Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
22-02-2021
Zaaknummer
C/09/548444 / KG ZA 18/177
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verwijzing Ouderschap Blijft en vaststellen voorlopige omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/548444 / KG ZA 18/177

Vonnis in kort geding van 20 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.A. van den Berg te Bleiswijk, gemeente Lansingerland.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord met vordering in reconventie;

- de op 13 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ter zitting is medegedeeld dat het vonnis uiterlijk op 23 maart 2018 zou worden gewezen. De vonnisdatum is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond.

2.2.

De vrouw is de moeder van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: de minderjarigen). De minderjarigen wonen bij de vrouw en zij oefent het gezag over hen uit. De man is de biologische vader van de minderjarigen. De man heeft de minderjarigen niet erkend.

2.3.

De relatie tussen partijen en de samenwoning zijn op of omstreeks 1 juni 2017 verbroken.

2.4.

Na het uiteengaan van partijen heeft tot oktober 2017 omgang plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen. Sinds oktober 2017 heeft de man geen contact meer gehad met de minderjarigen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

De man vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de man de minderjarigen ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur bij zich zal hebben, waarbij de man de minderjarigen vrijdagmiddag ophaalt bij school en de vrouw de minderjarigen zondagavond bij de man thuis ophaalt, uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Vanaf oktober 2017 is de communicatie tussen partijen verstoord geraakt, waardoor de man de minderjarigen niet meer heeft gezien. De weigering van de vrouw om de man omgang te laten hebben met de minderjarigen is beschadigend voor hen en onrechtmatig jegens de man. In het belang van de minderjarigen en de man moet de omgang zo snel mogelijk hervat worden. De man wil dat vooruitlopend op de uitkomst van een (op korte termijn in te stellen) bodemprocedure een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld.

3.3.

De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

In reconventie

3.4.

De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de man de minderjarigen eens per drie weken een weekend van vrijdag 14.30 uur tot zondag 17.00 uur bij zich zal hebben, waarbij hij de minderjarigen bij de vrouw haalt en terugbrengt.

3.5.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Het is niet in het belang van de minderjarigen om elk weekend bij de man te zijn. Enerzijds omdat er enkele maanden geen omgang is geweest en anderzijds omdat het in het belang van de kinderen is om ook contact te hebben met de vrouw in het weekend. De vrouw acht de door haar gevorderde regeling in het belang van de minderjarigen. De man moet daarbij het halen en terugbrengen van de minderjarigen voor zijn rekening nemen, omdat de vrouw niet over een auto beschikt.

3.6.

De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2.

Gebleken is dat de omgang in oktober 2017 is geëindigd door conflicten tussen partijen en dat ook thans nog sprake is van spanningen en slechte communicatie tussen partijen. Partijen zijn er nog niet in geslaagd in onderling overleg afspraken te maken over hervatting van de omgangsregeling en tot verbetering van hun onderlinge verstandhouding te komen. Zij hebben ter zitting allebei ingestemd met een verwijzing naar Ouderschap Blijft om, met het oog op de toekomst, hun onderlinge verstandhouding te verbeteren. De voorzieningenrechter acht een traject van partijen bij Ouderschap Blijft in het belang van de minderjarigen en zal dienovereenkomstig beslissen. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat ter zitting gebleken is dat partijen een andere beleving hebben van de wijze waarop gesprekken tussen hen verlopen. Tekenend voorbeeld daarvan is een gesprek dat in januari 2018 heeft plaatsgevonden. Volgens de man is dit gesprek goed verlopen, terwijl de vrouw aanleiding heeft gezien naar aanleiding van dat gesprek melding te doen bij de politie, omdat zij zich bedreigd voelde door de man. Dit verschil in beleving van de wijze waarop partijen met elkaar communiceren zal onderwerp moeten zijn van de gesprekken die in het traject Ouderschap Blijft gevoerd gaan worden. Omdat thans nog geen bodemprocedure is ingesteld en een bodemprocedure mogelijk (afhankelijk van het verloop van het traject bij Ouderschap Blijft) achterwege kan blijven, zal de voorzieningenrechter niet bepalen dat door het “Expertiseteam complexe zorg” in de bodemprocedure moet worden gerapporteerd. Indien een van partijen alsnog een bodemprocedure aanhangig maakt dienen partijen er zelf voor te zorgen dat de rapportage van het traject Ouderschap Blijft in de bodemprocedure wordt ingebracht.

4.3.

De verwijzing naar Ouderschap Blijft laat onverlet dat partijen het er blijkens de over en weer ingestelde vorderingen over eens zijn dat de omgang – ondanks hun onderlinge verstandhouding – thans weer kan worden hervat. De voorzieningenrechter acht het ook in het belang van de minderjarigen als zij op korte termijn weer contact hebben met de man. De standpunten van partijen over de frequentie, het halen en brengen en het eindtijdstip op zondag liggen echter uiteen. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent als volgt.

4.4.

De vrouw stelt naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat het in belang van de minderjarigen is als zij ook in het weekend contact met de vrouw hebben. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter niet bepalen dat de minderjarigen elk weekend bij de man zullen zijn. De stelling van de man dat hij elk weekend omgang wil hebben met het oog op de door hem uiteindelijke gewenste co-ouderschapsregeling leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. Ook als er in de toekomst sprake zou kunnen zijn van een co-ouderschapsregeling geldt immers dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij ook in het weekend contact met de vrouw kunnen hebben. Uitgangspunt bij een co-ouderschapsregeling is een gelijke verdeling van de zorg, hetgeen betekent dat de kinderen bij beide ouders ongeveer evenveel schooldagen als weekenddagen doorbrengen.

4.5.

De voorzieningenrechter zal ten aanzien van de frequentie van omgang bepalen dat de minderjarigen één keer per twee weken in het weekend bij de man zullen zijn. Dit is een gebruikelijke frequentie en door de vrouw is niet gesteld waarom een regeling van één keer in de twee weken niet in het belang van de minderjarigen zou zijn. Ten aanzien van de door de vrouw geuite zorgen over de woonsituatie van de man (bij zijn ouders, terwijl de moeder van de man volgens de vrouw depressief is en een suïcidepoging heeft gedaan) merkt de voorzieningenrechter op dat – zonder nadere onderbouwing – niet valt in te zien dat vanwege deze woonsituatie omgang één keer drie weken (zoals door de vrouw is gevorderd) wel in het belang van de minderjarigen is en één keer per twee weken niet. De voorzieningenrechter gaat er wel van uit dat, voor zover de stellingen van de vrouw op dit punt juist zijn, de man daarmee rekening houdt bij de zorg voor de minderjarigen.

4.6.

De voorzieningenrechter zal verder bepalen dat de man de minderjarigen op vrijdag op school ophaalt en gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw dat zij het in het belang van de minderjarigen wenselijk vindt als zij op vrijdag bij de vrouw thuis opgehaald worden. De voorzieningenrechter ziet hiertoe aanleiding omdat ter zitting gebleken is dat thans nog sprake is van spanningen tussen partijen. Door de minderjarigen op school op te halen worden partijen niet met elkaar geconfronteerd en worden de minderjarigen minder belast met de tussen partijen bestaande spanningen. De voorzieningenrechter zal voorts bepalen dat de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man ophaalt. Uitgangspunt is dat het halen en brengen gelijk tussen partijen wordt verdeeld en er is onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De stelling van de vrouw dat zij geen auto heeft en met het openbaar vervoer lang onderweg is, is daartoe ontoereikend. Gebleken is immers dat partijen allebei geen auto hebben en allebei soms de auto van een familielid kunnen lenen. Aangezien deze omstandigheden voor partijen gelijk zijn, valt niet in te zien dat het halen en brengen van de minderjarigen alleen op de man neer zou moeten komen. De voorzieningenrechter zal daarbij bepalen dat de vrouw de minderjarigen op zondag om 17.00 uur bij de man ophaalt, zodat zij en de minderjarigen – ook als de vrouw met het openbaar vervoer moet reizen – nog zodanig op tijd thuis zijn, dat de minderjarigen thuis kunnen acclimatiseren voor zij naar bed gaan.

4.7.

Ter zitting hebben partijen afspraken gemaakt over een omgangsmoment tussen de vader en de minderjarigen voor de datum van dit vonnis. Besproken is dat de minderjarigen op zaterdag 17 maart 2018 van 11.00 uur tot 18.00 uur bij de man zullen zijn, waarbij de man de minderjarigen bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat deze omgang zoals besproken plaats heeft gevonden.

4.8.

In de familierechtelijke aard van dit geding, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verwijst partijen, te weten:

[eiser] (vader),

wonende te [woonplaats 1] ,

bereikbaar via zijn advocaat mr. J.C. Herweijer (telefoonnummer: 070 – 336 00 20),

en

[gedaagde] (moeder),

wonende te [woonplaats 2] ,

bereikbaar via haar advocaat mr. A.A. van den Berg (telefoonnummer: 010 – 521 77 77)

naar “Expertiseteam complexe zorg” voor toeleiding en doorverwijzing naar Ouderschap Blijft voor het onder begeleiding voeren van oudergesprekken om hun onderlinge communicatie en vertrouwen te verbeteren en definitieve afspraken te maken over een omgangsregeling tussen de vader voornoemd en de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] ;

5.2.

bepaalt dat partijen zich binnen veertien dagen na dit vonnis melden bij “Expertiseteam complexe zorg” (adres als na te melden, telefoonnummer: 070-3082984);

5.3.

bepaalt dat partijen na het verkrijgen van een doorverwijzing naar het omgangshuis – Ouderschap Blijft – Begeleide Omgang Stichting Jeugdformaat, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW te Voorburg, gaan voor ouderschapsbemiddeling en het maken van definitieve afspraken over een omgangsregeling;

5.4.

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

“Expertiseteam complexe zorg”

T.a.v. C. Nieuwpoort en J.E. Baltus

Neherkade 3000

2521 VX Den Haag;

5.5.

bepaalt dat de minderjarigen voorlopig bij de man zullen zijn één keer per twee weken een weekend van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de minderjarigen op vrijdag uit school ophaalt en de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man ophaalt;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. Meeder en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

idt