser] is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van [rechtsopvolgster] , alsmede van [rechtsopvolgster] (hierna: [naam rechtsopvolgster] of [naam rechtsopvolgster] ). Waar hierna sprake is van [eiser] worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b

[gedaagde] heeft de navolgende aandelenleaseovereenkomsten met [eiser] gesloten

(hierna de leaseovereenkomsten, en ieder afzonderlijk leaseovereenkomst I, leaseovereenkomst II, leaseovereenkomst III en leaseovereenkomst IV):

Nr.

Contractnr

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I

[contractnummer]

08-07-1997

Spaarleasen

180 mnd

ƒ 36.288,00

II

[contractnummer]

11-12-1997

Beleggen met Korting

36 mnd

ƒ 15.991,73

III

[contractnummer]

20-06-2001

Capital Effect Maandbetaling 20 jaar

240 mnd

ƒ 36.012,15

IV

[contractnummer]

20-06-2001

Profit Effect Vooruitbetaling

120 mnd

ƒ 20.678,78

c

In leaseovereenkomst III is in artikel 3 het navolgende bepaald:

“3. Lessee kan deze Lease-overeenkomst na 90 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom op dat moment. Bij beëindiging binnen deze 90 maanden is lessee naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom tevens de nog niet verstreken maandtermijnen t/m de 90e maand verschuldigd, waarbij over deze maandtermijnen een korting wordt verleend van 50%.”

In leaseovereenkomst IV is in artikel 2 en 3 – voor zover hier van belang – het navolgende bepaald:

“2. Deze leaseovereenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 120 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden (de aankoopdatum). Lessee heeft het recht deze lease-overeenkomst dagelijks middels een schriftelijke mededeling aan de Bank te beëindigen. In geval van vervroegde beëindiging wordt een korting van 50% verleend op alsdan resterende maanbedragen (punt 3b), met dien verstande dat bij vervroegde beëindiging binnen de eerste 48 maanden lessee naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom aan de Bank een bedrag verschuldigd is gelijk aan 50% van de nog niet verstreken bruto maandtermijnen tot en met de 120e maand, vermeerderd met 10% van de reeds verstreken bruto maandtermijnen en verminderd met de nog niet verstreken vooruitbetaalde bruto maandtermijnen. Onder bruto maandtermijnen wordt verstaan de maandtermijnen zonder de verleende korting. Onder bruto maandtermijnen wordt verstaan de maandtermijnen zonder de verleende korting.

3. De lease-som bedraagt:

a) De som van 48 maandtermijnen minus 10% korting: € 1.958,88 / f 4.316,80. (…)”

Artikel 6 van de Bijzondere voorwaarden Effecten Lease (hierna: de algemene voorwaarden), die op leaseovereenkomst III en IV van toepassing zijn verklaard, luidt als volgt:

“6. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer termijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke leaseovereenkomst als de onderhavige overeenkomst, of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke lease-overeenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(-men) uit hoofde van alle lopende leaseovereenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de bank te bepalen moment ter beurze of anderszins. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.”

Artikel 11 van de algemene voorwaarden, luidt als volgt:

In geval van tussentijdse beëindiging door lessee zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A: art. 1576e lid 2 BW. Een eventueel tekort zal alsdan door lessee binnen 14 dagen na dagtekening van de afrekening worden voldaan.

d

[eiser] heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I

11 mei 2007

+ € 2.008,49

II

11 december 2000

+ € 1.920,57

III

11 mei 2007

- € 983,73

IV

11 mei 2007

- € 2.194,43

e

Volgens opgave van [eiser] heeft [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomsten in totaal € 20.445,85 aan voortuitbetalingen en maandtermijnen betaald. Volgens dit overzicht heeft [eiser] € 4.236,26 aan dividendvergoeding aan [gedaagde] uitbetaald en

€ 3.929,06 uitgekeerd naar aanleiding van de eindafrekeningen (in de eindafrekening van leaseovereenkomst I is een bedrag van € 3.178,16 op het resultaat ad € 5.186,65 in mindering gebracht wegens de restschuld van leaseovereenkomst III en IV). Voorts heeft [gedaagde] op of omstreeks 18 januari 2012 ter nadere afrekening een bedrag van € 1.935,18 van [eiser] ontvangen.

f

Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [gedaagde] is aan [eiser] meegedeeld dat [gedaagde] haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op [eiser] voorbehoudt.

g

Bij brief van 28 januari 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een einde wilde maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde] . [eiser] heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of [eiser] aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag [eiser] nog verschuldigd is.

h

Op deze brief is binnen de daarin genoemde termijn geen antwoord gevolgd.

Vordering

[eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, voor recht wordt verklaard dat [eiser] ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten leaseovereenkomsten met de nummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Verder vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Hetgeen [eiser] ter toelichting van deze vordering heeft gesteld komt op het volgende neer.
ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom zij meent een vordering op [eiser] te hebben. [eiser] meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten leaseovereenkomsten.

Verweer

Het verweer, waarmee [gedaagde] de vordering heeft bestreden, zal - voor zover daaraan wordt toegekomen - hierna aan de orde komen.

Beoordeling
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

[gedaagde] stelt voorop dat [eiser] geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat [eiser] een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers - waaronder [gedaagde] - aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door [eiser] van haar stelling dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of [eiser] misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen maakt deel uit van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massa schadezaken als geheel is en voorts wat de betrokken partijen (met name [eiser] ) en de gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam van

25 januari 2005. [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft [eiser] mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in zijn geval aanspraak gaf. Voorts heeft [eiser] daaruit mogen begrijpen dat, nu [eiser] te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde] thans meer dan negen jaar geleden afgelegd.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008: BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:

BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982, en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of, en zo ja welke, er nog sprake is van aanspraken van [gedaagde] jegens [eiser] . Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van [eiser] tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op [eiser] verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

Naar aanleiding hiervan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraken van [gedaagde] op [eiser] ten gevolge van onrechtmatig handelen van [eiser] (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de leaseovereenkomst), dat méér dan 16 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer acht jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] vorderingen op [eiser] heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] worden geacht vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid te hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van haar (eventuele) vorderingen op [eiser] te onderzoeken.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet al in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof Amsterdam

- dan wel in de daarna uitgesproken arresten - is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in haar geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen zijn verworpen door diverse hoven, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] . Een dergelijke mogelijkheid is immers altijd aanwezig, ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van [eiser] beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op [eiser] heeft. Voor zover [gedaagde] van mening is dat zij nog een vorderingsrecht jegens [eiser] heeft dan is zij voldoende in de gelegenheid geweest om een daartoe strekkend verweer in conventie te voeren en/of een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in haar rechtspositie. Van schending van haar aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM - wat daar verder ook van zij - kan dan ook geen sprake zijn.

Er bestaat geen aanleiding voor een aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomsten worden behandeld en beslist.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat [eiser] voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt. Dit is evenmin in strijd met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt [eiser] geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op vordering van [eiser] zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Advisering door [naam adviesbureau] (hierna: [naam adviesbureau] )

Partijen zijn het er over eens dat de leaseovereenkomst III en IV tot stand zijn gekomen door tussenkomst van [naam adviesbureau]

Volgens [gedaagde] hebben verkopers van [naam adviesbureau] haar geadviseerd om deze leaseovereenkomsten met [eiser] aan te gaan. [gedaagde] werd onaangekondigd opgebeld door [naam adviesbureau] waarna een afspraak aan huis is gemaakt. De medewerker van [naam adviesbureau] was [naam] . Tijdens het gesprek werden de financiële mogelijkheden besproken, waarbij [gedaagde] vertelde een zeker bedrag te willen opbouwen als aanvulling op het pensioen. De medewerker van [naam adviesbureau] ( [naam] ) heeft toen geadviseerd om de producten Capital Effect en Profit Effect af te sluiten. De medewerker rekende toen aan de hand van de wensen van [gedaagde] voor wat de resultaten zouden worden bij een bepaalde inleg. [gedaagde] heeft onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ( [namen partijen] ) van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) aangevoerd dat zij er in beginsel van mocht uitgaan dat [naam adviesbureau] de op haar rustende zorgplicht jegens haar naleefde. Hieruit volgt dat [gedaagde] bij een door [naam adviesbureau] geadviseerde constructie minder snel bedacht hoefde te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De relatie tussen [gedaagde] en [naam adviesbureau] verschilt, volgens [gedaagde] , aldus wezenlijk van de standaard effectenleaserelatie waarop voormelde arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 zien. Dit betekent dat in het onderhavige geval niet kan worden uitgegaan van een verdeling van de schade, zoals in de effectenleaserechtspraak is beslist. [gedaagde] voert aan dat [eiser] mede op grond van de artikelen 6:76 BW, 6:171 BW en/of 6:172 BW aansprakelijk is voor dit handelen van de medewerker van [naam adviesbureau]

Voorts heeft [gedaagde] bij haar laatste akte aangevoerd dat ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2015) in afwijking van de Hof-formule in de onderhavige situatie de vergoedingsplicht van [eiser] geheel in stand dient te blijven, nu [naam adviesbureau] beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht maar niet over de vereiste vergunning beschikte.

[eiser] heeft deze stellingen van [gedaagde] weersproken, onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR: 2013:CA1725).

Ten aanzien van dit arrest overweegt de kantonrechter als volgt. Zoals [eiser] terecht heeft opgeworpen is in dit arrest een onderscheid gemaakt tussen een standaard effectenleaserelatie (zoals aan de orde in de standaard jurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel) en advisering waarbij een opdrachtgever een financieel dienstverlener heeft benaderd voor een op zijn specifieke situatie toegesneden advies. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat uit dit arrest volgt dat alleen in de laatstgenoemde adviessituatie op de dienstverlener een bijzondere en zwaarder wegende zorgplicht rust. Enkel de - door [eiser] betwiste - aanbeveling van de onderhavige leaseproducten door de medewerker van [naam adviesbureau] is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om deze mededeling te kwalificeren als een op de specifieke situatie van [gedaagde] toegesneden product. Uit de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden en uit de bij akte overgelegde producties (A t/m Q) blijkt niet van een advies zoals hiervoor omschreven. De omstandigheden dat - zoals door [gedaagde] aangevoerd - [eiser] op enig moment op haar website heeft aangegeven dat haar producten worden aangeboden door gespecialiseerde financiële adviseurs, dat [eiser] instructies heeft gegeven aan tussenpersonen hoe te handelen, dat [eiser] in haar jaarverslag 1997 spreekt over persoonlijk advies en dat [eiser] computersoftware zou hebben verstrekt aan [naam adviesbureau] ten behoeve van het opstellen van prognoses, bieden hieromtrent geen althans onvoldoende uitsluitsel. Ook de door [gedaagde] overgelegde prognoses zijn hiertoe onvoldoende, nu hieruit niet blijkt dat deze prognoses specifiek zijn opgesteld voor [gedaagde] en zien op haar persoonlijke financiële situatie. Op grond van genoemde omstandigheden moet het er wel voor worden gehouden dat [eiser] ermee bekend was dat financiële advisering tot de zakelijke activiteiten van [naam adviesbureau] behoorde en dat er ook sprake is geweest van advisering aan afnemers van leaseovereenkomsten door haar tussenpersonen. Dit betekent echter niet dat hier tot uitgangspunt kan worden genomen dat [naam adviesbureau] aan alle door haar bediende afnemers van leaseovereenkomsten een op hun specifieke situatie verstrekt advies heeft gegeven en dat [eiser] dit wist of behoorde te weten. Vast staat dat de medewerker van [naam adviesbureau] de producten Capital Effect en Profit Effect aan [gedaagde] heeft aanbevolen, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om deze aanbeveling te kwalificeren als een op de specifieke situatie van [gedaagde] toegesneden advies. Zo heeft [gedaagde] niet gesteld dat ook aan haar een persoonlijk rekenvoorbeeld is verstrekt en dat dit met haar is besproken. De omstandigheid dat [gedaagde] mogelijk in algemene zin is geadviseerd en dat het product haar is aangeprezen geeft onvoldoende aanleiding voor een andere verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld dan die uit de standaard jurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel voortvloeit.

Artikel 41 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99)

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99) aangezien zij cliënten accepteerde van [naam adviesbureau] terwijl deze in verband daarmee vergunningsplichtige werkzaamheden verrichte terwijl [naam adviesbureau] niet over een vergunning beschikte. [eiser] wist of behoorde dat volgens [gedaagde] te weten. [eiser] heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, aldus [gedaagde] .

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de twee arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 overweegt de kantonrechter allereerst het navolgende. In deze arresten is kort gezegd geoordeeld dat een cliëntenremisier – zijnde een bijzondere soort effectenbemiddelaar – vergunningplichtig is wanneer hij tevens adviesdiensten verricht bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst. Wanneer [eiser] van een zodanige cliëntenremisier zonder vergunning een cliënt heeft geaccepteerd terwijl zij van het gegeven advies op de hoogte was of had moeten zijn, dan heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 41 NR 99 en is [eiser] volledig schadeplichtig, aldus de Hoge Raad. Aangezien reeds hiervoor is geoordeeld dat geen adviesdiensten zijn verricht door [naam adviesbureau] bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, is derhalve in zoverre geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam adviesbureau] door [eiser] was aangesteld om als cliëntenremisier bemiddelingswerkzaamheden te verrichten teneinde bij [eiser] cliënten aan te brengen en kan derhalve worden aangemerkt als effectenbemiddelaar. Op grond van artikel 7 lid 1 Wte was het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. [naam adviesbureau] beschikte niet over een dergelijke vergunning. Op grond van artikel 10 lid 1 Wte en artikel 12 lid 1 aanhef en sub b, van de Vrijstellingsregeling Wte werden (rechts-)personen, voor zover zij cliënten aanbrachten bij een effecteninstelling die ingevolge artikel 7 lid 2 aanhef en onder h Wte als effectbemiddelaar diensten mag aanbieden of verrichten, vrijgesteld van de vergunningplicht. [eiser] mocht ingevolge laatstgenoemd artikel als effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, zodat [naam adviesbureau] op deze grond was vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het aanbieden of verrichten van diensten.

Voorts waren cliëntenremisiers zoals [naam adviesbureau] op grond van artikel 12 lid 1 sub c van de Vrijstellingsregeling Wte vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als [eiser] . Ingevolge artikel 21 lid 1 Wte moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld wel worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Niet is gesteld of gebleken dat [naam adviesbureau] destijds niet in dit register was ingeschreven.. Derhalve mocht [eiser] op de voet van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 de door [naam adviesbureau] aangebrachte cliënten in beginsel accepteren. Van handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is in zoverre derhalve aldus geen sprake.

[eiser] mocht op grond van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 echter geen orders van [naam adviesbureau] accepteren aangezien voor het doorgeven van orders een vergunning was vereist als bedoeld in artikel 7 Wte. Dat is ook bepaald in de geïmplementeerde Richtlijn Beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG). [gedaagde] heeft haar stelling dat [naam adviesbureau] een effectenorder heeft doorgegeven echter onvoldoende onderbouwd. Derhalve is ook in die zin geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat het eventuele optreden van [naam adviesbureau] als orderremisier tot een andere schadeverdeling zou moeten leiden dan die op grond van de Hof-formule.

Gelet op de voorgaande overwegingen inzake de door [gedaagde] aangevoerde advisering en het beroep op artikel 41 NR 99 wordt niet meer toegekomen aan hetgeen overigens bij deze onderdelen van het verweer door [gedaagde] is aangevoerd. Tot het bij deze onderdelen van het verweer gedane bewijsaanbod zal [gedaagde] niet worden toegelaten nu de gestelde feiten niet tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden.

Advisering door [naam callcenter] (hierna: [naam callcenter] )

Bij akte uitlating arresten Hoge Raad voert [gedaagde] nog aan dat haar recentelijk is gebleken dat leaseovereenkomst I tot stand is gekomen door tussenkomst van [naam callcenter] . [gedaagde] heeft dit herleid uit het contract. Hoewel dit punt rijkelijk laat in de procedure wordt aangevoerd en [eiser] hier niet op heeft kunnen reageren, merkt de kantonrechter hierover het navolgende op. [gedaagde] heeft aangevoerd dat op grond van de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2015) in afwijking van de Hof-formule in de onderhavige situatie de vergoedingsplicht van [eiser] geheel in stand dient te blijven, nu [naam callcenter] als tussenpersoon beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht maar niet over de vereiste vergunning beschikte. Deze uitspraak is echter niet op het onderhavige geval van toepassing. Immers, partijen zijn het erover eens dat [naam callcenter] een callcenter was van [eiser] . Aldus kan [naam callcenter] niet worden aangemerkt als een tussenpersoon c.q. effectenbemiddelaar zoals bedoeld in artikel 1 onder b Wte 1995. Dat betekent in het onderhavige geval dat de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 niet van toepassing zijn voor zover die betrekking hebben op het optreden van een externe tussenpersoon als financieel adviseur.

Dat in dit geval sprake is geweest van advisering zijdens [eiser] is door [gedaagde] bovendien niet althans onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat zij zonder schriftelijke toestemming ongewenst telefonisch werd benaderd door [eiser] / [naam callcenter] en [eiser] / [naam callcenter] hiermee het verbod op cold-calling ex artikel 21 NR 1995 heeft overtreden, overweegt de kantonrechter het navolgende. Zelfs indien [eiser] in strijd met artikel 21 NR 1995 zou hebben gehandeld dan is door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat dit tot een verderstrekkende schadevergoedingsplicht zou moeten leiden.

Aankoop en behoud aandelen

De stellingen van [gedaagde] , inhoudende dat [eiser] niet op de in de leaseovereenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagde] aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In haar beschikking van 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of [eiser] in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande leaseovereenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door de AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). In dit arrest heeft het hof Amsterdam eveneens de stelling verworpen dat uit het feit dat in de jaarrekeningen aanzienlijke optieposities worden genoemd om de verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten af te dekken, volgt dat [eiser] geen aandelen heeft gekocht. De kantonrechter sluit zich bij de daarin genoemde overwegingen aan. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822). Daarbij komt dat de gegevens uit de jaarrekeningen waarnaar [gedaagde] verwijst in de onderzoeksperiode ook bekend waren en kennelijk geen aanleiding vormden voor nader onderzoek op dit punt voor de betrokken partijen. Concrete feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn door [gedaagde] niet gesteld, zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagde] worden gepasseerd.

Beurskoersen

[gedaagde] stelt verder dat [eiser] bij de aankoop van de aandelen waar de leaseovereenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd, omdat zij mogelijk een opslag in rekening bracht. Zij stelt dat [eiser] door de wijze waarop zij de aandelen aankocht een gemiddelde prijs kon behalen, maar mogelijk een opslag heeft berekend door aan de belegger de hoogste dagkoers in rekening te brengen.

Ten aanzien van dit door [eiser] betwiste verweer wordt het volgende overwogen. De bij de aankoop gehanteerde beurskoersen zijn in de overeenkomsten zelf opgenomen en de exacte informatie over de beurskoersen is op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk. Tegen die achtergrond heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser] in zijn concrete geval een onjuiste koers in rekening heeft gebracht. Uit de door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [eiser] een hogere dagkoers dan de laagste danwel de door [eiser] behaalde gemiddelde dagkoers in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft daarmee onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze [eiser] in haar geval en met betrekking tot de in geding zijnde leaseovereenkomsten in strijd met de gesloten leaseovereenkomsten dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige leaseovereenkomsten.

Beleggingstechnische tekortkomingen

[gedaagde] stelt dat de door [eiser] aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor de [gedaagde] ofwel heeft gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagde] meent dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven:

  1. volstrekt onvoldoende spreiding;

  2. geen mogelijkheid om de portefeuille tussentijds aan te passen;

  3. geen reële mogelijkheid om tussentijds de producten te beëindigen als gevolg van de zeer hoge boetebedragen;

  4. geringe kans op een positief rendement.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] worden verworpen. De in het rapport van [naam] aangehaalde beleggingstechnische gebreken waar [gedaagde] naar verwijst zijn afdoende kenbaar uit de effectenleaseovereenkomsten en de algemene voorwaarden. [gedaagde] had deze gebreken bij raadpleging daarvan dan ook kunnen kennen in geval zij, zoals zij volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad ook gehouden was te doen, de haar verstrekte informatie met de vereiste oplettendheid en zorg had gelezen en zich redelijke inspanning had getroost om de effectenleaseovereenkomsten te begrijpen, en in geval van onduidelijkheid vragen te stellen (vgl. de conclusie plaatsvervangend PG (ECLI:NL:PHR:2016:35) bij het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) waarbij de klachten tegen, kort gezegd, de beleggingstechnische gebreken, zoals vermeld in het rapport van prof. dr. Damm met toepassing van artikel 81 RO zijn verworpen).

De rapporten van dr. [naam] en prof. dr. [naam] , die [gedaagde] ter gelegenheid van het pleidooi nog heeft overgelegd, hebben de kantonrechter er niet van overtuigd dat in deze anders dient te worden geoordeeld dan hiervoor is vermeld te meer nu de conclusies van Plantinga grotendeels steunen op voornoemd rapport van prof. dr. [naam] .

Resterende termijnen

Dit geschil van partijen ziet op de bedragen die [eiser] in de eindafrekeningen van de navolgende twee leaseovereenkomsten (III en IV) ter zake van resterende termijnen heeft verrekend. Deze eindafrekeningen zien er - voor zover hier van belang - als volgt uit:

Eindafrekening leaseovereenkomst [contractnummer] (III)

Opbrengst verkoop

€ 5.068,70

19 Resterende termijnen à € 68,09

Af € 1.293,71

50,00% korting over resterende termijnen

Af

€ 646,86

Restant hoofdsom

Af

€ 5.405,57

Subtotaal af:

€ 6.052,43

Totaal

€ 983,73

Eindafrekening leaseovereenkomst [contractnummer] (IV)

Opbrengst verkoop

€ 2.859,22

49 Resterende termijnen à € 45,34

Af € 2.221,66

50,00% korting over resterende termijnen

Af

€ 1.110,83

Eerste aflossingstermijn

€ 45,38

Restant hoofdsom

Af

€ 3.897,44

Subtotaal af:

€ 5.053,65

Totaal

€ 2.194,43

In geschil zijn de bedragen ad € 646,86 en € 1.110,83, die in deze eindafrekeningen ter zake van resterende termijnen zijn verrekend. [eiser] acht zich daartoe gerechtigd op grond van artikel 3 respectievelijk 2 van de onderhavige twee leaseovereenkomsten. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat het beroep van [eiser] op deze bedingen, niet zijnde kernbedingen, dient te worden afgewezen omdat het oneerlijk bedingen betreffen als bedoeld in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

De onderhavige procedure is aangehouden geweest in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen in een zaak waarin de verrekening van resterende termijnen onderwerp van geschil was (hof Amsterdam, 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3242). Daarin lag ter beoordeling voor of artikel 6 (zie feiten sub c) in samenhang met artikel 15 (hier artikel 11) van de algemene voorwaarden een beding betreft dat op grond van de richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. De Hoge Raad heeft zich hierover uitgesproken bij beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773).

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van [gedaagde] om zich te beroepen op de vernietigbaarheid van de bedingen uit artikel 3 en 2 van de leaseovereenkomsten is verjaard. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende. Ook zonder dat [gedaagde] een dergelijk beroep op vernietigbaarheid doet, dient de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve te toetsen en eventueel te vernietigen als blijkt dat dit beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691). Dat een voltooiing van de verjaringstermijn daaraan in de weg zou staan, is niet verenigbaar met de strekking van deze richtlijn. Dit volgt eveneens uit het arrest HvJ EU 21 december 2016 (ECLI:EU:C:2016: 980, Gutiérrez Naranjo) waaraan [eiser] heeft gerefereerd. Na te hebben overwogen dat de toepassing van een procedureregel, zoals een redelijke verjaringstermijn, dient te worden onderscheiden van een beperking in de tijd van de gevolgen van een uitlegging van een regel van Unierecht, overweegt het hof daarin in rechtsoverweging 70: “De in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, mogen derhalve geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling - zoals uitgelegd in de in de punten 54 tot en met 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het hof - ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn.”

Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat artikel 3 en 2 van de leaseovereenkomsten kernbedingen zijn, zodat ze op grond van artikel 4 lid 2 van de richtlijn buiten de toepassing van de richtlijn blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] terecht gesteld dat artikel 3 en 2 van de leaseovereenkomsten geen kernbedingen zijn. Voor beide leaseovereenkomsten geldt dat het een overeenkomst betreft tussen een professionele partij en een consument en over artikel 3 en 2 is niet afzonderlijk tussen partijen onderhandeld. Artikel 3 en 2 van de leaseovereenkomsten zijn derhalve bedingen als bedoeld in artikel 6:231 onder a BW, zodat ook dit standpunt van [eiser] dient te worden gepasseerd (zie ook HR 10 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866), aldus [eiser] .

De Hoge Raad heeft in zijn voormelde prejudiciële beslissing artikel 6 van de algemene voorwaarden getoetst aan de richtlijn en heeft daarin voor zover hier van belang het volgende voorop gesteld:

3.5.1 Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 ([.../...]), rov. 3.7.1-3.7.3).

3.5.2 Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn 93/13 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst in aanmerking genomen, voor zover te dezen van belang, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

(…)

3.5.6 Uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt dat voor de beantwoording van de eerste door het hof gestelde vraag dient te worden nagegaan of art. 6 Bijzondere voorwaarden een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name doordat als gevolg van dit beding diens uit de wettelijke bepalingen voortvloeiende rechtspositie in daartoe voldoende ernstige mate wordt aangetast. (…) Deze beoordeling dient plaats te vinden naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, waarbij dient te worden bezien welke gevolgen het beding voor de consument kan hebben.

De kantonrechter neemt deze overwegingen over, aangezien deze overwegingen ook (deels) op de onderhavige zaak van toepassing zijn.

De Hoge Raad komt vervolgens in haar beslissing tot het oordeel dat de rechter ten aanzien van artikel 6 (hier artikel 5) van de algemene voorwaarden gehouden is om dit beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover het betrekking heeft op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging van de leaseovereenkomst nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan derhalve niet op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden aanspraak worden gemaakt. Aan deze beslissing ligt onder meer ten grondslag hetgeen in de onderstaand weergegeven overwegingen 3.7.5 en 3.7.8 en 3.8.1 is overwogen:

3.7.5 Door de ontbinding ontvangt [eiser] de aflossing van het geleende bedrag op een eerder tijdstip dan overeengekomen. Bij een effectenovereenkomst met een financiële instelling moet tot uitgangspunt worden genomen dat een eerdere aflossing die instelling in staat stelt om het hiermee gemoeide bedrag opnieuw uit te lenen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de eerdere aflossing voor haar het voordeel heeft dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is, tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen. Met dit voordeel dient overeenkomstig het hiervoor overwogene rekening te worden gehouden bij de vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:277 BW.

3.7.8 Met het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het bedrag waarop [eiser] aanspraak kan maken bij beëindiging op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden, zij het dat bij de uitleg die het hof aan art. 15 Bijzondere voorwaarden heeft gegeven, hierin wel op andere wijze wordt voorzien, doordat bij die uitleg de in art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW genoemde vaste aftrek van 5% per jaar dient plaats te vinden op de vervroegde betaling van het restant van de leasesom. Laatstgenoemde aftrek is evenwel volgens art. 15 Bijzondere voorwaarden bij voorbaat gelimiteerd tot dat percentage, zodat in het geval [eiser] een groter voordeel geniet door de vervroegde aflossing, het verschil in zoverre niet in mindering komt op de haar toekomende vergoeding.

3.8.1 In verband met het hiervoor in 3.7.8 overwogene levert het beding van art. 6 Bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring op van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument als hiervoor bedoeld in 3.5.6. Het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel kan immers, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de beëindiging dan wel de ontbinding plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn. Met dat voordeel wordt bij de berekening van hetgeen waarop [eiser] op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden aanspraak kan maken, geen rekening gehouden, terwijl art. 15 Bijzondere voorwaarden hierin slechts beperkt op andere wijze voorziet. In verband hiermee kan worden gesproken van een onevenredig hoge schadevergoeding als hiervoor bedoeld in 3.5.3.

Hieraan doet niet af dat het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel dan wel het hiervoor aan het slot van 3.7.8 genoemde verschil onder omstandigheden ook zeer gering of zelfs nihil kan zijn, afhankelijk van de rentestand en het tijdstip van de beëindiging of ontbinding van de overeenkomst. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.5.4-3.5.6 is overwogen, gaat het te dezen immers om de gevolgen die het beding voor de consument kan hebben, en om de aantasting van diens rechtspositie door het beding, beide beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst.

Zoals [eiser] in haar akte uitlaten heeft aangevoerd is in deze zaak geen beroep gedaan op het beding uit artikel 6 van de algemene voorwaarden doch op de bedingen uit artikel 3 respectievelijk 2 van de leaseovereenkomsten. De ontbinding van de onderhavige twee leaseovereenkomsten door [eiser] wegens wanprestatie van de lessee (ex artikel 6 algemene voorwaarden) is in de onderhavige zaak niet aan de orde. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die de artikelen 3 en 2 van deze leaseovereenkomsten haar bood, om de leaseovereenkomsten met een looptijd van 240 maanden respectievelijk 120 maanden voortijdig te beëindigen. Voor het geval deze beëindiging door de lessee plaatsvindt heeft [eiser] in artikel 3 respectievelijk 2 van de leaseovereenkomsten bedongen hoe dan dient te worden afgerekend.

Of de bedingen uit de voormelde artikel 3 en 2 van de leaseovereenkomsten als oneerlijke bedingen in de zin van de richtlijn dienen te worden aangemerkt, zal de kantonrechter beoordelen aan de hand van het toetsingscriterium dat de Hoge Raad in zijn hiervoor weergegeven overweging 3.5.6 voorop heeft gesteld. Deze bedingen zijn, anders dan artikel 6 van de algemene bepalingen, niet (direct) te brengen onder een van de bedingen (a t/m q) die zijn opgesomd in de indicatieve en niet uitputtende lijst in de bijlage van de richtlijn. Dit sluit echter niet uit dat de bedingen “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort" (lid 1 van artikel 3 van de richtlijn). Om dit te beoordelen, zal gelet op overweging 3.5.6, dienen te worden bezien of de uit de wettelijke bepalingen (Nederlandse recht) voortvloeiende rechtspositie van de consument door het beding in ernstige mate wordt aangetast. Het Nederlandse recht voorziet niet in een specifieke wettelijke bepaling inzake het tussentijds opzeggen van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd met al dan niet de verplichting tot schadevergoeding. Artikel 7A:1576e lid 2 BW waar [eiser] naar verwijst is immers enkel van toepassing tijdens de looptijd van het contract en niet bij beëindiging, zo volgt uit rechtsoverweging 3.7.6. De opzeggings- bevoegdheid van een duurovereenkomst wordt in het Nederlands recht beheerst door de redelijkheid en billijkheid (6:248 BW).

De kantonrechter is - na toepassing van voornoemd toetsingscriterium - van oordeel dat de gevolgen die de onderhavige bedingen (de artikelen 3 en 2) voor [gedaagde] als consument kunnen hebben gehad en de aantasting van haar rechtspositie door deze bedingen - beoordeeld naar het moment van het sluiten van de leaseovereenkomsten - niet onaanvaardbaar zijn. Onderstaand zal dit oordeel voor ieder van de twee bedingen afzonderlijk en aan de hand van de per overeenkomst opgestelde eindafrekening nader worden toegelicht.

Ten aanzien van leaseovereenkomst III wordt voorop gesteld dat [eiser] totaal € 9.957,04 aan rente zou hebben getoucheerd indien de overeengekomen looptijd van 240 maanden volledig zou zijn uitgediend. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de restant-hoofdsom volledig voor verrekening in aanmerking komt. Elke termijn bestaat voor een deel uit rente en voor een deel uit aflossing hoofdsom. In de voor leaseovereenkomst III opgestelde eindafrekening is een bedrag van € 646,86 voor de onbetaald gebleven 72e t/m 90ste termijn verrekend, waarin begrepen - aldus de toelichting van [eiser] - een bedrag van

€ 365,70 aan rente. Indien de overeenkomst na 90 maanden zou zijn geëindigd zou [eiser] een bedrag van € 1.012,55 aan rente hebben ontvangen, zo stelt zij. Deze uitkomst van de vergoedingsplicht uit artikel 3 van de leaseovereenkomst is niet onredelijk te noemen. Ook is niet gebleken dat dit beding tot een onredelijke uitkomst leidt ingeval van opzegging op enig ander moment. Wanneer dit immers wordt vergeleken met de vergoeding waarop [gedaagde] naar het oordeel van de Hoge Raad recht heeft ingeval van ontbinding van de leaseovereenkomsten indien artikel 6 van de algemene voorwaarden niet zou bestaan, kan niet worden gezegd dat de vergoeding zoals genoemd in artikel 3 van de leaseovereenkomsten strijdig is met de redelijkheid en billijkheid.

In artikel 2 van leaseovereenkomst I is een onderscheid gemaakt voor het geval de overeenkomst binnen dan wel na de 48ste maand wordt beëindigd in verband met een verleende korting voor de eerste 48 maanden bij vooruitbetaling. Bij deze overeenkomst zijn partijen een looptijd overeengekomen van 120 maanden. [gedaagde] heeft deze overeenkomst na 71 maanden beëindigd. Voor deze situatie voorziet het beding (artikel 2) erin dat 50% van de resterende termijnen aan de lessee worden doorberekend. Elke termijn bestaat volledig uit rente. In de voor leaseovereenkomst IV opgestelde eindafrekening is een bedrag van € 1.110,83 voor de onbetaald gebleven 72e t/m 120ste termijn verrekend. Indien de overeenkomst na 120 maanden zou zijn geëindigd zou [eiser] nog een bedrag van

€ 2.221,66 hebben ontvangen aan rente, zo stelt zij. Deze uitkomst van de vergoedingsplicht uit artikel 3 van de leaseovereenkomst is niet onredelijk te noemen. Ook is niet gebleken dat dit beding tot een onredelijke uitkomst leidt ingeval van opzegging op enig ander moment. Wanneer dit immers wordt vergeleken met de vergoeding waarop [gedaagde] naar het oordeel van de Hoge Raad recht heeft ingeval van ontbinding van de leaseovereenkomsten wanneer artikel 6 van de algemene voorwaarden niet zou bestaan, kan niet worden gezegd dat de vergoeding zoals genoemd in artikel 3 van de leaseovereenkomsten strijdig is met de redelijkheid en billijkheid.

De conclusie in deze luidt dan ook dat de bedingen (artikel 3 en 2) niet tot gevolg hebben dat het evenwicht tussen de uit de leaseovereenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de [gedaagde] als consument werd verstoord. Er is geen sprake van een oneerlijk beding als bedoeld in de richtlijn. De kantonrechter zal de bedingen daarom in stand laten en dit verweer van [gedaagde] passeren.

Buitengerechtelijke kosten

[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door [eiser] , hetgeen [eiser] gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die haar gemachtigde voorafgaand aan deze procedure heeft verricht. Uit die beschrijving blijkt dat het ten dele gaat om werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvoor in geval van een procedure de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde (proces)kosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Dit zijn derhalve geen buitengerechtelijke verrichtingen die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De beschrijving ziet voor het overige op gestandaardiseerde buitengerechtelijke verrichtingen van de gemachtigde van [gedaagde] , tevens gemachtigde van een zeer groot aantal andere opponenten van [eiser] . Een opgave en specificatie van aan deze gestandaardiseerde verrichtingen verbonden kosten ontbreekt en evenmin is onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten aan [gedaagde] zullen worden toegerekend. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] ter zake van buitengerechtelijke kosten nog een vordering op [eiser] geldend zal kunnen maken.

Slotsom

Niet is in geschil dat bij toepassing van de maatstaven en beoordelingskaders (zoals geformuleerd door de Hoge Raad in de voormelde arresten van 2008 en 2009 en nader uitgewerkt in het hofmodel) [gedaagde] aanspraak had op een schadevergoeding van

€ 1.935,18 (zie feiten sub e). Dit bedrag heeft [eiser] op of omstreeks 18 januari 2012 aan [gedaagde] uitgekeerd. De door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan gevoerde verweren bieden geen grond om van deze jurisprudentie af te wijken. Volledigheidshalve wordt hierbij nog overwogen dat de kantonrechter bij het voorgaande is uitgegaan van de in deze procedure door [eiser] gestelde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken. Nu [eiser] uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomsten, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben. Dit betekent dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is als hierna vermeld. Over en weer resteren er geen verplichtingen meer uit de onderhavige rechtsverhouding van partijen.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Daarbij zal een gematigde vergoeding worden aangehouden inzake het pleidooi, nu er één en hetzelfde pleidooi is gehouden in een veelheid van zaken.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat [eiser] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten met nummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] heeft voldaan en op grond daarvan verder niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:
voor verschuldigd griffierecht € 115,00
voor het exploot van dagvaarding € 77,52

voor informatiekosten € 1,63
voor salaris gemachtigde € 230,00 +
totaal € 424,15, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten;

-
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.P.L.M. Vennix en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.