Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16458

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
6479377 RL EXPL 17-28823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van het incassobureau wordt afgewezen. Overeenkomst van opdracht, redelijk loon. Niet is gebleken dat het incassobureau de werkzaamheden heeft verricht zoals op de gevorderde facturen vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

FH

Zaak-/rolnr.: 6479377 RL EXPL 17-28823

19 juni 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Invorderingsbedrijf B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Plein 9 A B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. R.J.M. Lenstra.

Partijen worden hierna genoemd “Invorderingsbedrijf” en “Plein 9 A”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 1 november 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord.

1.2.

Op 2 mei 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen de heer [gemachtigde] namens de gemachtigde van Invorderingsbedrijf en namens Plein 9 A de heer [betrokkene 1] (bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder) vergezeld van de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis, na aanhouding, bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Invorderingsbedrijf drijft een kredietinformatie- en incassobureau.

2.2.

Plein 9 A exploiteert een restaurant op het Plein in Den Haag genaamd Café Restaurant Luden.

2.3.

Op 24 maart 2017 heeft een borrel bij Plein 9 A plaatsgevonden van de [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ). [betrokkene 4] heeft de factuur van € 1.043,85 betreffende de borrel onbetaald gelaten.

2.4.

In verband met de incassering van voormelde factuur heeft mevrouw [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), werknemer bij Plein 9 A, op 12 juni 2017 een aanmeldformulier ingevuld en bij Invorderingsbedrijf ingediend.

2.5.

Bij e-mail van 23 juni 2017 stuurt Invorderingsbedrijf een factuur aan Plein 9 A met nummer 12726385 ten bedrage van € 478,97 (inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit kosten voor het opstellen van de dagvaarding ad € 274,00 en betekening van de dagvaarding ad € 121,84 (beide bedragen exclusief btw).

2.6.

Namens Plein 9 A bericht [betrokkene 2] Invorderingsbedrijf per e-mail van 9 augustus 2017 dat de opdracht voor de invordering wordt ingetrokken. Bij e-mail van 11 augustus 2017 schrijft [betrokkene 2] :

“Wij weten zeker dat wij de vordering intrekken, maar wij zijn geenszins van plan om jullie iets te betalen.

Wij zijn totaal niet tevreden met de gang van zaken, eerst bleek de vordering zoek te zijn, waardoor er pas na 3 weken enige actie werd ondernomen.

En dan de dagvaarding die er nog steeds niet uit is, omdat jullie eerst de betaling verwachten? Wij zijn helaas het vertrouwen in jullie kwijt geraakt en jullie hebben onze verwachting niet waar gemaakt. (…)”

2.7.

Hierna stuurt Invorderingsbedrijf in de bijlage bij de e-mail van 11 augustus 2017 een credit factuur aan Plein 9 A met nummer 12727243 ten bedrage van € 478,97 (inclusief btw) en voorts een factuur met nummer 12727244 ten bedrage van € 521,00 (inclusief btw). Laatstgenoemde factuur bestaat uit incassokosten/VW II ad € 156,58 en opstellen dagvaarding ad € 274,00 (beide bedragen exclusief btw).

2.8.

Op 21 augustus 2017 verzoekt [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) namens Plein 9 A Invorderingsbedrijf om de vordering toch door te zetten. Op 28 augustus 2017 vraagt [betrokkene 2] Invorderingsbedrijf om een reactie op die mail. Vervolgens schrijft [betrokkene 2] in de e-mail van 1 september 2017 onder meer:

“Bij deze dus weer de mededeling dat wij niet meer met jullie willen samenwerken.

Wij zijn niet voornemens enig bedrag naar jullie over te maken.”

2.9.

Vervolgens heeft Invorderingsbedrijf de vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde en is Plein 9 A in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de laatste factuur van € 521,00.

3 Vordering, grondslag en verweer

3.1.

Invorderingsbedrijf vordert veroordeling van Plein 9 A bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Invorderingsbedrijf te betalen een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de (restant) hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Plein 9 A in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

Invorderingsbedrijf legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Invorderingsbedrijf en Plein 9 A hebben een service overeenkomst gesloten (abonnement) waarbij Plein 9 A tegen betaling van een jaarbijdrage en tegen de overeengekomen voorwaarden en tarieven incassozaken aan Invorderingsbedrijf uit handen kan geven, die Invorderingsbedrijf dan buitengerechtelijk zal behandelen tegen de overeengekomen voorwaarden en tarieven. Nadat Plein 9 A de aan Invorderingsbedrijf verstrekte opdracht heeft ingetrokken, heeft Invorderingsbedrijf conform artikel 9.3 van de algemene voorwaarden een eindafrekening ten bedrage van € 521,00 aan Plein 9 A gestuurd. Plein 9 A schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst doordat zij deze factuur onbetaald heeft gelaten. Invorderingsbedrijf vordert voorts op grond van artikel 6:96 BW interne invorderingskosten van € 40,00 en externe invorderingskosten (incassokosten) van € 78,15, te vermeerderen met de btw hierover van
€ 24,81. Ten slotte maakt Invorderingsbedrijf aanspraak op vergoeding van contractuele rente van 2 % per maand op grond van artikel 13.3 van de algemene voorwaarden, welke rente tot de dag van dagvaarding is vastgesteld op € 39,05. De vordering bedraagt aldus in totaal € 703,01.

3.3.

Invorderingsbedrijf heeft om haar moverende redenen de vordering beperkt tot
€ 500,00 en haar rechten ten aanzien van het meerdere uitdrukkelijk gereserveerd.

4 Verweer

4.1.

Plein 9 A heeft, kort samengevat, als verweer aangevoerd dat geen sprake is van een serviceovereenkomst, maar dat uit het aanmeldformulier blijkt dat het om één incassozaak gaat. Daarnaast vertegenwoordigt op grond van artikel 2:240 BW het bestuur de vennootschap en is de enig statutair bestuurder van Plein 9 A de heer [betrokkene 1] . [betrokkene 2] was niet bevoegd tot het sluiten van de overeenkomst zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Voor het geval zou worden geoordeeld dat wel sprake is van een overeenkomst, dan heeft Plein 9 A de overeenkomst ontbonden dan wel opgezegd. Er zijn geen werkzaamheden verricht door Invorderingsbedrijf. De algemene voorwaarden zijn voorts niet van toepassing omdat geen overeenkomst tot stand is gekomen, danwel omdat deze algemene voorwaarden niet overhandigd zijn. Indien de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, dan geldt dat artikel 9.3 niet van toepassing is omdat niet aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Plein 9 A heeft de opdracht niet ingetrokken maar ontbonden vanwege de toerekenbare tekortkoming. Voor zover wel geldt dat Plein 9 A de opdracht heeft ingetrokken, dan is sprake van een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:237 sub i BW. De gehanteerde tarieven en de voor het eerst in de dagvaarding gestelde jaarbijdrage stroken niet met de vermelding op de website: “Het Invorderingsbedrijf is een incassobureau op basis van No Cure No Pay.” Voor zover geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding, dan heeft Invorderingsbedrijf slechts
€ 156,58 te vorderen, dat is 15 % van de incassovordering van € 1.043,85.

5 Beoordeling

Vertegenwoordigingsbevoegdheid

5.1.

Het meest verstrekkende verweer van Plein 9 A is dat [betrokkene 2] niet bevoegd was om Plein 9 A te vertegenwoordigen. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

5.2.

Hoewel Invorderingsbedrijf dat niet met zoveel woorden heeft benoemd, begrijpt de kantonrechter dat Invorderingsbedrijf zich beroept op de schijn van volmachtverlening. Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:61 lid 2 BW. Voor een geslaagd beroep op dit artikel is vereist dat Invorderingsbedrijf redelijkerwijs mocht aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was Plein 9 A vertegenwoordigen. Bij het antwoord op de vraag of aan dit vereiste is voldaan, mag niet uit het oog worden verloren dat Invorderingsbedrijf geen willekeurige deelnemer is aan het economisch verkeer, maar een incassobureau dat zich onder meer toelegt op het geven van juridisch advies. Van een incassobureau mag verwacht worden dat zij zich er van vergewist dat degene met wie zij in het kader van een haar verleende opdracht contact heeft ook bevoegd is de opdrachtgever rechtsgeldig te vertegenwoordigen.

5.3.

In dit verband heeft de gemachtigde van Invorderingsbedrijf ter comparitie toegelicht dat Invorderingsbedrijf de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] heeft afgeleid uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Daarin staat vermeld:

“Er kunnen functionarissen zijn die een uitsluitend tot vestigingen beperkte bevoegdheid hebben (…)”. Invorderingsbedrijf heeft echter te snel de conclusie getrokken dat [betrokkene 2] bevoegd was, nu in het tweede deel van de zin staat vermeld: “deze worden alsdan vermeld op het uittreksel van de betreffende vestiging(en).”.

Niet gesteld of gebleken is dat [betrokkene 2] op zodanige wijze staat vermeld.

5.4.

In de brief van 19 september 2017 schrijft de gemachtigde van Plein 9 A echter niets over het ontbreken van een toereikende volmacht. Sterker nog, hij schrijft dat cliënte (Plein 9 A) Invorderingsbedrijf een opdracht heeft gegeven. Onder die omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat de schijn van volmachtverlening jegens Invorderingsbedrijf is gewekt.

Algemene voorwaarden

5.5.

Anders dan door Plein 9 A is aangevoerd, zijn naar het oordeel van de kantonrechter de algemene voorwaarden wel van toepassing. Door ondertekening van het aanmeldformulier heeft [betrokkene 2] namens Plein 9 A zich immers akkoord verklaard met de algemene voorwaarden en tarieven en waren de algemene voorwaarden en tarieven via een zogenaamde hyperlink benaderbaar.

5.6.

In artikel 9.3 van de algemene voorwaarden is bepaald:

“Indien Cliënt een incasso-opdracht intrekt, buiten het Invorderingsbedrijf om een betalingsregeling treft met de Debiteur, met de Debiteur een schikking treft, het Invorderingsbedrijf zonder enig bericht laat, de betaling zelf regelt dan wel een verdere incassobehandeling in de weg staat, is het Invorderingsbedrijf niettemin gerechtigd over de gehele haar ter incasso gestelde vordering 15 % commissie, een bedrag van € 25,- (exclusief BTW) aan registratiekosten en overige kosten – waaronder onder meer alle verschuldigde kosten van derden, zoals buitendienst, leges, proceskosten en executiekosten – in rekening te brengen.”

Van een ontbinding, zoals door Plein 9 A is aangevoerd, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Immers schrijft Plein 9 A in haar e-mail van 11 augustus 2017 (zoals weergegeven onder 2.6) dat zij de vordering intrekt. Dat zij bedoelde de overeenkomst te ontbinden, kan de kantonrechter niet uit de overgelegde e-mailcorrespondentie afleiden.

5.7.

Plein 9 A heeft voorts aangevoerd dat artikel 9.3 van de algemene voorwaarden een onredelijk bezwarend beding is in de zin van artikel 6:237 sub i BW. Uit de aanhef van artikel 6:237 BW blijkt dat dit artikel geldt voor situaties waarin sprake is van een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Plein 9 A kan niet worden aangemerkt als een natuurlijk persoon zodat dit artikel buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Redelijk loon

5.8.

De overeenkomst tussen Invorderingsbedrijf en Plein 9 A kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW en verder. Op grond van artikel 7:408 BW is bepaald dat als de opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden.

5.9.

Uit de factuur als genoemd onder 2.7 volgt dat Invorderingsbedrijf aanspraak maakt op een vergoeding voor incassokosten conform de algemene voorwaarden en een vergoeding voor het opstellen van de dagvaarding. Uit niets blijkt echter dat Invorderingsbedrijf een dagvaarding heeft opgesteld. Aldus zijn de kosten die Invorderingsbedrijf in dat verband vordert ten onrechte.

5.10.

Plein 9 A heeft voorts onbetwist aangevoerd dat zij geen inzage heeft gekregen in de door Invorderingsbedrijf gestelde met [betrokkene 4] gevoerde correspondentie. Dat er werkzaamheden aan de in de factuur genoemde incassokosten ten grondslag liggen, is aldus niet gebleken. Van Invorderingsbedrijf, die op haar website adverteert met de slogan “No cure no pay”, had wel mogen worden verwacht dat zij deze informatie beschikbaar zou stellen, zodat kan worden vastgesteld dat Invorderingsbedrijf daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht.

5.11.

Gezien het vorenstaande zullen de vorderingen van Invorderingsbedrijf worden afgewezen.

5.12.

Invorderingsbedrijf zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6 Beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt Invorderingsbedrijf in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Plein 9 A vastgesteld op € 120,00 als het aan de gemachtigde van Plein 9 A toekomende salaris, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2018.