Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
6767549/18-6164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

aanneming van werk. toepasselijkheid algemene voorwaarden. meerwerk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats 's-Gravenhage

vR

Rolnr. 6767549 \ RL EXPL 18-6164

17 oktober 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Roblaco B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. L.C.M. de Vos,

tegen

[naam eenmanszaak] ,

wonende en zaakdoende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Ypma.

Partijen worden aangeduid als Roblaco en [naam eenmanszaak] .

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 20 maart 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties.

Na de conclusie van antwoord in conventie/ eis in reconventie is een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking.

De kantonrechter heeft vervolgens kennisgenomen van de voorafgaand aan de comparitie van partijen door Roblaco ingezonden conclusie van antwoord in reconventie, met producties.

Bij brief van 6 juni 2018 heeft mr. De Vos namens beide partijen verzocht de zaak in behandeling te nemen op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De comparitie van partijen is gehouden op 7 juni 2018. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Een schikking is niet bereikt.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

1 Feiten in conventie en in reconventie

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1

Op verzoek van de heer [betrokkene] , toen medewerker van Roblaco, heeft [naam eenmanszaak] aan Roblaco een offerte uitgebracht voor het als onderaannemer uitvoeren van ‘gevelrenonovatiewerkzaamheden’ aan het flatgebouw, gelegen aan de Fazantstraat 2 t/m 112 te Alphen aan den Rijn. De uit te voeren werkzaamheden en de voor de uitvoering van de werkzaamheden door [naam eenmanszaak] bedongen prijzen zijn door [naam eenmanszaak] vermeld in de e-mail van 13 oktober 2016 gericht aan genoemde [betrokkene] .

1.2

Aan de hand van de door [naam eenmanszaak] verstrekte offerte heeft Roblaco een overeenkomst van onderaanneming opgesteld. Het gaat daarbij om een overeenkomst van aanneming van werk zoals bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.3

[naam eenmanszaak] heeft vervolgens de uitvoering van de werkzaamheden aangevangen in overeenstemming met de beschrijving in voormelde overeenkomst van onderaanneming.

1.4

Tussen partijen is afgesproken dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden de ramen van het flatgebouw door [naam eenmanszaak] zouden worden afgeschermd door gebruikmaking van hardboard platen.

1.5

Na aanvankelijk gebruik te hebben gemaakt van hardboard platen heeft [naam eenmanszaak] kort na aanvang van de werkzaamheden voor het afdekken van ramen geen gebruik meer gemaakt van die hardboard platen, maar heeft hij voor het afdekken van de ramen gebruik gemaakt van een folie.

1.6

De overeengekomen werkzaamheden zijn uitgevoerd. Roblaco heeft door [naam eenmanszaak] daarvoor gezonden facturen tot een totaalbedrag € 13.467,- onbetaald gelaten. Het betreft de navolgende facturen:
factuurnummer: datum: bedrag:
17700009 03-02-2017 € 7.930,50
17700021 24-03-2017 € 1.950,-
17700036 05-05-2017 € 5.586,50.
De facturen kennen een vervaldatum van 14 dagen.
Roblaco heeft voormelde facturen, ook na aanmaning daartoe, niet betaald. De gemachtigde van [naam eenmanszaak] heeft Roblaco gesommeerd tot betaling van de facturen. Daarnaast is Roblaco door of namens [naam eenmanszaak] gemaand en gesommeerd tot betaling van de hierna te vermelden factuur van [naam eenmanszaak] voor meerwerk en de door [naam eenmanszaak] gestelde geleden schade vanwege het doorbranden van gereedschappen.

1.7

Roblaco heeft [naam eenmanszaak] aansprakelijk gesteld voor beschadiging van ramen van het flatgebouw en aanspraak gemaakt op vergoeding van schade, voor welke schade Roblaco op haar beurt aansprakelijk is gesteld door de opdrachtgever van de in deze procedure bedoelde gevelrenovatiewerkzaamheden, te weten de vereniging van eigenaars van voormeld flatgebouw.

1.8

Roblaco stelt voormelde schade op een bedrag van € 28.830,86. Met dit bedrag verrekent Roblaco voormeld door [naam eenmanszaak] gefactureerde (totaal)bedrag van € 13.467,-, zodat Roblaco per saldo aanspraak maakt op betaling door [naam eenmanszaak] van een bedrag van € 15.213,86. [naam eenmanszaak] heeft dit laatst vermelde bedrag, ook na aanmaning en sommatie, niet betaald.

2 Vordering in conventie

Roblaco vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [naam eenmanszaak] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Roblaco te betalen een bedrag van € 16.141,-, met de wettelijke rente over € 15.123,86 vanaf 6 september 2017 tot de dag van de voldoening en met veroordeling van [naam eenmanszaak] in de kosten van de procedure, waaronder nakosten.

Roblaco legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen.

2.1

Bij de uitvoering van de werkzaamheden is door [naam eenmanszaak] in weerwil van wat is overeengekomen geen gebruik gemaakt van hardboard platen om ramen af te dekken. Als gevolg daarvan is schade ontstaan aan de ramen van het flatgebouw. [naam eenmanszaak] is aansprakelijk voor die schade en Roblaco heeft [naam eenmanszaak] ook daarvoor aansprakelijk gesteld. In totaal betreft het een groot aantal beschadigde ramen. Het herstel van die schade is aanvankelijk begroot. Inmiddels is een deel van de werkzaamheden uitgevoerd en zijn de kosten van dat gedeeltelijke herstel aan Roblaco gefactureerd. Deze facturen en de nu nog te verrichten werkzaamheden geven aan dat het begrote (en gevorderde) bedrag aan schade reëel is. [naam eenmanszaak] is dan ook gehouden voormeld bedrag van € 26.830,86 te voldoen. Na verrekening van de hiervoor bedoelde facturen van [naam eenmanszaak] resteert een bedrag van € 15.123,86 door [naam eenmanszaak] aan Roblaco te voldoen.

2.2

In de tussen partijen gesloten overeenkomst is bepaald dat betaling van de factuur van [naam eenmanszaak] eerst zal plaatsvinden dan nadat Roblaco van haar leverancier (Remmers)) een goedgekeurd rapport heeft ontvangen. Om vast te stellen of de werkzaamheden juist door [naam eenmanszaak] zijn uitgevoerd heeft Roblaco een zogenaamd ‘hydrofobeeronderzoek’ laten uitvoeren. De aan dit onderzoek verbonden kosten bedragen € 150,-. Roblaco maakt ten laste van [naam eenmanszaak] aanspraak op dit bedrag.

2.3

Bij de uitvoering van de werkzaamheden is schade ontstaan aan de rond het flatgebouw gelegen tuin. Deze schade bedraagt € 1.700,-. Roblaco is daarvoor aansprakelijk gesteld door de vereniging van eigenaars van het flatgebouw. Roblaco meent dat deze kosten voor rekening van [naam eenmanszaak] komen.

2.4

[naam eenmanszaak] is in verzuim. Roblaco maakt daarom aanspraak op wettelijke rente.

2.5

Omdat, ook na aanmaning daartoe, betaling door [naam eenmanszaak] uitbleef heeft de door Roblaco ingeschakelde incassogemachtigde [naam eenmanszaak] gesommeerd tot betaling. De kosten verbonden aan deze daadwerkelijk verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden bedragen € 927,14. Roblaco maakt aanspraak op vergoeding van deze kosten.

3 Verweer in conventie

[naam eenmanszaak] verweert zich tegen de vordering. Op dat verweer wordt hierna, zo nodig, ingegaan.

4 Vordering in reconventie

In reconventie vordert [naam eenmanszaak] dat Roblaco zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eenmanszaak] te betalen een bedrag van € 22.900,82, met de wettelijke handelsrente over € 21.906,75 vanaf de verzuimdata tot de dag van de voldoening en met veroordeling van Roblaco in de kosten van de procedure, waaronder nakosten.

[naam eenmanszaak] legt aan deze vordering naast voormelde vaststaande feiten het navolgende ten grondslag.

4.1

De overeengekomen werkzaamheden zijn naar behoren uitgevoerd. Roblaco is daarom gehouden de onderwerpelijke facturen van 3 februari 2017, 24 maart 2017 en 5 mei 2017 tot een totaalbedrag van € 13.476,- alsnog te voldoen.

4.2

Naast de overeengekomen werkzaamheden heeft Roblaco in opdracht dan wel met instemming van (de medewerker [betrokkene] en/of de directie van) Roblaco meerwerk uitgevoerd. De kosten van dat meerwerk belopen € 5.662,80. Roblaco is ook gebaat bij dat meerwerk. [naam eenmanszaak] maakt aanspraak op betaling van dat meerwerk, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

4.3

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zijn er meerdere stofzuigers en slijptollen doorgebrand als gevolg van een stroomstoring. De kosten voor het vervangen van de gereedschappen bedragen € 2.776,95. [naam eenmanszaak] maakt aanspraak op betaling van dit bedrag door Roblaco, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

4.4

[naam eenmanszaak] heeft Roblaco vergeefs gemaand tot betaling van voormelde bedragen. De gemachtigde van [naam eenmanszaak] heeft Roblaco vervolgens gesommeerd tot betaling van die bedragen. De kosten verbonden aan deze buitengerechtelijke werkzaamheden bedragen € 994,07. [naam eenmanszaak] maakt aanspraak op vergoeding van deze kosten.

5 Verweer in reconventie

Roblaco verweert zich tegen de vordering. Op dat verweer wordt hierna, zo nodig, ingegaan

6 Beoordeling

6.0

In conventie beloopt de vordering van Roblaco feitelijk de som van € 28.830,86. Gelet op het bepaalde in artikel 93 Rv is de kantonrechter in beginsel niet bevoegd om van de vordering van Roblaco kennis te nemen. Partijen hebben evenwel op voet van het bepaalde in artikel 96 Rv de kantonrechter verzocht in deze zaak te beslissen, waarbij beide partijen de mogelijkheid van hoger beroep behouden. In overeenstemming met dat verzoek zal de kantonrechter deze zaak beslissen.

In conventie:

6.1

Als meest verstrekkend verweer tegen de door Roblaco gevorderde schadevergoeding heeft [naam eenmanszaak] zich beroepen op de toepasselijkheid van de door hem gehanteerde algemene voorwaarden. Roblaco heeft gemotiveerd weersproken dat de door [naam eenmanszaak] gehanteerde algemene voorwaarden op de onderwerpelijke overeenkomst van toepassing zijn.

6.2

In deze procedure heeft [naam eenmanszaak] onweersproken aangevoerd dat partijen voorafgaand aan de totstandkoming van de onderwerpelijke overeenkomst gedurende een reeks van jaren zaken hebben gedaan waarbij [naam eenmanszaak] in opdracht van Roblaco werkzaamheden heeft uitgevoerd. Eveneens onweersproken heeft [naam eenmanszaak] in dit verband gesteld dat op alle ter zake van die werkzaamheden door hem aan Roblaco gezonden facturen en aan door hem aan Roblcaco gezonden brieven steeds is vermeld dat [naam eenmanszaak] de werkzaamheden uitvoert onder toepasselijkheid van de door hem gehanteerde algemene voorwaarden. Uit deze feitelijke gang van zaken leidt de kantonrechter af dat Roblaco de gelding van die door [naam eenmanszaak] gehanteerde algemene voorwaarden (steeds) heeft aanvaard. Niet is gesteld of gebleken dat Roblaco de toepasselijkheid van die voorwaarden bij de totstandkoming van de onderwerpelijke overeenkomst heeft uitgesloten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de door [naam eenmanszaak] gehanteerde algemene voorwaarden op de onderwerpelijke overeenkomst van partijen van toepassing zijn.

6.3

In artikel 12 lid 9 sub c van die voorwaarden is bepaald dat de wederpartij (in dit geval Roblaco) diens rechten jegens de gebruiker (in dit geval [naam eenmanszaak] ) verliest, aansprakelijk is voor alle schade en de gebruiker vrijwaart tegen iedere aanspraak van derden ter zake van schadevergoeding indien en voor zover voormelde schade is ontstaan door aanwijzingen van of namens de wederpartij. [naam eenmanszaak] stelt in dit verband dat hij op aanwijzingen en instructie van (de medewerker [betrokkene] en/of de directie van) Roblaco geen gebruik (meer) heeft gemaakt van hardboard platen, maar zich heeft bediend van een beschermende folie. Verder heeft [naam eenmanszaak] aangevoerd dat (de medewerker [betrokkene] en/of de directie van) Roblaco in ieder geval meermalen bij de uitvoering van de werkzaamheden door [naam eenmanszaak] aanwezig zijn geweest en daar toen steeds hebben kunnen zien dat [naam eenmanszaak] gebruik maakte van beschermende folie. Van de zijde van Roblaco is toen nimmer aangegeven dat het gebruik van de folie in strijd was met de gemaakte afspraken.

6.4

Roblaco heeft betwist dat door haar directie aan [naam eenmanszaak] de opdracht en instructie is gegeven om niet langer gebruik te maken van hardboard platen bij de uitvoering van de werkzaamheden. [betrokkene] is niet langer werkzaam bij Roblaco en Roblaco heeft daarom bij [betrokkene] (nog) geen navraag kunnen doen ten aanzien van het door [naam eenmanszaak] ter zake gestelde.

6.5

In deze procedure staat vast dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben afgesproken dat [naam eenmanszaak] bij de uitvoering van de werkzaamheden gebruik diende te maken van beschermende hardboard platen. Ook staat vast dat [naam eenmanszaak] op enig moment geen gebruik meer heeft gemaakt van die hardboard platen. In beginsel is [naam eenmanszaak] daarom aansprakelijk te houden voor de schade die als gevolg van het weglaten van die platen het gevolg is. Echter: Indien inderdaad door [naam eenmanszaak] geen gebruik meer is gemaakt van die platen in opdracht en na instructie van of namens Roblaco, dan heeft te gelden dat het bepaalde in artikel 12 lid 9 sub c van de toepasselijke algemene voorwaarden opgaat. In dat geval kan [naam eenmanszaak] niet aansprakelijk worden gehouden voor die schade.

6.6

Gelet op de gemotiveerde betwisting van Roblaco dat door of namens haar de opdracht dan wel instructie is gegeven het gebruik van de hardboard platen achterwege te laten ligt het op de weg van [naam eenmanszaak] om de juistheid van zijn stelling dienaangaande te bewijzen. [naam eenmanszaak] wordt dan ook toegelaten tot na te melden bewijslevering.

6.7

Beoordeling van het verweer van [naam eenmanszaak] dat hij evenmin aansprakelijk is voor de eventuele schade, omdat hij heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht zoals bedoeld in artikel 7:754 BW door Roblaco erop te wijzen dat de te gebruiken folie in de plaats van hardboard platen weliswaar een aanvaardbare bescherming biedt volgens opgave van de leverancier van de folie, maar ook dat folie niettemin minder bescherming biedt dan hardboard platen, waar bij komt dat Roblaco zelf ook werkzaam is in de branche en dus ook zelf de risico’s van het gebruik van folie redelijkerwijs behoorde te kennen, is eventueel aan de orde na voormelde bewijslevering door [naam eenmanszaak] . Het oordeel daarover wordt dan ook aangehouden.

6.8

Indien [naam eenmanszaak] niet slaagt in de hem te geven bewijsopdracht komt voorts aan de orde de vraag of, en zo ja, welke schade is geleden door het achterwege laten van de hardboard platen bij de uitvoering van de werkzaamheden.

6.9

[naam eenmanszaak] heeft betwist dat er sprake is van schade in de omvang zoals die door Roblaco is gesteld. Er was slechts sprake van geringe schade (her en der lichte dan wel nihil straalschade en slechts enkele inslagspiksels). Het door Roblaco overgelegde inspectierapport van Avéro Achmea kan in dit verband geen basis vormen voor de schadebepaling, omdat in dat rapport wordt uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. In dat rapport wordt geen rekening ermee gehouden dat het niet gebruiken folie in plaats van hardboard platen geschiedde na opdracht en instructie van Roblaco. Roblaco heeft de door haar geleden schade overigens ook niet onderbouwd. Een offerte van uit te voeren werkzaamheden en enkele facturen zijn onvoldoende om de hoogte van de gestelde schade aan te nemen, alles aldus [naam eenmanszaak] .

6.10

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de aard en de omvang van de schade ligt het op de weg van Roblaco om te bewijzen dat er sprake is van de door haar gestelde schade en ook dat de door haar gestelde schade het gevolg is van het handelen van [naam eenmanszaak] . Daarnaast dient Roblaco het gevorderde schadebedrag deugdelijk te onderbouwen. Reeds nu wordt overwogen dat bij de vaststelling van de hoogte van het schadebedrag dient te worden meegenomen dat het kennelijk gaat om schade aan veelal enkele beglazing met een al wat langere levensduur. ‘Nieuw voor oud’ kan daarbij aan de orde zijn.

6.11

[naam eenmanszaak] heeft betwist aansprakelijk gehouden te kunnen worden voor de door Roblaco gestelde schade aan de tuin bij het flatgebouw. Tegenover deze gemotiveerde betwisting ligt het op de weg van Roblaco om de door haar gestelde aansprakelijkheid te onderbouwen. Roblaco heeft dat nagelaten. De conclusie daarvan is dat dit deel van de vordering van Roblaco als ongegrond wordt afgewezen.

6.12

[naam eenmanszaak] heeft verder onweersproken aangevoerd dat er geen rechtsgrond bestaat voor de door Roblaco gevorderde vergoeding van onderzoekskosten ten bedrage van € 150,-. De kantonrechter volgt [naam eenmanszaak] in dat verweer. Uit niets blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de door Roblaco gestelde goedkeuring door haar leverancier een voorwaarde is voor de betaling van de aanneemsom. Roblaco heeft daaromtrent geen onderbouwing aangedragen. Verder blijkt nergens uit dat tussen partijen is overeengekomen dat [naam eenmanszaak] gehouden is de door Roblaco gevorderde onderzoekskosten te voldoen. Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

6.13

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

In reconventie

6.14

In deze procedure staat als door Roblaco erkend vast dat aan [naam eenmanszaak] ter zake van door hem uitgevoerde werkzaamheden nog een bedrag van € 13.467,- toekomt. In beginsel is deze vordering van [naam eenmanszaak] daarom toewijsbaar.

6.15

Roblaco heeft bij wege van verweer evenwel een beroep op verrekening gedaan met de door haar in conventie gevorderde schadevergoeding. De uitkomst van de procedure in conventie is bepalend voor het antwoord op de vraag of het door haar gedane beroep op verrekening slaagt. In afwachting van de uitkomst van de procedure in conventie zal daarom de veroordeling van Roblaco tot betaling van het bedrag van € 13.467 worden aangehouden.

6.16

[naam eenmanszaak] maakt aanspraak op betaling van een bedrag van € 5.662,80 ter zake van door hem geleverd meerwerk. Als meest verstrekkend verweer heeft Roblaco gewezen op het dwingendrechtelijk bepaalde in artikel 7:755 BW. Ingevolge dat artikel diende volgens Roblaco meerwerk door [naam eenmanszaak] te worden geoffreerd voordat werd gestart met de uitvoering van de werkzaamheden; [naam eenmanszaak] heeft het meerwerk niet geoffreerd en Roblaco heeft nimmer de goedkeuring gegeven voor het door [naam eenmanszaak] gestelde meerwerk. Voor Roblaco leidt een en ander tot de conclusie dat zij de door [naam eenmanszaak] gevorderde betaling voor het meerwerk niet verschuldigd is.

6.17

De kantonrechter volgt Roblaco niet in dat verweer. Weliswaar volgt uit artikel 7:755 BW dat [naam eenmanszaak] als aannemer slechts een verhoging van de prijs kan vorderen wanneer hij Roblaco tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, maar ook volgt uit datzelfde wetsartikel dat die regel niet opgaat als de opdrachtgever de noodzaak van dat meerwerk uit zichzelf had moeten begrijpen. De kantonrechter is van oordeel dat van dat laatste geval sprake is. [naam eenmanszaak] heeft immers uiteengezet welke meerwerkzaamheden hij heeft uitgevoerd en ook dat hij dat veelal deed na overleg met ( [betrokkene] en/of de directie van) Roblaco. Gelet op het feit dat Roblaco werkzaam is in dezelfde branche als [naam eenmanszaak] moet Roblaco geacht worden volledig de noodzaak van de meerwerkzaamheden uit zichzelf te hebben begrepen.

6.18

Verder heeft Roblaco tegen de gevorderde betaling van meerwerk aangevoerd dat van meerwerk geen sprake is. Voor de uitgevoerde werkzaamheden zijn door Roblaco bonnen uitgeschreven en na ontvangst van de vervolgens door [naam eenmanszaak] uitgeschreven facturen zijn deze facturen door Roblaco betaald. Daarnaast betwist Roblaco dat delen van het werk daadwerkelijk door [naam eenmanszaak] zijn uitgevoerd. [naam eenmanszaak] was ingevolge de overeenkomst gehouden reinigingswerkzaamheden uit te voeren. Roblaco heeft zelf reinigingswerkzaamheden en schuurwerkzaamheden verricht en daarnaast waterkolommen in de gevel dicht gemetseld, alles aldus Roblaco.

6.19

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [naam eenmanszaak] gemotiveerd de opbouw van zijn factuur voor het meerwerk uiteengezet. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
Voor een deel ziet die factuur op de te lage vergoeding die bij eerdere facturen door Roblaco was aangehouden voor het uithakken van stenen. In plaats van de overeengekomen prijs van € 11,50 betaalde Roblaco een bedrag van € 9,-, Het verschil van € 2,50 per uitgehakte steen is door [naam eenmanszaak] op de meerwerkfactuur in rekening gebracht.
Aan de gevel van het flatgebouw aanwezige rolluiken waren niet tijdig door Roblaco verwijderd. [naam eenmanszaak] heeft vóór de uitvoering van de werkzaamheden met regelmaat vergeefs aan Roblaco verzocht die rolluiken te verwijderen. Nadat het werk was uitgevoerd werden de rolluiken alsnog verwijderd en diende [naam eenmanszaak] de werkzaamheden achter die rolluiken alsnog uit te voeren. Daardoor waren extra reinigings- en straalwerkzaamheden nodig. De kosten van die extra werkzaamheden heeft [naam eenmanszaak] aan Roblaco berekend.

6.20

Roblaco heeft de juistheid van die nadere uiteenzetting niet dan wel niet voldoende weersproken. Dat Roblaco ook zelf reinigings- en schuurwerkzaamheden heeft verricht en een waterkolom heeft dichtgemetseld laat onverlet dat [naam eenmanszaak] ook dergelijke werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [naam eenmanszaak] op goede gronden aanspraak maakt op betaling van de factuur voor het verrichten van meerwerk. In beginsel is dit deel van de vordering dan ook toewijsbaar.

6.21

Ook hier geldt dat Roblaco een beroep op verrekening gedaan met de door haar in conventie gevorderde schadevergoeding. De uitkomst van de procedure in conventie is bepalend voor het antwoord op de vraag of het door haar gedane beroep op verrekening slaagt. In afwachting van de uitkomst van de procedure in conventie zal daarom ook de veroordeling van Roblaco tot betaling van het bedrag van € 5.662,80 voor meerwerk worden aangehouden.

6.22

[naam eenmanszaak] heeft, hoewel dat van hem mocht worden verwacht, niet dan wel onvoldoende gesteld op grond waarvan hij van mening is dat Roblaco aansprakelijk te houden is voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het doorbranden van elektrische gereedschappen. Met name is niet gesteld of gebleken wat partijen feitelijk zijn overeengekomen ( minimaal en maximaal te leveren capaciteit/maximale belasting) met betrekking tot de stroomvoorziening. De enkele stelling van [naam eenmanszaak] dat hij schade heeft geleden door de ondeugdelijke stroomvoorziening door Roblaco op de werkplek omdat er sprake was van piekstroom is daarvoor niet genoeg. Reeds daarom wordt dit deel van de vordering van [naam eenmanszaak] afgewezen.

6.23

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

de kantonrechter:

In conventie

1. laat [naam eenmanszaak] toe te bewijzen, dat [betrokkene] en/of (een van de) directieleden van Roblaco aan [naam eenmanszaak] hebben opgedragen bij de uitvoering van de werkzaamheden niet langer gebruik te maken van hardboard platen, maar van beschermende folie;

en indien [naam eenmanszaak] niet slaagt in het leveren van voormeld bewijs:

2. laat Roblaco toe te bewijzen:
a) de aard van de door haar gestelde schade,
b) dat [naam eenmanszaak] die schade heeft veroorzaakt en
c) de omvang van die door haar gestelde schade;

en verder in alle gevallen:

3. verwijst deze zaak naar de civiele rolzitting van deze rechtbank, Team Kanton Den Haag, van woensdag 14 november 2018 te 11.00 uur, teneinde:

  • -

    [naam eenmanszaak] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten of hij bewijs wenst te leveren, dan wel dat hij om hem moverende redenen van die bewijslevering wenst af te zien;

  • -

    Roblaco in de gelegenheid te stellen zich uit te laten of zij bewijs wenst te leveren, dan wel dat zij om haar moverende redenen van die bewijslevering wenst af te zien;

4. indien [naam eenmanszaak] bewijs wenst te leveren door het voorbrengen van getuigen, dan dient hij opgave te doen van de namen en woonplaatsen van die getuigen onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en hun gemachtigden, alsmede van de getuigen in de periode november en december 2018;

5. de dagbepaling voor het eventuele verhoor van de door Roblaco voor te brengen getuigen in het kader van de aan haar (voorwaardelijk) verstrekte bewijsopdracht vindt plaats ná de (eventuele) getuigenverhoren in het kader van de bewijsopdracht aan [naam eenmanszaak] (enquête en contra-enquête);

6. houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Dam, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.