Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1662

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
09/997569-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 1 (art. 18.18 Wm), omdat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald met betrekking tot de wederrechtelijkheid van haar gedragingen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 2 (art. 17.1 Wm) nu niet kan worden vastgesteld dat Sterigenics bij het niet (goed) functioneren van de naverbrandingsinstallatie niet direct de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2018/56 met annotatie van M. Velthuis
JM 2018/50 met annotatie van S. Pieters
NJFS 2018/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 09/997569-10

Datum uitspraak: 20 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

DEROSS HOLDING B.V.,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 juli 2017 (regie), 22 januari 2018, 23 januari 2018 (inhoudelijk) en 6 februari 2018 (sluiten onderzoek ter terechtzitting).

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar [bestuurder] , [geboortedatum] in de functie van Senior Vice President Europe, Middle East, Asia and Africa.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.W. Boogert en van hetgeen door de raadslieden mr. N.M.D. van der Aa en mr. L.E.M. Wösten, beiden advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 januari 2018 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij (handelend onder de naam Sterigenics Holland B.V. en/of IBA S&I (Europe) B.V.) in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen, althans eenmaal, opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met het/de voorschrift(en) 4.1 en /of 4.2 en/of 4.4 dat/die verbonden is/zijn aan een krachtens de Wet milieubeheer aan IBA S&I Europe bv bij beschikking van 2 januari 2002 door burgemeester en wethouders van Zoetermeer verleende vergunning (kenmerk WM 12/2001), aangezien (op een of meerdere momenten)

- de concentratie ethyleenoxide uit de naverbrandingsinstallatie een hogere concentratie bevatte dan 2

milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht en/of

- de emissie van ethyleenoxide uit de sterilisatoren niet geschiedde via de naverbrandingsinstallatie

en/of

- de concentratie ethyleenoxide uit de wasinstallatie een hogere concentratie bevatte dan 15 milligram

ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht en/of

- de emissies uit de naverbrandingsinstallatie en uit de wasinstallatie niet maandelijks werden

gemeten onder representatieve omstandigheden en/of de resultaten (van de maandelijkse

emissiemetingen) niet elk kwartaal aan het team Milieu van de gemeente Zoetermeer werden

aangeboden;

2.

zij (handelend onder de naam Sterigenics Holland B.V. en/of IBA S&I (Europe) B.V.) in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen, althans eenmaal, opzettelijk als drijver van de inrichting, gelegen aan de [adres] te Zoetermeer, (telkens) wanneer zich in haar inrichting een ongewoon voorval voordeed of had voorgedaan, te weten het niet (goed) functioneren van de incinerator, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, namelijk emissie(s) van ethyleenoxide naar de buitenlucht, niet onmiddellijk de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet konden worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en/of ongedaan te maken.

3. Het onderzoek Zuringspanner 1

Sinds 1 oktober 1990 is in Zoetermeer gevestigd een bedrijf dat zich bezig houdt met het steriliseren van onder meer medische apparatuur, aanvankelijk onder de naam IBA S&I Europe B.V., sinds 2004 onder de naam Sterigenics Holland B.V. en inmiddels is verdachte Deross Holding B.V. de rechtsopvolgster.2 Het bedrijf zal hierna verder worden aangeduid als Sterigenics. Op 2 januari 2002 is door de gemeente Zoetermeer een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (hierna: Wm) afgegeven, waarin de uitstoot van ethyleenoxide – een stof die wordt gebruikt bij het productieproces – wordt toegestaan via een naverbrandingsinstallatie (ook wel incinerator genoemd) en via een wasinstallatie (ook wel scrubber genoemd).3

In oktober 2009 is, naar aanleiding van een anonieme melding via ‘Meld Misdaad Anoniem’, een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Zuringspanner. Resultaat van dit onderzoek is dat vier verdachten zijn gedagvaard, te weten verdachte (als rechtsopvolgster van IBA S&I Europe B.V. en Sterigenics Holland B.V.), de heren H [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] alsmede de gemeente Zoetermeer (hierna ook: de gemeente). Verdachte wordt overtreding van artikel 18.18 Wm en artikel 17.1 Wm verweten door overschrijding van de in de voorschriften opgenomen toegestane emissie van ethyleenoxide, en het niet tijdig nemen van maatregelen toen door defecten in de naverbrandingsinstallatie ethyleenoxide rechtstreeks op de buitenlucht werd geëmitteerd. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt verweten leiding te hebben gegeven aan deze handelingen. De gemeente Zoetermeer wordt verweten overtreding van artikel 10.1 Wm door de overschrijding van de emissienormen te hebben toegestaan en niet te hebben ingegrepen.

4 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1

Redelijke termijn

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en dat de officier van justitie dientengevolge niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd dat – mede gezien de omstandigheden van de zaak en de proceshouding van verdachte – de handelswijze van de officier van justitie en de vertraging die het proces daardoor heeft opgelopen op veel momenten in het proces onverklaarbaar is geweest. Er is ook geen sprake van omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, aldus de raadslieden.

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onweerlegbaar sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar dat deze – gelet op het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 –, hoe fors de overschrijding ook is, nooit kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

De sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie van het onderzoek Zuringspanner is 8 november 2011 geweest. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 januari 2018 naar voren gebracht dat de zaak in de loop van 2012 door de officier van justitie is beoordeeld en dat, alvorens verdere (vervolg)beslissingen te nemen, de uitspraak van de Hoge Raad tegen de gemeente Amsterdam in de Probo Koala-zaak – die uiteindelijk volgde op 23 september 2013 – is afgewacht.

De raadslieden en de officier van justitie hebben aangegeven dat verdachte in oktober 2013 een afschrift van het proces-verbaal van de politie en een concept tenlastelegging heeft ontvangen. Voorts hebben zij naar voren gebracht dat er in december 2013 en in januari 2014 gesprekken zijn geweest tussen de officier van justitie en verdachte om tot een transactie te komen. Deze gesprekken hebben echter uiteindelijk – vanwege de zijde van de officier van justitie – niet tot een transactie geleid. Dit is begin 2015 door de officier van justitie aan verdachte kenbaar gemaakt evenals het voornemen dat de zaak gereed zou worden gemaakt voor zitting. Vervolgens heeft van september 2015 tot begin 2017 onderzoek door de rechter-commissaris plaatsgevonden. Op 11 juli 2017 vond de regie-zitting plaats.

Op grond van voorgaande concludeert de rechtbank dat er in dit geval sprake is van een meer dan aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Tussen 8 november 2011 en oktober 2013 heeft de zaak (bijna) twee jaar stilgelegen en ook tussen 30 januari 2015 en september 2015 is er niets met het dossier gebeurd. Dat betekent dat in ieder geval sprake is van een periode van twee jaar en negen maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt evenwel niet tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Deze overschrijding zal wel in de fase van het vaststellen van de strafmaat worden meegewogen.

De rechtbank zal, gelet op voornoemd arrest van 17 juni 2008, het verweer van de raadslieden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging van verdachte dan ook verwerpen.

4.2

Verjaring feit 2

4.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging in verband met verjaring van het onder 2 tenlastegelegde feit van de periode tot 29 oktober 2004.

4.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot strafvordering ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit over de periode tot 29 oktober 2004 is vervallen wegens verjaring.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit in verband met verjaring overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte wordt verweten opzettelijk in strijd met artikel 17.1 Wm te hebben gehandeld.

Tot 23 mei 2013 stond artikel 17.1 Wm als economisch delict genoemd onder artikel 1a onder 2 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED)4. Ingevolge artikel 2 onder 1 WED betreft dit delict een misdrijf voor zover zij opzettelijk is begaan. De straf die voor een dergelijk economisch delict kan worden opgelegd betreft op grond van artikel 6, eerste lid onder 2 WED een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie. In dit geval betreft verdachte een rechtspersoon en is een geldboete de enige strafmodaliteit. Volgens artikel 70, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop een geldboete is gesteld na zes jaren.

De verjaring van het recht tot strafvordering is gestuit door het verzoek van de officier van justitie op 29 oktober 2010 tot het openen van het strafrechtelijk financieel onderzoek.

Gelet op de verjaringstermijn van zes jaren is het recht tot strafvordering dus verjaard tot 29 oktober 2004.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, met de raadslieden en de officier van justitie, van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit voor de periode tot 29 oktober 2004 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

5 Bewijsoverwegingen

5.1

Inleiding

Kortgezegd is aan verdachte tenlastegelegd dat zij zich meermalen opzettelijk in strijd met de vergunningvoorschriften 4.1, 4.2 en 4.4 heeft gedragen en dat zij (ook meermalen) niet door de naverbrandingsinstallatie maar rechtstreeks door de calamiteitenpijp ethyleenoxide heeft uitgestoten (feit 1). Ook wordt verdachte verweten meermalen niet de maatregelen te hebben getroffen die redelijkerwijs gevergd konden worden toen zich een ongewoon voorval voordeed in het bedrijf (feit 2).

Voor de uitstoot van de ethyleenoxide beschikte Sterigenics in de periode 2004 tot en met 2009 over drie afvoerpijpen op het dak van het bedrijf, te weten: één afvoerpijp voor de naverbrandingsinstallatie, één afvoerpijp voor de wasinstallatie en één afvoerpijp voor calamiteiten van 20 meter hoog. Deze laatste pijp werd ingezet in die gevallen dat de ethyleenoxide niet via de naverbrandingsinstallatie kon worden afgevoerd. De ethyleenoxide kon door deze afvoerpijp rechtstreeks uit de sterilisatoren worden afgevoerd op de buitenlucht. In een pompkamer waren daarvoor twee hendels aanwezig, één hendel om de afvoerbuis naar de naverbrandingsinstallatie af te sluiten en één hendel om de afvoerbuis naar de calamiteitenpijp te openen.5

5.2

Feit 1 (artikel 18.18 Wet milieubeheer)

5.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard, met uitzondering van het eerste en vierde gedachtestreepje.

5.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde en daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de haar tenlastegelegde gedragingen. Voorts hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van verdachte tussen 2004 en 2009 dienen te worden gezien als een voortgezette handeling en dat het tenlastegelegde dus niet meermalen is gepleegd. Daarnaast hebben zij partiele vrijspraak bepleit van het vierde gedachtestreepje (overtreden voorschrift 4.4) in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

5.2.3

De beoordeling van de tenlastelegging

5.2.3.1 Bewijsmiddelen

Zich gedragen in strijd met de voorschriften 4.1, 4.2 en 4.4

Op 2 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders van Zoetermeer de vergunning op basis van de Wet milieubeheer verleend en aan het bedrijf toegezonden ter attentie van [medeverdachte 2]6, die deze vergunning als ‘plant manager’ (de rechtbank begrijpt: als bedrijfsleider) en als contactpersoon namens IBA-S&I b.v., de voorganger van Sterigenics, had aangevraagd.7

De vergunningvoorschriften van de in de periode van 2004 tot en met 2009 vigerende vergunning luiden als volgt:

4.1

De emissie van ethyleenoxide uit de sterilisatoren moet geschieden via de naverbrandingsinstallatie. De concentratie ethyleenoxide uit de naverbrandingsinstallatie mag geen hogere concentratie bevatten dan 2 milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht (2 mg/m3).

4.2

De emissie van ethyleenoxide uit de nabehandelingsruimte moet geschieden via de wasinstallatie (scrubber). De concentratie ethyleenoxide uit de wasinstallatie mag geen hogere concentratie bevatten dan 15 milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht (15 mg/m3).

4.4

De emissies uit de naverbrandingsinstallatie en uit de wasinstallatie moeten maandelijks worden gemeten onder representatieve omstandigheden. De resultaten moeten elk kwartaal aan het team Milieu van de gemeente Zoetermeer worden aangeboden.8

In de vergunning zijn geen voorschriften opgenomen over het gebruik van de calamiteitenpijp.

In het dossier bevinden zich 21 brieven gedateerd van 9 april 2004 tot en met 16 november 2009, alle ondertekend door [medeverdachte 2] , van Sterigenics gericht aan de gemeente Zoetermeer ten aanzien van [naam] afdeling milieu, betreffende kwartaalrapportages. In deze rapportages staan de resultaten van maandelijkse emissiemetingen van de naverbrandingsinstallatie en de wasinstallatie vermeld. Uit de resultaten van de emissiemetingen van de naverbrandingsinstallatie blijkt dat deze, indien beschikbaar, doorgaans gelijk of minder bedroegen dan 1,7 milligram ethyleenoxide per kubieke meter. Uit de meetresultaten van de emissie van de wasinstallatie blijkt dat de emissie van ethyleenoxide na omrekening van ppm (part pro million) naar milligram per kubieke meter, vrijwel altijd hoger was dan op grond van het voorschrift 4.2 maximaal toegestaan.9

[medeverdachte 1] , vice president regulatory affairs van Sterigenics op het Europese hoofdkantoor in Leuven, België, heeft verklaard dat hij de vergunning met de voorschriften kende en deze samen met de meetresultaten uit de kwartaalrapportages besprak met [medeverdachte 2] tijdens zijn tweemaandelijkse bezoeken aan het bedrijf van verdachte in Zoetermeer.10 Ook [naam] , senior-inspecteur milieu van de gemeente Zoetermeer en belast met de handhaving van de vergunningsvoorschriften, heeft verklaard dat hij diverse malen met [medeverdachte 2] heeft gesproken en heeft gewezen op de norm van 15 milligram per kubieke meter.11

Uitstoot niet via de naverbrandingsinstallatie

De naverbrandingsinstallatie heeft in de jaren 2004 tot en met 2009 meermalen niet gefunctioneerd, waardoor de emissie van ethyleenoxide niet via de naverbrandingsinstallatie plaatsvond, maar via de calamiteitenpijp, zo blijkt uit:

- kwartaalberichten aan de gemeente12

- interne rapportages Environmental Health &Safety indicators (verder te noemen: EH&S-rapportages)13

- overzichten maandelijks gasverbruik naverbrandingsinstallatie14

- controleverslagen van de senior-inspecteur van 29 juni 2004 en 25 juni 200615

- e-mails van [medeverdachte 2] aan de senior-inspecteur van 3 maart 2005, 6 april 2007, 15 september 2005, 30 juni 200616 en

- een brief namens burgemeester en wethouders aan het bedrijf t.a.v. [medeverdachte 2] van 27 oktober 2006.17

[getuige] heeft over de problemen met de naverbrandingsinstallatie en de inzet van de calamiteitenpijp als volgt verklaard. [getuige] had, als verantwoordelijke voor het productieproces, hierover contact met [medeverdachte 2] , zijn directe leidinggevende in de periode van 2005 tot en met 2009. Die nam de beslissing over het gebruik van de calamiteitenpijp en gaf hem instructies. Bij afwezigheid van [medeverdachte 2] nam [getuige] zelf die beslissing en gaf dit later mondeling door aan [medeverdachte 2] .18 [medeverdachte 2] bepaalde – aldus nog steeds [getuige] – dan ook dat de productie doorging wanneer de naverbrandingsinstallatie eruit lag.19 Elke maand werd het aantal dagen dat de calamiteitenpijp werd ingezet, gerapporteerd in maandelijkse EH&S-rapportages aan het Regulatory Management in Leuven.20 De “control breakdown” gegevens op de EH&S-rapportages komen van de dagen dat de naverbrandingsinstallatie buiten gebruik is geweest en er gebruik werd gemaakt van de calamiteitenpijp.21 Koene stuurde deze rapportages naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .22

Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat wanneer er in de EH&S-rapportages gesproken wordt over control breakdown dat het emissie controlesysteem van de naverbrandingsinstallatie niet heeft gewerkt en buiten werking was. Er bleven technische problemen met de naverbrandingsinstallatie en dat was de reden dat er na 2006 via de calamiteitenpijp werd uitgestoten.23

5.2.3.2 Conclusies

Voorschrift 4.4 (maandelijkse metingen en leveren van kwartaalrapportages)

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat nagenoeg over de gehele periode van 2004 tot en met 2009 elk kwartaal melding is gemaakt van maandelijkse meetresultaten van de naverbrandingsinstallatie en de wasinstallatie, of dat is gemeld dat er om verschillende redenen geen meetresultaten beschikbaar waren. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit deel van het haar tenlastegelegde feit 1, te weten het zich in strijd gedragen met voorschrift 4.4 van de vergunning, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Voorschrift 4.1 (uitstoot ethyleenoxide via naverbrandingsinstallatie maximaal 2mg/m3)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat weliswaar kan worden vastgesteld dat deze norm niet werd gehaald, maar dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte daar ook op was gericht. Nu verdachte zich niet opzettelijk in strijd met dit voorschrift van de vergunning heeft gedragen, is sprake van een overtreding en niet van een misdrijf. Het recht op strafvordering van deze overtreding is op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht inmiddels verjaard, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor dit onderdeel van het tenlastegelegde in feit 1.

Voorschrift 4.2 (uitstoot van ethyleenoxide via de wasinstallatie maximaal 15mg/m3)

De rechtbank stelt vast dat bedrijfsleider [medeverdachte 2] van het bedrijf van verdachte als contactpersoon betrokken was bij de vergunningaanvraag en dat de vergunning door de gemeente naar hem is opgestuurd. Bovendien ondertekende hij de kwartaalberichtgeving van de meetresultaten van de wasinstallatie over de jaren 2004 tot en met 2009 naar de gemeente, en sprak hierover met [medeverdachte 1] en de senior-inspecteur van de gemeente. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 2] , in de tenlastegelegde periode wetenschap had van de overschrijding van de maximaal toegestane emissie van ethyleenoxide van de wasinstallatie. De handelingen van [medeverdachte 2] als bedrijfsleider in dienst van het bedrijf, passend binnen de bedrijfsvoering en dienstig aan het bedrijf van verdachte, kunnen aan verdachte worden toegerekend. Daarmee is het opzet van verdachte op het zich gedragen in strijd met het voorschrift 4.2 gegeven. Dat de norm in de vergunning in de loop van de jaren in het overleg tussen [medeverdachte 2] en de senior-inspecteur van de gemeente kennelijk als streefnorm werd gezien en kennelijk werd gedoogd, doet niet af aan de wetenschap van de overschrijding van de in de vergunning opgenomen norm in voorschrift 4.2.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich opzettelijk in strijd met het voorschrift 4.2 heeft gedragen.

Uitstoot niet via de naverbrandingsinstallatie, meermalen gepleegd?

De rechtbank stelt vast dat de naverbrandingsinstallatie in de jaren 2004 tot en met 2009 meerdere malen periodes niet heeft gewerkt terwijl het productieproces wel doorging. Aldus is er meerdere malen ethyleenoxide niet via de naverbrandingsinstallatie uitgestoten maar via de calamiteitenpijp rechtstreeks in de buitenlucht waarvoor geen vergunning was. Daartoe heeft bedrijfsleider [medeverdachte 2] telkens opdracht gegeven dan wel is hij bij afwezigheid kort daarna op de hoogte gesteld van het gebruik van de calamiteitenpijp. [medeverdachte 2] had aldus telkens wetenschap van de inzet van de calamiteitenpijp voor de emissie van ethyleenoxide. Ook uit diverse documenten blijkt dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van het gebruik van de calamiteitenpijp. De rechtbank rekent deze wetenschap en alle handelingen in verband met de calamiteitenpijp van [medeverdachte 2] gelet op zijn positie als bedrijfsleider toe aan verdachte nu ook deze handelingen passen in de bedrijfsvoering en dienstig waren aan het bedrijf van verdachte. Daarmee is het opzet van verdachte van het zich in strijd gedragen met voorschrift 4.1 van de vergunning gegeven. De rechtbank is anders dan de raadslieden van oordeel dat hier geen sprake is van een voortgezette handeling omdat, zoals is vastgesteld, telkens een beslissing is genomen om anders dan via de naverbrandingsinstallatie ethyleenoxide te emitteren. Daarmee heeft verdachte zich meermalen in strijd met de vergunningsvoorschriften gedragen. Ook hier doet het feit dat de senior-inspecteur milieu op de hoogte was gesteld van de uitstoot van ethyleenoxide via de calamiteitenpijp in plaats van via de naverbrandingsinstallatie en dit gedoogde, op zichzelf niet af aan de wetenschap van de bedrijfsleider dat de uitstoot van ethyleenoxide niet telkens volgens het voorschrift via de naverbrandingsinstallatie geschiedde.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde feit 2e en 3e gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.

5.3

Feit 2 (artikel 17.1 Wet milieubeheer)

5.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

De rechtbank zal hetgeen hiertoe door de officier van justitie is betoogd, daar waar dit aangewezen is, hieronder nader bespreken.

5.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.

De rechtbank zal hetgeen hiertoe door de raadslieden is betoogd, daar waar dit aangewezen is, hieronder nader bespreken.

5.3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte wordt er onder feit 2 – naar de kern genomen – van verdacht dat zij opzettelijk heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar konden worden verwacht op de momenten dat zich bij Sterigenics een ongewoon voorval voordeed waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan.

5.3.3.1 Ongewoon voorval?

De eerste vraag die in dit verband moet worden beantwoord, is of het niet (goed) functioneren van de naverbrandingsinstallatie moet worden gezien als een ongewoon voorval. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat storingen in het (vergunde) productieproces – waaronder het niet (goed) functioneren van de incinerator – als ongewoon voorval moeten worden aangemerkt.

5.3.3.2 Nadelige gevolgen voor het milieu?

Daarmee is de vraag aan de orde of er, bij het niet (goed) functioneren van de naverbrandingsinstallatie nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of dreigden te ontstaan. De officier van justitie heeft op dit punt – samengevat – betoogd dat het enkele overschrijden van de vergunde emissiewaarden al nadelig is voor het milieu in de zin van de Wm. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat die enkele omstandigheid onvoldoende is voor die conclusie.

Het dossier biedt, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel voldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat die gevolgen voor het milieu (daaronder begrepen mogelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden) er wel konden zijn. Zo valt in de overwegingen bij de verstrekte vergunning onder meer te lezen:

Ethyleenoxide (ETO) wordt in het algemeen als carcinogeen aangemerkt, hetgeen betekent dat bij langdurige blootstelling aan hoge concentraties ETO een verhoogd risico op kanker aanwezig kan zijn. Veel zekerheid daaromtrent is nog niet aanwezig, derhalve moet met deze stof voorzichtig en omzichtig worden omgegaan. In de Nederlandse Emissie Richtlijn (NER) wordt ETO aangemerkt als een stof waarvan de uitstoot moet worden geminimaliseerd.

Verder valt op de chemiekaart van ethyleenoxide onder het kopje ‘belangrijke gegevens’ te lezen dat de stof wordt beschouwd als kankerverwekkend, dat zij schade kan toebrengen aan erfelijke eigenschappen en met betrekking tot het milieu dat deze stof schadelijk is voor het watermilieu.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de stof ethyleenoxide risico’s met zich brengt en dus (minst genomen de dreiging van) nadelige gevolgen voor het milieu. Dat in berekeningen achteraf over de concentratie ethyleenoxide dan wel de verspreiding van ethyleenoxide emissie onzekere factoren zijn opgenomen doet aan het voorgaande niet af.

5.3.3.3 De getroffen maatregelen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door Sterigenics onvoldoende maatregelen zijn genomen om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken, omdat zij heeft nagelaten het bedrijfsproces stil te leggen. Door de verdediging is betoogd dat Sterigenics wel degelijk voldoende maatregelen heeft genomen om de uitstoot van ethyleenoxide te beperken.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken vast dat zich op enig moment problemen voordeden met het functioneren van de naverbrandingsinstallatie. Toen bleek dat de storingen niet konden worden verholpen door het opnieuw programmeren van het besturingssysteem, is een nieuwe besturingskast besteld. Deze nieuwe kast is bij het transport naar Sterigenics zodanig beschadigd dat deze niet meer bruikbaar was. Nadat uiteindelijk een nieuwe besturingskast was geplaatst hielden de storingen aan, waarna opdracht is gegeven een hele nieuwe naverbrandingsinstallatie te bouwen. In dat proces deden zich vervolgens de nodige problemen voor met de gasvoorziening. Kortom: Sterigenics is steeds bezig geweest met het oplossen van de problemen met de installatie, maar liep in dit (langdurige) proces tegen verschillende – onvoorziene – complicaties aan die haar – naar het oordeel van de rechtbank – niet kunnen worden toegerekend.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt verder dat door Sterigenics, naast het herstel van de naverbrandings-functie, ook verschillende andere maatregelen zijn genomen in pogingen om de uitstoot van ethyleenoxide te reduceren. Onder meer zijn cycli aangepast, zijn extra spoelingen toegepast en is geprobeerd om met minder ethyleenoxide hetzelfde sterilisatieresultaat te bereiken.

Het dossier bevat geen stukken waaruit volgt welke maatregelen Sterigenics verzuimd heeft te nemen, gedurende de hiervoor beschreven periode waarin zij bezig was met – samengevat – het herstel van de naverbrandings-functie. Dat van Sterigenics gevergd kon worden de bedrijfsvoering al die tijd stil te leggen, valt zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet in te zien. Te minder nu het zonder meer stilleggen van de bedrijfsactiviteiten van Sterigenics vanwege (dreigende) nadelige gevolgen voor het milieu voorbij gaat aan andere belangen, zoals die van de gezondheidszorg.

5.3.3.4 Conclusie

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat Sterigenics bij het niet (goed) functioneren van de naverbrandingsinstallatie niet direct de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden verwacht. Dat brengt mee dat het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

5.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

zij (handelend onder de naam Sterigenics Holland B.V. en IBA S&I (Europe) B.V.) in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen, opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met de voorschriften 4.1 en 4.2 die verbonden zijn aan een krachtens de Wet milieubeheer aan IBA S&I Europe bv bij beschikking van 2 januari 2002 door burgemeester en wethouders van Zoetermeer verleende vergunning (kenmerk WM 12/2001), aangezien (op meerdere momenten)

- de emissie van ethyleenoxide uit de sterilisatoren niet geschiedde via de

naverbrandingsinstallatie en

- de concentratie ethyleenoxide uit de wasinstallatie een hogere concentratie bevatte dan 15

milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

7.1

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu sprake is van afwezigheid van alle schuld in verband met een verontschuldigbare rechtsdwaling. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd dat de gemeente middels schriftelijke en mondelinge uitlatingen uitdrukkelijk heeft goedgekeurd dat de norm van de wasinstallatie werd overschreden en dat de emissies van de naverbrandingsinstallatie tijdens storingen via de calamiteitenpijp plaatsvonden.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er slechts sprake is van afwezigheid van alle schuld indien verdachte geen enkel verwijt gemaakt kan worden. Daar is in casu geen sprake van, aldus de officier van justitie. Verdachte was ervan op de hoogte dat voor een verruiming van de emissies een wijziging vergunning aangevraagd diende te worden, dit heeft zij nagelaten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft onder 5.2.3.2 bewezen verklaard dat verdachte zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met de voorschriften 4.1 en 4.2 aangezien de concentratie ethyleenoxide uit de wasinstallatie een hogere concentratie bevatte dan 15 mg/m3 en de emissie van ethyleenoxide uit de sterilisatoren niet geschiedde via de naverbrandingsinstallatie. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte omtrent deze gedragingen verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Overschrijdingen emissies wasinstallatie

Uit de kwartaalrapportages die door Sterigenics zijn opgesteld van 9 april 2004 tot en met 16 november 2009 blijkt uit de meetresultaten van de emissie van de wasinstallatie dat de emissie van ethyleenoxide vrijwel altijd hoger was dan de 15 mg/m3 die op grond van het voorschrift 4.2 maximaal was toegestaan (zie onder 5.2.3.1).

De rechtbank zal hieronder allereerst de van belang zijnde correspondentie tussen de gemeente en Sterigenics en de van belang zijnde verklaringen uiteenzetten.

2004

In een brief gedateerd 2 juli 2004 van de gemeente aan Sterigenics naar aanleiding van een op 29 juni 2004 uitgevoerde milieucontrole staat geschreven (DD-32):

“De normstelling voor de wasinstallatie is veranderd in 15 milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht. Met diverse verbeterde technieken is het mogelijk gebleken om deze norm nagenoeg te bereiken. (…) Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten.”

In een e-mailbericht gedateerd 10 november 2004 van de gemeente aan Sterigenics staat geschreven (DD-36):

“Met betrekking tot uw laatste kwartaalopgave van de emissies van ethyleenoxide kan ik positief reageren; de resultaten zijn bijzonder goed te noemen.”

In het controle verslag ten aanzien van Sterigenics, uitvoer d.d. 29 juni 2004, van [naam] staat geschreven (DD-66):

“Regelmatig rapportage over emissies, ziet er keurig uit. Resultaten zijn hoopvol, beter dan ooit.”

2005

In het controle verslag ten aanzien van Sterigenics, uitvoer d.d. 11 augustus 2005, van [naam] staat geschreven (DD-67):

“Zoals afgesproken ontvangen wij al jaren elk kwartaal de emissie-resultaten van zowel de naverbrander als de wasinstallatie. Ziet er heel goed uit.”

In een brief gedateerd 15 augustus 2005 van de gemeente aan Sterigenics naar aanleiding van een op 11 augustus 2005 uitgevoerde milieucontrole staat geschreven (DD-41):

“De normstelling voor de wasinstallatie is veranderd in 15 milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht. Met diverse verbeterde technieken is het mogelijk gebleken om deze norm nagenoeg te bereiken. (…) Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten.”

2006

In een brief van de gemeente aan Sterigenics van 27 oktober 2006 naar aanleiding van een op 25 oktober 2006 uitgevoerde milieucontrole staat geschreven (DD-49):

“De normstelling voor de wasinstallatie is veranderd in 15 milligram ethyleenoxide per kubieke meter gereinigde lucht. Met diverse verbeterde technieken is het mogelijk gebleken om deze norm nagenoeg te bereiken. (…) Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten.”

De verklaringen van [naam] m.b.t. de overschrijdingen emissies wasinstallatie

Ten aanzien van de bepaling van de norm van 15 mg/m3 heeft [naam] bij de rechter-commissaris verklaard:

“Om het scherp te houden, hebben we de norm op 15 mg/m3 gesteld. Daarmee stimuleren en motiveren wij het bedrijf om nieuwe technieken en nieuwe verpakkingen toe te passen. Die norm van 18 mg/m3 is dus gebaseerd op een echte berekening. De norm van 15 mg/m3 is informeel, bij wijze van spreken op een vrijdagmiddagborrel, bepaald. We vonden dit een mooi getal. U vraagt mij met wie ik dit heb besproken binnen de gemeente. Dat was met [naam] , mijn coördinator, ook technisch onderlegd.” (Rc, punt 34)

“U vraagt mij of door de gemeente aldus bewust is gekozen voor een norm die door Sterigenics niet haalbaar was. Ja, we wilden dat de wortel voor hun neus bleef hangen. Het was een stimulans om de norm wél te halen. (Rc, punt 38)

“Ik heb met [naam] besproken dat de norm niet haalbaar was. We hebben dat toegelicht aan de wethouder en het onderwerp over deze keuze op de agenda van het collega laten zetten”. (Rc, punt 39)

Met betrekking tot de overschrijdingen van de wasinstallatie heeft [naam] bij de politie verklaard (VD-03-02-03):

“Ik wil verklaren dat wij uit de rapportages van Sterigenics wisten dat de norm van 15 mg/m3 werd overschreden.”

Bij de rechter-commissaris heeft [naam] met betrekking tot voornoemde bij de politie afgelegde verklaring verklaard (Rc, punt 41):

“U vraagt wie “wij” zijn. Ik bedoelde daarmee het team Milieu, onze coördinator [naam] , ik, twee juristen en nog andere handhavers. De vraag hoe we daarmee om zouden gaan kwam ter sprake in het teamoverleg. Dat was het hele punt. U vraagt of de wethouder hiervan ook op de hoogte was. Ja, het is besproken in het overleg met wethouder [naam] .”

Ook heeft [naam] bij de rechter-commissaris verklaard (Rc, punt 40):

“U houdt mij voor dat ik tijdens de politieverhoren werd geconfronteerd met brieven van mijn hand van 13 december 2002, 2 juli 2004 en 15 augustus 2005 (DD-34, DD-32 en DD-41) aan Sterigenics, waarin ik aangeef “verheugd” te zijn met de door Sterigenics bereikte resultaten. U zegt dat u hieruit een boodschap aan Sterigenics leest met de strekking: “De gemeente is tevreden, wij zullen ten aanzien van de overschrijdingen niet gaan handhaven”. U vraagt of deze interpretatie juist is. Ja, ik zeg u dat je dat tussen de regels door kunt lezen.”

Voorts heeft [naam] bij de rechter-commissaris verklaard (Rc, punt 42):

“U vraagt of het klopt dat de Gemeente de overschrijdingen van de uitstoot door de scrubber niet heeft gehandhaafd. Ja, dat klopt. U vraagt of dit een bewuste keuze van de gemeente was. Ja. U vraagt of het voor Sterigenics duidelijk was dat de gemeente niet zou overgaan tot handhaving. Ja, dat denk ik haast wel. Ik heb in diverse controlerapporten geschreven dat de norm nagenoeg gehaald was. Ze haalden het dus niet, maar we vonden het al een enorme winst voor het milieu dat Sterigenics de emissie met 99 procent had teruggebracht, daar waar het voorheen ongezuiverd naar buiten werd geblazen. U vraagt of dit wel eens werd besproken met iemand van Sterigenics. Ja, met de heer [medeverdachte 2] . U vraagt of [medeverdachte 2] wist dat de gemeente niet zou gaan handhaven. Nou, ik heb dat niet zo expliciet tegen hem gezegd. Ik was tevreden dat er inspanningen waren verricht om de emissiewaarden naar beneden te krijgen. Dat liet ik wel blijken. Zij stelden het op prijs dat de gemeente niet stringent handhaafde. Wij als team binnen de gemeente hebben ervoor gekozen om dat niet te doen. In een vergadering is dit voorgelegd.”

Emissie via de calamiteitenpijp

De rechtbank heeft onder 5.2.3.2 vastgesteld dat de naverbrandingsinstallatie in de jaren 2004 tot en met 2009 meermalen malen periodes niet heeft gewerkt, waardoor de emissie van ethyleenoxide niet via de naverbrandingsinstallatie (verder ook: incinerator) geschiedde maar via de calamiteitenpijp. Voorts wordt in nagenoeg alle kwartaalrapportages vanaf april 2005 door Sterigenics aan de gemeente gemeld dat zij geen betrouwbare emissie waarden van de incinerator hebben kunnen vastleggen en wordt vermeld welke technische problemen er zijn voorgevallen.

2004

In het controle verslag ten aanzien van Sterigenics, uitvoer d.d. 29 juni 2004, van [naam] staat geschreven (DD-66):

“Vorige week storing doorgekregen, defecte regelaar, daardoor twee dagen op de calamiteitenpijp, geen probleem.”

2005

In het tweede kwartaalrapport van 2005 van 12 juli 2005 van Sterigenics aan de gemeente wordt gemeld dat er geen betrouwbare emissie waarden van de incinerator kunnen worden voorgelegd in verband met veel technische problemen aan de besturing. Sterigenics geeft aan dat zij hebben besloten de volledige besturing per direct te vervangen. (DD-40)

In een brief gedateerd 15 augustus 2005 van de gemeente aan Sterigenics naar aanleiding van een op 11 augustus 2005 uitgevoerde milieucontrole staat geschreven (DD-41):

“De regelapparatuur van de naverbrandingsinstallatie zal deze maand worden vervangen door een moderner exemplaar, waardoor wellicht nog betere resultaten kunnen worden bereikt. Wij verzoeken u om ons op de hoogte te houden omtrent de voortgang van de werkzaamheden.”

In een e-mailbericht van 15 september 2005 van Sterigenics aan de gemeente meldt Naar (DD-42):

“De vervanging van de besturingsinstallatie van de incinerator heeft tijdens transport van fabrikant naar Zoetermeer ernstige schade opgelopen. Dit betekent dat de kast terug moet naar Denemarken voor herstel en algehele inspectie en zal een vertraging betekenen voor de opstart van onze verbrandingsinstallatie. Wij vinden de situatie door deze overmacht erg vervelend en moeten helaas opnieuw een beroep doen op uw geduld. Een vertraging van tenminste 4 tot 6 weken is de verwachting.”

2006

In een e-mailbericht van Sterigenics aan de gemeente van 30 juni 2006 wordt door Sterigenics aangegeven dat zij deze week opdracht hebben gegeven tot vervanging van de verbrandingsinstallatie. Sterigenics meldt vervolgens (DD-46):

“Wel zullen wij korte tijd over de pijp moeten voor de periode die ligt tussen het verwijderen van de oude installatie en de oplevering van de nieuwe installatie.”

In het controle verslag ten aanzien van Sterigenics, uitvoer d.d. 25 oktober 2006, van [naam] staat geschreven (DD-68):

“Al maanden bezig om voorbereidingen te treffen om de naverbrandingsinstallatie te vervangen. Eindelijk is het zover. Vanaf week 46 zal de huidige installatie worden verwijderd, inclusief de regelapparatuur. Omstreeks kerst zal alles weer functioneren. (…) Gedurende deze vervanging zal de ethyleenoxide via de hoge calamiteitenpijp worden geemitteerd. Geen probleem.”

In een brief van de gemeente aan Sterigenics van 27 oktober 2006 naar aanleiding van een op 25 oktober 2006 uitgevoerde milieucontrole staat geschreven (DD-49):

“De regelapparatuur van de naverbrandingsinstallatie en de verbrandingsinstallatie zullen de komende maanden worden vervangen door een modernere installatie (…). Gedurende deze periode (tot het eind van dit jaar) kan de gebruikte ethyleenoxide uit de sterilisatoren worden afgevoerd via de hoge calamiteitenpijp.”

In het vierde kwartaalrapport van 2006 van Sterigenics aan de gemeente van 30 januari 2007 staat geschreven (DD-50):

“De incinerator is een groot deel van het laatste kwartaal van 2006 met uw toestemming uitgeschakeld geweest wegens vervanging.”

2007

In een e-mailbericht van Sterigenics aan de gemeente gedateerd 6 april 2007 staat geschreven (DD-53):

“Helaas zullen we nog t/m week 22 moeten wachten voor we de nieuwe incinerator in gebruik kunnen gaan nemen.”

In het eerste kwartaalrapport van Sterigenics aan de gemeente van 10 april 2007 staat geschreven (DD-54):

“Zoals gemeld via de mail wachten wij op de aanleg van de hoge gasleiding welke opgeleverd gaat worden eind week 22. Daarna zullen wij de incinerator na commissioning direct in gebruik nemen.”

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat in de maanden januari, februari en maart 2007 de ethyleenoxide is afgevoerd via de calamiteitenpijp. Na het probleem aan [naam] te hebben uitgelegd gaf [naam] aan dat er geen andere keus was dan de uitstoot via de calamiteitenpijp. Volgens [medeverdachte 2] is dit niet schriftelijk vastgelegd (VD-04-02-8).

In het tweede kwartaalrapport van 2007 van Sterigenics aan de gemeente van 10 juli 2007 staat geschreven (DD-55):

“Wij verwachten in week 29 te starten met het droogstoken en commisioneren van de incinerator. De EBI keuring staat gepland voor week 33 en daarna is de incinerator definitief operationeel en veilig verklaard.”

In het derde kwartaalrapport van 2007 van Sterigenics aan de gemeente van 5 oktober 2007 staat geschreven (DD-56):

“Helaas moet ik u opnieuw melden dat de commissioning van de incinerator moest worden uitgesteld. (…) Zodra de incinerator definitief werkt zal ik u uitnodigen voor een rondleiding.”

2008

In het vierde kwartaalrapport van 2007 van Sterigenics aan de gemeente van 16 januari staat geschreven (DD-57):

“In overleg met de fabrikant hebben wij de installatie opnieuw stopgezet en gemodificeerd. Na ontwerp, inbouw en risico analyse verwachten wij ten laatste begin februari as. de installatie definitief operationeel te hebben.”

In het eerste kwartaalrapport van 2008 van Sterigenics aan de gemeente van 21 mei 2008 staat geschreven (DD-58):

“N.a.v. de klacht geluidsoverlast na het opstarten van onze incinerator is deze stand-by geplaatst waarover de gemeente telefonische geïnformeerd is.”

In het tweede kwartaalrapport van 2008 van Sterigenics aan de gemeente van 20 augustus 2008 staat geschreven (DD-59):

“Het is ons gelukt sinds eind juni de incinerator operationeel te hebben. Er zijn echter nog diverse storingen geweest, welke vragen om enige modificaties in het systeem.”

In het derde kwartaalrapport van 2008 van Sterigenics aan de gemeente van 20 augustus 2008 staat geschreven (DD-60):

“Tijdens het operationeel zijn van de incinerator sinds eind juni hebben zich toch weer een aantal storingen herhaalt welk opgelost moesten worden. Dit heeft er toe geleid dat deze aanpassingen in november zijn aangevoerd, maar het wachten is nog op een klep welke 12 weken levertijd heeft.”

De verklaringen van [naam] m.b.t. de calamiteitenpijp

Met betrekking tot de in 2004 gegeven toestemming (DD-66) heeft [naam] verklaard (VD-03-04 05):

“Er is toestemming gegeven om via de calamiteitenpijp te lozen. Een defecte regelaar zie ik als een calamiteit. Er is niet overwogen om het proces stil te leggen.”

Bij de rechter-commissaris heeft [naam] verklaard (Rc, punt 67):

“U vraagt mij of er vanuit Sterigenics, in geval van een storing, verzocht werd om over te gaan op de pijp. Ja, als er een storing werd gemeld, betekende dat impliciet dat zij verzocht hadden om over te gaan op de pijp.”

Voorts heeft [naam] bij de politie over de periode eind 2006, begin 2007 verklaard (VD-03-02-05):

“U vraagt mij of ik op de hoogte ben dat de calamiteitenpijp voor een langere periode is gebruikt voor het uitstoten van ethyleenoxide. Ja. Eind 2006 en in 2007 heeft de naverbrander met korte tussenpozen niet goed gefunctioneerd. (…) Het is niet aaneengesloten gebeurd maar met tussenpozen. Dit kon gebeuren omdat het bedrijf en ik weten dat het geen gevaar voor de volksgezondheid opleverde en ik daarvoor schriftelijk toestemming heb verleend in overleg met mijn manager. (…) Ik wil verklaren dat ik geen toestemming heb gegeven voor een langere periode. (…) De verwachting was dat na de kerst de naverbrander weer in werking zou kunnen zijn. Echter, nieuwe problemen deden zich voor aan de besturingscomputers, hardwaren en overige onderdelen van de naverbrander. Hierdoor werd de periode van het lozen via de calamiteitenpijp onverwachts verlengd.”

Bij de rechter-commissaris heeft [naam] verklaard (Rc, punt 55):

“U vraagt of ik wist dat na het moment van definitieve verwijdering van de oude installatie de calamiteitenpijp continu zou worden gebruikt, totdat de nieuwe incinerator werd geïnstalleerd en naar behoren functioneerde. Ja, dat wist ik.”

Met betrekking tot het gebruik van de calamiteitenpijp over de gehele periode heeft [naam] bij de rechter-commissaris verklaard (Rc, punt 60):

“U vraagt mij of door mij c.q. de gemeente opgetreden werd tegen het gebruik van de calamiteitenpijp in de periode 2006 t/m 2009. Nee, ik zag daar het nut niet van in. Het plaatsen van de nieuwe naverbrander duurde langer. Sterigenics deed zijn best om het zo spoedig mogelijk voor elkaar te krijgen. U vraagt of het voor Sterigenics kenbaar was dat niet werd gehandhaafd. Dat denk ik wel. Ik heb het niet expliciet gezegd. Uit mijn manier van doen en uit de brievenwisseling mocht blijken dat wij geen stop op de pijp zouden doen of het bedrijf zouden stilleggen.”

[naam] heeft met betrekking tot de periode van de geluidsoverlast in 2008 verklaard (VD-03-06-5):

“Ik weet me te herinneren dat de naverbrandingsinstallatie veel geluid produceerde. Naar aanleiding van klachten van omwonenden is de naverbrandingsinstallatie tijdelijk buiten werking geweest. Sterigenics heeft toen incidenteel via de calamiteitenpijp geloosd. Ik heb daar geen schriftelijke toestemming voor verleend. (…) Ik weet niet of ik mondeling toestemming heb verleend voor het gebruik van de calamiteitenpijp in deze periode.”

Conclusie

Op grond van voorgaande concludeert de rechtbank dat [naam] als senior inspecteur milieu op de hoogte was van de (structurele) overschrijding van de emissie van ethyleenoxide van 15 mg/m3 uit de wasinstallatie en in meerdere brieven aan verdachte steeds heeft laten weten dat de (emissie)resultaten goed waren en dat hij daarmee verheugd was. Hij heeft hierover verklaard dat de norm van 15 mg/m3 van meet af aan niet haalbaar is geweest en dat de te hoog gestelde norm een stimulans was voor verdachte om deze norm wel te halen. Verder heeft [naam] verklaard dat zij (de gemeente) het al een enorme winst vonden voor het milieu dat verdachte de emissie met 99 procent had teruggebracht, en heeft hij dit ook met [medeverdachte 2] besproken. De gemeente heeft de overschrijdingen van de uitstoot door de wasinstallatie niet gehandhaafd, aldus [naam] .

De rechtbank stelt vast dat verdachte de gemeente in de persoon van [naam] uitgebreid op de hoogte hield van alle storingen aan de naverbrandingsinstallatie. [naam] heeft hierover ook verklaard dat als er door verdachte een storing werd gemeld, dat impliciet betekende dat zij verzochten om via de calamiteitenpijp te emitteren. Door de gemeente is twee maal expliciet toestemming gegeven voor het gebruik van de calamiteitenpijp, te weten op 29 juni 2004 (voor twee dagen) en op 27 oktober 2006 (tot het eind van het jaar). [medeverdachte 2] heeft bovendien verklaard dat in de periode van januari tot en met maart 2007 ook met toestemming van de gemeente [naam] via de calamiteitenpijp is geëmitteerd. [naam] heeft verklaard dat hij wist dat de calamiteitenpijp continu gebruikt zou worden totdat de nieuwe verbrandingsinstallatie naar behoren zou functioneren. Voorts heeft [naam] verklaard dat hij denkt dat het voor verdachte kenbaar was dat er in de periode van 2006 tot en met 2009 niet werd gehandhaafd, uit zijn manier van doen en uit de brievenwisseling mocht blijken dat de gemeente geen stop op de pijp zou doen of het bedrijf zou stilleggen.

De rechtbank stelt ook vast dat in de jaren 2004 tot en met 2009 de contacten tussen het bedrijf van verdachte en de gemeente slechts bestonden uit contacten tussen [medeverdachte 2] en [naam] als senior inspecteur van de gemeente. In deze periode heeft slechts één keer een leidinggevende van [naam] – [naam] – in dit verband een paraaf gezet (de rechtbank begrijpt: een paraaf voor “gezien”), te weten op de brief van 27 oktober 2006 (DD-49). Deze leidinggevende heeft bij de rechter-commissaris echter verklaard dat hij het bedrijf tot dat moment niet kende (punt 16) en dat alles gebeurde onder de eigen verantwoordelijkheid (van de medewerkers: zo begrijpt de rechtbank) (punt 19). Ander contact of betrokkenheid aangaande de handhaving van de vergunningvoorschriften tussen het bedrijf en de gemeente op (een hoger) ambtelijk of bestuurlijk niveau is er niet geweest, zo stelt de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het handelen van [naam] niet anders kan worden gezien dan als het handelen door de gemeente. Door [naam] – en daarmee de gemeente – is soms expliciet soms impliciet ingestemd met het overschrijden van de emissies van de wasinstallatie en met de emissies via de calamiteitenpijp door verdachte. De gemeente (in de persoon van [naam] ) heeft deze handelingen in strijd met de vergunningsvoorschriften gedoogd. Naar het oordeel van de rechtbank valt aan deze vertegenwoordiger van de gemeente – die belast is met het toezicht en de handhaving van de vergunningsvoorschriften – zodanig gezag toe te kennen, dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van die instemming mocht vertrouwen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, verontschuldigbaar heeft gedwaald met betrekking tot de wederrechtelijkheid van haar gedragingen. Dat betekent dat verdachte niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

- 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 18.18 van de Wet milieubeheer;

- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit betreffende de periode tot 29 oktober 2004;

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake de onder feit 1 bij het eerste gedachtestreepje impliciet tenlastegelegde overtreding;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde feit 1 en ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mr. R.G.C. Veneman, rechter,

mr. E.C. Kole, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar stukken, betreffen dit stukken uit het proces-verbaal met het nummer PL1527-2010-30259, onderzoek Zuringspanner, van de regiopolitie Haaglanden, Regionaal Milieuteam, met bijlagen. Het proces-verbaal is onderverdeeld in een Algemeen Dossier (hierna aangeduid met: AD), een Ambtshandelingen Dossier (AH), een Documenten Dossier (DD), een Verdachten Dossier; Rechtspersonen (VR) en Natuurlijke personen (VD) en een Getuigen Dossier (GD).

2 DD 297, AH-03-1 ev., DD-83-1 ev. en DD-83A-1 ev.

3 DD-228-104 t/m DD-228-114.

4 Sinds 23 mei 2013 staat artikel 17.1 Wm als economisch delict genoemd onder artikel 1a onder 1 van de WED.

5 AD-05-2, AH-67 en DD-23-01 ev., AH-94-01 ev.

6 DD-228-103 e.v.

7 DD-228-92 ev., DD-228-94 ev. en DD-83A-1 ev. (zie voetnoot 3)

8 DD-228-112

9 DD-30-01, DD-33-01, DD-35-01, DD-37-01, DD-39-01, DD-40-01, DD-43-01, DD-44-01, DD-45-01, DD-47-01, DD-50-01, DD-54-01, DD-55-01, DD-56-01, DD-57-01, DD-58-01, DD-59-01, DD-60-01, DD-61-01, DD-62-01, DD-100-01, DD-109 en AH-06

10 VD-05-01-3, VD-05-01-4, VD-05-01-5

11 VD-03-05-08

12 DD-50, DD-54, DD-55, DD-56, DD-57, DD-58, DD-59, DD-60, DD-61

13 DD-229, DD-230, DD-232, DD-233

14 DD 240-17, -18, -19, -20, -28, -43, -44, -45, -46, -47, -49, -50, -51, -53, -60, -61, -62, -65

15 DD-66 en DD-68

16 DD-38 en DD-53, DD-42 en DD-46

17 DD-49

18 GD-01-01-6 en GD-01-01-7 en GD-01-01-8

19 GD-01-03-7

20 GD-01-01-8

21 GD-01-02-2

22 GD-01-02-4

23 VD-05-01-7 en VD-05-01-9