Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16407

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
2951565 CV14-1935
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Effectenlease, zogeheten “Waiver-zaak”. Dexia vordert dat bij vonnis voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de tussen haar en de afnemer gesloten leaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan. De afnemer voert aan dat de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomsten niet kunnen worden behandeld en beslist omdat er nog immer onduidelijkheden bestaan over de juridische toetsings- en beoordelingskaders. De kantonrechter heeft de zaak wel inhoudelijk behandeld en beslist en wijst de vordering van Dexia toe. Geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99. Geen sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last. Artikel 3 van de leaseovereenkomsten behelst geen oneerlijk beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

FV

Rolnr.: 2951565 \ CV EXPL 14-1935

Datum: 17 mei 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. van Staveren (USG Legal Professionals),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

Partijen zullen hierna “Dexia” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.

Procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-

de dagvaarding van 20 maart 2014 met producties,

-

de conclusie van antwoord met producties,

-

de conclusie van repliek met producties,

-

de conclusie van dupliek met producties,

-

de akte met aanvullende producties van [gedaagde] ,

-

de akte uitlating producties tevens houdende akte vermindering van eis van Dexia met productie,

-

de rolbeslissing van 4 mei 2017,

-

de door Dexia genomen akte uitlaten en de gelijktijdig door [gedaagde] genomen akte uitlaten arresten Hoge Raad met producties.

Op 17 augustus 2015 heeft een pleidooi-zitting plaatsgevonden, bij welke gelegenheid de gemachtigden van partijen aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota’s onder andere de onderhavige zaak nader hebben toegelicht. Van het verhandelde op deze zitting is door de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Het vonnis is bepaald op heden.

Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

a

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b

[gedaagde] heeft de navolgende effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten (hierna: de leaseovereenkomsten):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

23001352

28-5-2001

Allround Effect Vooruitbetaling 15 jaar

180 mnd

€ 49.008,60

23001353

28-5-2001

Allround Effect Vooruitbetaling 15 jaar

180 mnd

€ 49.008,60

c

In de leaseovereenkomsten is in artikel 3 en 4 het navolgende bepaald:

“3. Lessee kan deze leaseovereenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom. Bij beëindiging binnen deze 60 maanden zal naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom met de verkoopopbrengst van de waarden, door lessee een bedrag verschuldigd zijn gelijk aan 50% van de nog niet verstreken bruto maandtermijnen t/m de 60e maand, vermeerderd met 20% van de reeds verstreken bruto maandtermijnen en verminderd met de nog niet verstreken vooruitbetaalde bruto maandtermijnen. Onder bruto maandtermijnen wordt verstaan de maandtermijnen zonder korting.

4. De lease-som t/m de 60e maand bedraagt:

a) De som van 60 maandtermijnen minus 20% korting: € 13.069,20 / f. 28.800,73 (…)

Deze termijn dient te worden voldaan na ondertekening van deze lease-overeenkomst (…).”

Artikel 5 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna: de algemene voorwaarden), die op de leaseovereenkomsten van toepassing zijn verklaard, luidt als volgt:

“5. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst (…), of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke lease-overeenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(-men) uit hoofde van alle lopende lease-overeenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de Bank te bepalen moment. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.”

Artikel 11 van de algemene voorwaarden, luidt als volgt:

“11. In geval van tussentijdse beëindiging door lessee zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A: art. 1576e lid 2 BW. Een eventueel tekort zal alsdan door lessee binnen 14 dagen na dagtekening van de afrekening worden voldaan.”

d

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

23001352

7 oktober 2004

- € 3.394,11

23001353

7 oktober 2004

- € 3.394,11

e

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomsten

€ 26.138,40 aan Dexia aan inleg vooruitbetaald en achteraf € 6.788,22 aan restschuld. Voorts heeft [gedaagde] op of omstreeks 13 januari 2012 ter nadere afrekening € 6.214,26 van Dexia ontvangen.

f

Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [gedaagde] is aan Dexia meegedeeld dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

g

Bij brief van 28 januari 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een einde wilde maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde] . Dexia heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens hem heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd is.

h

Op de voormelde brief van 28 januari 2014 van Dexia is binnen de daarin genoemde termijn geen antwoord gevolgd van [gedaagde] .

Vordering

Dexia vordert - na vermindering van eis - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, voor recht wordt verklaard dat zij met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers 23001352 en 23001353 niets meer verschuldigd is, althans te verklaren voor recht dat zij slechts gehouden is te voldoen hetgeen zij onder het Hofmodel verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Hetgeen Dexia ter toelichting van deze vordering heeft gesteld komt op het volgende neer.
Dexia ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten leaseovereenkomsten.

Verweer

Het verweer, waarmee [gedaagde] de vordering heeft bestreden, zal - voor zover daaraan wordt toegekomen - hierna aan de orde komen.

Beoordeling
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers - waaronder [gedaagde] - aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effecten(lease)overeenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen maakt deel uit van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel is en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en de gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of er nog sprake is van aanspraken van [gedaagde] jegens Dexia en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

Naar aanleiding hiervan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraak van [gedaagde] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de leaseovereenkomsten), dat méér dan 16 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer acht jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] een vordering op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] worden geacht reeds vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid te hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vordering op Dexia te onderzoeken.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad en de hoven - dan wel in de daarna uitgesproken arresten - is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] . Een dergelijke mogelijkheid is immers altijd aanwezig, ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft. Voor zover [gedaagde] van mening is dat hij nog een vorderingsrecht jegens Dexia heeft dan is hij voldoende in de gelegenheid geweest om een daartoe strekkend verweer in conventie te voeren en/of een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van zijn aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM - wat daar verder ook van zij - kan dan ook geen sprake zijn.

Er bestaat geen aanleiding voor een aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomsten worden behandeld en beslist.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt. Dit is evenmin in strijd met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op de vordering van Dexia zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Advisering door Spaar Select

Partijen zijn het er over eens dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen door tussenkomst van Spaar Select B.V. (hierna: Spaar Select).

Volgens [gedaagde] heeft een medewerker van Spaar Select hem thuis bezocht. [gedaagde] stelt aan deze verkoper van Spaar Select te hebben meegedeeld dat hij wilde sparen. De verkoper van Spaar Select adviseerde hem daarop om de leaseovereenkomsten aan te gaan. Daarmee zou een mooi bedrag vrijvallen waarmee hij zijn doelstellingen kon verwezenlijken. De verkoper verzekerde hem dat dit een uitstekende vorm van sparen was, waaraan geen risico’s waren verbonden maar wel een kans op een beter rendement dan gewoon sparen. De medewerker overtuigde [gedaagde] dat hij zijn hypotheek moest verhogen om daarmee de vijf jaar aan inleg ineens vooruit te betalen. [gedaagde] had toen niet door dat na deze vijf jaren de contracten doorliepen en dat er een groot risico was dat hij zou worden geconfronteerd met een grote restschuld.

[gedaagde] heeft onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad (Van Uden/NBG) van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) aangevoerd dat hij er in beginsel van mocht uitgaan dat Spaar Select de op haar rustende zorgplicht jegens hem naleefde. Hieruit volgt dat [gedaagde] bij een door Spaar Select geadviseerde constructie minder snel bedacht hoefde te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De relatie tussen [gedaagde] en Spaar Select verschilt, volgens [gedaagde] , aldus wezenlijk van de standaard effectenleaserelatie waarop voormelde arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 zien. Dit betekent dat in het onderhavige geval niet kan worden uitgegaan van een verdeling van de schade, zoals in de effectenleaserechtspraak is beslist.

[gedaagde] voert aan dat Dexia mede op grond van de artikelen 6:76 BW, 6:171 BW en/of 6:172 BW aansprakelijk is voor dit handelen van de medewerker van Spaar Select.

Voorts heeft [gedaagde] bij zijn laatste akte aangevoerd dat ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2015) in afwijking van de Hof-formule in de onderhavige situatie de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand dient te blijven, nu Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht maar niet over de vereiste vergunning beschikte.

Dexia heeft deze stellingen van [gedaagde] weersproken.

Ten aanzien van het geschil van partijen inzake advisering wordt het volgende overwogen.

In het arrest van de Hoge Raad (Van Uden/NBG) van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) is een onderscheid gemaakt tussen een standaard effectenleaserelatie, waarbij een kant-en-klaar effectenleaseproduct wordt aangeboden door de aanbieder (zoals aan de orde in de standaard effectenleasejurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel) en een situatie waarbij een opdrachtgever een financieel dienstverlener heeft benaderd voor een op zijn specifieke situatie toegesneden advies. De kantonrechter is van oordeel dat uit dit arrest volgt dat in de laatstgenoemde situatie op de financieel dienstverlener een bijzondere en zwaarder wegende zorgplicht rust die tot een andere verdeling van de schade kan leiden. Daarmee ligt in deze zaak de vraag voor of hier door een financieel dienstverlener aan [gedaagde] een op zijn specifieke situatie toegesneden advies is verstrekt. Uit de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden en uit de bij akte overgelegde producties (A t/m Q) is dit naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. De omstandigheden dat - zoals door [gedaagde] aangevoerd - Dexia op enig moment op haar website heeft aangegeven dat haar producten worden aangeboden door gespecialiseerde financiële adviseurs, dat Dexia instructies heeft gegeven aan Spaar Select hoe te handelen ( [gedaagde] heeft in dit verband onder meer overgelegd de brochure Overwaarde Effect en Allround Sparen), dat Dexia in haar jaarverslag 1997 spreekt over persoonlijk advies en dat de heer [naam] in verklaringen spreekt over het geven van beleggingsadviezen door Spaar Select, bieden hieromtrent geen althans onvoldoende uitsluitsel. Op grond van genoemde omstandigheden moet het er wel voor worden gehouden dat Dexia ermee bekend was dat financiële advisering tot de zakelijke activiteiten van Spaar Select behoorde en dat er ook sprake is geweest van advisering aan afnemers van leaseovereenkomsten door haar tussenpersonen. Dit betekent echter niet dat hier tot uitgangspunt kan worden genomen dat Spaar Select aan alle door haar bediende afnemers van leaseovereenkomsten een op hun specifieke situatie verstrekt advies heeft gegeven en dat Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat dat de medewerker van Spaar Select het product Allround Effect aan [gedaagde] heeft aanbevolen, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om deze aanbeveling te kwalificeren als een op de specifieke situatie van [gedaagde] toegesneden advies. Zo heeft [gedaagde] niet gesteld dat ook aan hem een persoonlijk rekenvoorbeeld is toegestuurd en dat hij naar aanleiding daarvan is teruggebeld ter bespreking van het toezonden materiaal. De omstandigheid dat [gedaagde] mogelijk in algemene zin is geadviseerd en dat het product hem is aangeprezen geeft onvoldoende aanleiding voor een andere verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld dan die uit de standaard jurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel voortvloeit. Deze conclusie betekent dat niet meer wordt toegekomen aan hetgeen overigens bij dit onderdeel van het verweer door [gedaagde] is aangevoerd. Hierbij neemt de kantonrechter voorts mede in aanmerking dat onvoldoende is gesteld dat door [gedaagde] uiteindelijk een hypotheek is afgesloten op advies van Spaar Select en dat [gedaagde] deze hypotheek niet zou hebben afgesloten als de leaseovereenkomsten niet tot stand zouden zijn gekomen.

Artikel 41 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99)

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat Dexia in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99) aangezien zij cliënten accepteerde van Spaar Select terwijl deze in verband daarmee vergunningsplichtige werkzaamheden verrichte terwijl Spaar Select niet over een vergunning beschikte. Dexia wist of behoorde dat volgens [gedaagde] te weten. Dexia heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, aldus [gedaagde] .

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de twee arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 overweegt de kantonrechter allereerst het navolgende. In deze arresten is kort gezegd geoordeeld dat een cliëntenremisier – zijnde een bijzondere soort effectenbemiddelaar – vergunningplichtig is wanneer hij tevens adviesdiensten verricht bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst. Wanneer Dexia van een zodanige cliëntenremisier zonder vergunning een cliënt heeft geaccepteerd terwijl zij van het gegeven advies op de hoogte was of had moeten zijn, dan heeft Dexia gehandeld in strijd met artikel 41 NR 99 en is Dexia volledig schadeplichtig, aldus de Hoge Raad. Aangezien reeds hiervoor is geoordeeld dat geen adviesdiensten zijn verricht door Spaar Select bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, is derhalve in zoverre geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99.

Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select door Dexia was aangesteld om als cliëntenremisier bemiddelingswerkzaamheden te verrichten teneinde bij Dexia cliënten aan te brengen en kan derhalve worden aangemerkt als effectenbemiddelaar. Op grond van artikel 7 lid 1 Wte was het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Spaar Select beschikte niet over een dergelijke vergunning. Op grond van artikel 10 lid 1 Wte en artikel 12 lid 1 aanhef en sub b, van de Vrijstellingsregeling Wte werden (rechts-)personen, voor zover zij cliënten aanbrachten bij een effecteninstelling die ingevolge artikel 7 lid 2 aanhef en onder h Wte als effectbemiddelaar diensten mag aanbieden of verrichten, vrijgesteld van de vergunningplicht. Dexia mocht ingevolge laatstgenoemd artikel als effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, zodat Spaar Select op deze grond was vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het aanbieden of verrichten van diensten.

Voorts waren cliëntenremisiers zoals Spaar Select op grond van artikel 12 lid 1 sub c van de Vrijstellingsregeling Wte vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Ingevolge artikel 21 lid 1 Wte moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld wel worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Spaar Select was destijds ingeschreven in dit register. Derhalve mocht Dexia op de voet van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 de door Spaar Select aangebrachte cliënten in beginsel accepteren. Van handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is in zoverre derhalve aldus geen sprake.

Dexia mocht op grond van artikel 41 aanhef en onder d NR 99 echter geen orders van Spaar Select accepteren aangezien voor het doorgeven van orders een vergunning was vereist als bedoeld in artikel 7 Wte. Dat is ook bepaald in de geïmplementeerde Richtlijn Beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG). [gedaagde] heeft zijn stelling dat Spaar Select een effectenorder heeft doorgegeven echter onvoldoende onderbouwd. Derhalve is ook in die zin geen sprake van handelen in strijd met artikel 41 NR 99. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat het eventuele optreden van Spaar Select als orderremisier tot een andere schadeverdeling zou moeten leiden dan die op grond van de Hof-formule.

Gelet op de voorgaande overwegingen inzake de door [gedaagde] aangevoerde advisering en het beroep op artikel 41 NR 99 wordt niet meer toegekomen aan hetgeen overigens bij deze onderdelen van het verweer door [gedaagde] is aangevoerd. Tot het bij deze onderdelen van het verweer gedane bewijsaanbod zal [gedaagde] niet worden toegelaten nu de gestelde feiten niet tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden.

Certificaatproduct

De onderhavige twee leaseovereenkomsten zijn certificaatproducten. [gedaagde] stelt dat Dexia nimmer het certificaat heeft aangekocht en derhalve nimmer de overeenkomsten heeft uitgevoerd. Dienaangaande wordt overwogen dat certificaatproducten geen betrekking hebben op aandelen, maar betrekking hebben op een vorderingsrecht, waarvan de omvang wordt bepaald en afhankelijk is van de koersontwikkelingen van (al dan niet op de beurs) genoteerde aandelen (AEX-index). De leaseovereenkomsten vermelden dat de Lessee least van de Bank, gelijk deze aan lessee verleast, de hierna te noemen aandelen/effecten, verder ook te noemen de waarden. Daarnaast vermelden de leaseovereenkomsten onder punt 6 dat de Bank door middel van deze akte de waarden levert aan de lessee onder de opschortende voorwaarde dat (kort gezegd) lessee aan haar verplichtingen voldoet. Volgens de omschrijving “effecten” gaat het om het Labouchere AEX Plus Certificaat van uitgevende instelling Labouchere N.V. De lease betreft aldus geen aandelen, maar een certificaatproduct. Door de vordering op naam aan te kopen heeft Dexia haar verplichtingen uit de leaseovereenkomsten vervuld. Dexia heeft bij deze producten aldus niet de contractuele verplichting op zich genomen om ten behoeve van haar afnemers aandelen te verwerven en te behouden. Dat leidt tot de conclusie dat de voormelde stelling van [gedaagde] niet relevant en zonder belang is. Immers, Dexia had uit hoofde van de certificaatproducten slechts de verplichting het bedrag van de hoofdsom vermeerderd met de stijging van de overeengekomen index (het certificaat) uit te keren. Dit betekent dat ook de standpunten, die [gedaagde] overigens in deze heeft ingenomen, geen stand houden.

Onaanvaardbaar zware financiële last

Volgens [gedaagde] blijkt uit de hof-formule dat in zijn situatie sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. De in dit verband door hem bij conclusie van antwoord als productie A1 overgelegde berekening resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 1.088,18 per maand, terwijl de bestedingsnorm volgens deze berekening

€ 1.353,44 per maand bedraagt. Op basis hiervan concludeert [gedaagde] dat hij nog een vordering op Dexia heeft en de gevorderde verklaring voor recht derhalve niet kan worden toegewezen.

Dexia daarentegen is van mening dat voor [gedaagde] niet geldt dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. De in dit verband door haar gemaakte berekening is overgelegd als productie 10 bij conclusie van repliek. Deze berekening komt uit op een netto besteedbaar inkomen van € 1.524,23 per maand en een bestedingsnorm van

€ 1.354,39. Bij deze resultaten komt aan [gedaagde] aan een schadevergoeding van

€ 2.262,85 per leaseovereenkomst toe, aldus Dexia.

Ten aanzien van het geschil omtrent de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last, wordt allereest het volgende overwogen.

Het hof Amsterdam heeft in zijn arresten van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) een vuistregel geformuleerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op een belegger zouden leggen. Deze vuistregel (hierna: de Hof-formule) is ook gehanteerd in de arresten van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012 en BP4003) en luidt: X - W - A - B - C < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X-Y). De Hoge Raad heeft in voornoemde arresten voorts bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij mag, aldus de Hoge Raad, worden uitgegaan van een algemene formule, mits die voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden rekening te houden.

De kantonrechter gaat er derhalve als regel van uit dat, als het netto maandinkomen (X), minus de woonlasten boven het daarvoor door het Nibud gehanteerde bedrag (W), minus financiële verplichtingen uit de leaseovereenkomst (A), minus eventuele financiële verplichtingen uit eerdere leaseovereenkomsten (B) en minus eventuele rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten (C), lager is dan 110% van de voor de afnemer geldende Nibud basisnorm (Y), vermeerderd met 15% van het verschil tussen het netto maandinkomen (X) en deze basisnorm (Y), er sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Met betrekking tot de factoren uit de hof-formule, waarover partijen van mening verschillen, wordt het volgende overwogen.

Verplichtingen uit de leaseovereenkomst (factor A)

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de eerste 60 maandtermijnen bij vooruitbetaling heeft voldaan en daarom een korting van 20% op de overeengekomen maandtermijn van

€ 272,27 per maand heeft verkregen. Deze korting is niet overeengekomen voor de 61e t/m 180e maandtermijnen zodat voor deze periode een maandtermijn van € 272,27 heeft te gelden. [gedaagde] heeft geen rekening gehouden met de over de eerste 60 maantermijnen verleende korting, aangezien dit – zo stelt hij – tot gevolg heeft dat voor de 61e t/m de 180e maandtermijn een te laag (gemiddeld) bedrag wordt betrokken waardoor een foutief beeld ontstaat van de bestedingsruimte van [gedaagde] in die periode. Dexia heeft in haar berekening wel de korting verwerkt. Als leasesom heeft zij immers € 45.741,60 (= 60 maanden met 20% korting en 120 maanden zonder korting) aangehouden, zijnde € 254,12 per maand.

De kantonrechter is van oordeel dat de korting moet worden meegenomen in de berekening van de (gemiddelde) maandelijkse verplichting uit de leaseovereenkomsten. Immers, [gedaagde] heeft deze korting daadwerkelijk genoten. [gedaagde] heeft feitelijk voor de eerste

60 maanden € 13.069,20 betaald, zijnde € 217,82 per maand. Vanaf de 60-ste maand diende

€ 272,27 per maand betaald te worden, in totaal € 32.672,40. Gemiddeld komt dit uit op

(€ 13.069,20 + € 32.672,40) : 180 = € 254,12, zoals door Dexia gesteld.

Verplichtingen uit eerdere overeenkomsten (factor B)

Voor de beide door [gedaagde] afgesloten leaseovereenkomsten gelden dezelfde bedragen. Dit betekent dat het bedrag van € 254,12 dat voor factor A is gevonden ook dient te worden aangehouden voor factor B. Op dit punt kan [gedaagde] , die hiervoor € 272,27 heeft aangehouden, niet worden gevolgd.

Netto woonlasten (factor W)

Volgens de door [gedaagde] opgestelde berekening hebben haar netto woonlasten € 445,71 per maand bedragen in 2001. In de berekening is voorts aangegeven dat de Nibud woonlastennorm € 162,00 per maand bedraagt en dat de woonlasten van [gedaagde] derhalve

€ 283,71 hoger uitvallen dan deze norm. Vast staat dat [gedaagde] bij de berekening van deze woonlastengegevens is uitgegaan van het zogenaamde stipinkomen: het bruto inkomen minus alle aftrekposten. Dit is volgens Dexia onjuist. Volgens haar dient bij de bepaling van de woonlasten te worden uitgegaan van het bruto jaarinkomen zoals vermeld in het biljet van proces. Dexia stelt terecht dat uitgegaan dient te worden van het bruto-jaarinkomen. Alleen indien van het bruto jaarinkomen wordt uitgegaan, kan worden vastgesteld waaruit het belastingvoordeel op huur- of hypotheeklasten daadwerkelijk heeft bestaan. Dexia komt in haar berekening uit op een bedrag van € 441,62. Dat is 279,62 (= € 441,62 - € 162,00) boven de Nibud woonlastennorm. Uit de berekening die hieronder zal worden gemaakt van het netto besteedbaar inkomen zal blijken dat het voor de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last niet uitmaakt of wordt uitgegaan van de factor W die door Dexia is aangevoerd danwel de factor W die door [gedaagde] is aangevoerd.

Bijzondere lasten (factor D)

[gedaagde] heeft in zijn berekening € 395,67 aan maandelijkse bijzondere lasten opgevoerd. Dit bedrag heeft betrekking op premie voor een particuliere ziektekostenverzekering

(€ 3.712,00) en premie voor lijfrente vanwege pensioentekort (€ 1.036,00). Dexia heeft deze posten weersproken. Zij voert aan dat door [gedaagde] niet aannemelijk is gemaakt dat deze uitgaven verplichte maandelijkse uitgaven waren.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last op grond van het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) dienen alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte in aanmerking te worden genomen. Het is echter aan [gedaagde] om zijn stellingen voldoende te concretiseren en te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. [gedaagde] noemt slechts het bedrag waarmee volgens hem als bijzondere last rekening moet worden gehouden onder verwijzing naar het biljet van proces, maar heeft dit bedrag verder op geen enkele wijze toegelicht. Derhalve heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom deze premies noodzakelijkerwijs betaalde kosten zijn die zijn bestedingsruimte beperken. De enkele omstandigheid dat de verplichtingen volgen uit het biljet, is onvoldoende. Ten aanzien van de premie particuliere ziektekostenverzekering merkt de kantonrechter nog op dat door de Hoge Raad is geoordeeld dat het niet onbegrijpelijk is dat de premie Zfw (particuliere ziektekosten) in de hof-formule niet op het besteedbaar netto-inkomen in mindering wordt gebracht (Hoe Raad, 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2749). De kantonrechter zal de lijfrentepremie en de premie voor particuliere ziektekostenverzekering derhalve buiten beschouwing laten.

Nibud-basisnorm (factor Y)

Met de uittreksels, die [gedaagde] bij akte overlegging aanvullende producties heeft overgelegd, is naar het oordeel van de kantonrechter komen vast te staan dat het gezin van [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten op 28 mei 2001 bestond uit twee volwassenen en twee thuiswonende kinderen. Voor de Nibud-basisnorm dient derhalve € 1.040,00 in de berekening volgens het hofmodel te worden aangehouden.

Berekening

Rekening houdende met het voorgaande kan het besteedbaar inkomen van [gedaagde] in 2001 als volgt worden vastgesteld:

X - W - A - B - C - D = € 2.436,25 (X) - € 279,62 (W) of € 283,71 - € 254,12 (A) - € 254,12 (B) - € 124,16 (C) = € 1.524,23 of € 1.520,14.

Dit is meer dan de bestedingsnorm van € 1.353,44 (= € 1.040,00 (Y) + 0,1 x € 1.040,00 (Y) + 0,15 x (€ 2.436,25 (X) - € 1.040,00 (Y))).

Dit leidt tot de conclusie dat voor [gedaagde] niet geldt dat sprake is van “een onaanvaardbaar zware financiële last”. Dit leidt ertoe dat ingevolge de Hof-formule aan [gedaagde] geen aanspraak toekomt schadevergoeding.

Resterende termijnen

De twee door Dexia opgestelde eindafrekeningen zien er beide - voor zover hier van belang - als volgt uit.

Opbrengst verkoop

€ 15.560,83

Restitutie vooruitbetaling Bij

€ 3.269,71

Subtotaal bij:

€ 18.830,54

21 Resterende termijnen à € 272,27

Af € 5.717,67

50,00% korting over resterende termijnen

Af

€ 2.858,84

Restant hoofdsom

Af

€ 19.365,81

Subtotaal af:

€ 22.224,65

Totaal door u nog te voldoen

€ 3.394,11

Het geschil van partijen ziet op het bedrag van € 2.858,84 aan resterende termijnen dat Dexia in deze eindafrekeningen heeft verrekend. Dexia acht zich daartoe gerechtigd op grond van artikel 3 van de leaseovereenkomsten. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat het beroep van Dexia op dit beding, niet zijnde een kernbeding, dient te worden afgewezen omdat het een oneerlijk beding betreft als bedoeld in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

De onderhavige procedure is aangehouden geweest in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen in een zaak waarin de verrekening van resterende termijnen onderwerp van geschil was (hof Amsterdam, 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3242). Daarin lag ter beoordeling voor of artikel 6 (hier artikel 5, zie feiten sub c) in samenhang met artikel 15 van de algemene voorwaarden (hier artikel 11) een beding betreft dat op grond van de richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. De Hoge Raad heeft zich hierover uitgesproken bij beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773).

Dexia heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van [gedaagde] om zich te beroepen op de vernietigbaarheid van het beding uit artikel 3 van de leaseovereenkomsten is verjaard. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende. Ook zonder dat [gedaagde] een dergelijk beroep op vernietigbaarheid doet, dient de kantonrechter het betreffende beding ambtshalve te toetsen en eventueel te vernietigen als blijkt dat dit beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691). Dat een voltooiing van de verjaringstermijn daaraan in de weg zou staan, is niet verenigbaar met de strekking van deze richtlijn. Dit volgt eveneens uit het arrest HvJ EU 21 december 2016 (ECLI:EU:C:2016: 980, Gutiérrez Naranjo) waaraan Dexia heeft gerefereerd. Na te hebben overwogen dat de toepassing van een procedureregel, zoals een redelijke verjaringstermijn, dient te worden onderscheiden van een beperking in de tijd van de gevolgen van een uitlegging van een regel van Unierecht, overweegt het hof daarin in rechtsoverweging 70: “De in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, mogen derhalve geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling - zoals uitgelegd in de in de punten 54 tot en met 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het hof - ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn.”

Voorts heeft Dexia aangevoerd dat artikel 3 van de leaseovereenkomsten een kernbeding is, zodat op grond van artikel 4 lid 2 van de richtlijn dit beding buiten de toepassing van de richtlijn blijft. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] terecht gesteld dat artikel 3 van de leaseovereenkomsten (zie feiten sub c) geen kernbeding is. De leaseovereenkomsten zijn beide een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument en over artikel 3 van de leaseovereenkomsten is niet afzonderlijk tussen partijen onderhandeld. Artikel 3 van de leaseovereenkomsten is derhalve een beding als bedoeld in artikel 6:231 onder a BW, zodat ook dit standpunt van Dexia zal worden gepasseerd (zie ook HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

De Hoge Raad heeft in zijn voormelde prejudiciële beslissing artikel 6 (hier artikel 5) van de algemene voorwaarden getoetst aan de richtlijn en heeft daarin voor zover hier van belang het volgende voorop gesteld:

3.5.1 Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 ([.../...]), rov. 3.7.1-3.7.3).

3.5.2 Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn 93/13 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst in aanmerking genomen, voor zover te dezen van belang, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

(…)

3.5.6 Uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt dat voor de beantwoording van de eerste door het hof gestelde vraag dient te worden nagegaan of art. 6 Bijzondere voorwaarden een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name doordat als gevolg van dit beding diens uit de wettelijke bepalingen voortvloeiende rechtspositie in daartoe voldoende ernstige mate wordt aangetast. (…) Deze beoordeling dient plaats te vinden naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, waarbij dient te worden bezien welke gevolgen het beding voor de consument kan hebben.

De kantonrechter neemt deze overwegingen over, aangezien deze overwegingen ook op de onderhavige zaak van toepassing zijn.

De Hoge Raad komt vervolgens in haar beslissing tot het oordeel dat de rechter ten aanzien van artikel 6 van de algemene voorwaarden (geciteerd onder feiten sub c) gehouden is om dit beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover het betrekking heeft op rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging van de leaseovereenkomst nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan derhalve niet op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden aanspraak worden gemaakt. Aan deze beslissing ligt onder meer ten grondslag hetgeen in de onderstaand weergegeven overwegingen 3.7.5 en 3.7.8 en 3.8.1 is overwogen:

3.7.5 Door de ontbinding ontvangt Dexia de aflossing van het geleende bedrag op een eerder tijdstip dan overeengekomen. Bij een effectenovereenkomst met een financiële instelling moet tot uitgangspunt worden genomen dat een eerdere aflossing die instelling in staat stelt om het hiermee gemoeide bedrag opnieuw uit te lenen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de eerdere aflossing voor haar het voordeel heeft dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is, tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen. Met dit voordeel dient overeenkomstig het hiervoor overwogene rekening te worden gehouden bij de vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:277 BW.

3.7.8 Met het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het bedrag waarop Dexia aanspraak kan maken bij beëindiging op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden, zij het dat bij de uitleg die het hof aan art. 15 Bijzondere voorwaarden heeft gegeven, hierin wel op andere wijze wordt voorzien, doordat bij die uitleg de in art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW genoemde vaste aftrek van 5% per jaar dient plaats te vinden op de vervroegde betaling van het restant van de leasesom. Laatstgenoemde aftrek is evenwel volgens art. 15 Bijzondere voorwaarden bij voorbaat gelimiteerd tot dat percentage, zodat in het geval Dexia een groter voordeel geniet door de vervroegde aflossing, het verschil in zoverre niet in mindering komt op de haar toekomende vergoeding.

3.8.1 In verband met het hiervoor in 3.7.8 overwogene levert het beding van art. 6 Bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring op van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument als hiervoor bedoeld in 3.5.6. Het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel kan immers, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de beëindiging dan wel de ontbinding plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn. Met dat voordeel wordt bij de berekening van hetgeen waarop Dexia op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden aanspraak kan maken, geen rekening gehouden, terwijl art. 15 Bijzondere voorwaarden hierin slechts beperkt op andere wijze voorziet. In verband hiermee kan worden gesproken van een onevenredig hoge schadevergoeding als hiervoor bedoeld in 3.5.3.

Hieraan doet niet af dat het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel dan wel het hiervoor aan het slot van 3.7.8 genoemde verschil onder omstandigheden ook zeer gering of zelfs nihil kan zijn, afhankelijk van de rentestand en het tijdstip van de beëindiging of ontbinding van de overeenkomst. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.5.4-3.5.6 is overwogen, gaat het te dezen immers om de gevolgen die het beding voor de consument kan hebben, en om de aantasting van diens rechtspositie door het beding, beide beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst.

Zoals Dexia in haar akte uitlaten heeft aangevoerd wordt in deze zaak geen beroep gedaan op het beding uit artikel 5 van de algemene voorwaarden doch op het beding uit artikel 3 van leaseovereenkomsten. De ontbinding van de leaseovereenkomsten door Dexia wegens wanprestatie van de lessee (ex artikel 5 algemene voorwaarden) is in de onderhavige zaak niet aan de orde. [gedaagde] heeft in de onderhavige zaak gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die artikel 3 van de leaseovereenkomsten hem biedt, om de leaseovereenkomsten met een looptijd van 180 maanden voortijdig te beëindigen. Voor het geval deze beëindiging door de lessee plaatsvindt binnen 60 maanden na aanvang – zoals hier – bepaalt artikel 3 van de leaseovereenkomsten dat de lessee alsdan naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom tevens de nog niet verstreken maandtermijnen t/m de 60e maand verschuldigd is, waarbij over deze maandtermijnen een korting wordt verleend van 50%, vermeerderd met 20% van de reeds verstreken bruto maandtermijnen en verminderd met de nog niet verstreken vooruitbetaalde bruto maandtermijnen. Onder deze voorwaarden is de lessee op grond van artikel 3 van de leaseovereenkomsten gerechtigd de leaseovereenkomsten, zijnde duurovereenkomsten, op te zeggen.

Of dit beding uit artikel 3 van de leaseovereenkomsten als een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn dient te worden aangemerkt, zal de kantonrechter beoordelen aan de hand van het toetsingscriterium dat de Hoge Raad in zijn hiervoor weergegeven overweging 3.5.6 voorop heeft gesteld. Artikel 3 is, anders dan artikel 6 van de algemene bepalingen, niet te brengen onder een van de bedingen (a t/m q) die zijn opgesomd in de indicatieve en niet uitputtende lijst in de bijlage van de richtlijn. Dit sluit echter niet uit dat het beding “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort" (lid 1 van artikel 3 van de richtlijn). Om dit te beoordelen, zal gelet op overweging 3.5.6, dienen te worden bezien of de uit de wettelijke bepalingen (Nederlandse recht) voortvloeiende rechtspositie van de consument door het beding in voldoende ernstige mate wordt aangetast. Het Nederlandse recht voorziet niet in een specifieke wettelijke bepaling inzake het tussentijds opzeggen van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd met al dan niet de verplichting tot schadevergoeding. Artikel 7A:1576e lid 2 BW waar Dexia naar verwijst is immers enkel van toepassing tijdens de looptijd van het contract en niet bij beëindiging, zo volgt uit rechtsoverweging 3.7.6. De opzeggingsbevoegdheid van duurovereenkomsten wordt in het Nederlands recht beheerst door de redelijkheid en billijkheid (6:248 BW). De kantonrechter is na toepassing van voornoemd toetsingscriterium van oordeel dat de gevolgen die het beding uit artikel 3 voor [gedaagde] als consument kan hebben en de aantasting van zijn rechtspositie door dit beding – beoordeeld naar het moment van het sluiten van de leaseovereenkomst – niet onaanvaardbaar zijn. Het beding voorziet er immers in dat de lessee bij tussentijdse opzegging ná 60 maanden enkel de restant-hoofdsom dient te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag voor verrekening in aanmerking komt. In geval van beëindiging vóór het verstrijken van 60 maanden dient lessee ingevolge het beding 50% van de niet verstreken maandtermijnen tot en met de 60e maand te betalen, vermeerderd met 20% van de reeds verstreken bruto maandtermijnen (zijnde een korting die is gegeven bij de vooruitbetaling van de eerste 60 maandtermijnen bij aanvang van de overeenkomsten, zo blijkt uit artikel 4 sub a, zie feiten sub c) en verminderd met de nog niet verstreken vooruitbetaalde maandtermijnen. Deze termijnen bestaan deels uit rente en deels uit aflossing van de restant-hoofdsom. Daarbij dient te worden bedacht dat Dexia voor ieder van de twee leaseovereenkomsten € 25.701,09 aan rente zou hebben getoucheerd indien de overeengekomen looptijd van 180 maanden zou zijn uitgediend. Daar staat tegenover dat Dexia nu eerder weer over het uitgeleende geld kon beschikken. In het onderhavige geval is in de eindafrekeningen een bedrag van € 2.858,84 voor de onbetaald gebleven 39este t/m 60ste termijn in rekening gebracht, waarin begrepen - aldus de toelichting van Dexia - een bedrag van € 1.217,36 aan rente. Indien de overeenkomsten na 60 maanden waren geëindigd had Dexia in de 21 resterende termijnen per overeenkomst nog een bedrag van € 4.076,19 aan rente ontvangen. Als een onredelijk beding in de zin van de richtlijn dan wel een onredelijk beding in de zin van artikel 6:233 BW is deze aldus gefixeerde en gematigde vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet aan te merken, ook niet wanneer de leaseovereenkomsten op een ander willekeurig moment zouden zijn beëindigd. Wanneer dit immers wordt vergeleken met de vergoeding waarop Dexia naar het oordeel van de Hoge Raad recht heeft ingeval van ontbinding van de leaseovereenkomsten wanneer artikel 6 van de algemene voorwaarden niet zou bestaan, kan niet worden gezegd dat de vergoeding zoals genoemd in artikel 3 van de leaseovereenkomsten strijdig is met de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve door dit beding het evenwicht tussen de uit de leaseovereenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen niet aanzienlijk ten nadele van de consument verstoord. De kantonrechter zal het beding daarom in stand laten en dit verweer van [gedaagde] passeren.

Buitengerechtelijke kosten

[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die zijn gemachtigde voorafgaand aan deze procedure heeft verricht. Uit die beschrijving blijkt dat het ten dele gaat om werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvoor in geval van een procedure de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde (proces)kosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Dit zijn derhalve geen buitengerechtelijke verrichtingen die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De beschrijving ziet voor het overige op gestandaardiseerde buitengerechtelijke verrichtingen van de gemachtigde van [gedaagde] , tevens gemachtigde van een zeer groot aantal andere opponenten van Dexia. Een opgave en specificatie van aan deze gestandaardiseerde verrichtingen verbonden kosten ontbreekt en evenmin is onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten aan [gedaagde] zullen worden toegerekend. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] ter zake van buitengerechtelijke kosten nog een vordering op Dexia geldend zal kunnen maken.

Slotsom

Niet is in geschil dat bij toepassing van de maatstaven en beoordelingskaders (zoals geformuleerd door de Hoge Raad in de voormelde arresten van 2008 en 2009 en nader uitgewerkt in het hofmodel) [gedaagde] op grond van ieder van leaseovereenkomsten aanspraak had op een schadevergoeding van € 2.262,85, te vermeerderen met wettelijke rente. Dit bedrag heeft Dexia twee keer op of omstreeks 18 januari 2012 aan [gedaagde] uitgekeerd, te weten in totaal € 6.214,26. De door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan gevoerde verweren bieden geen grond om van deze jurisprudentie af te wijken. Volledigheidshalve wordt hierbij nog overwogen dat de kantonrechter bij het voorgaande is uitgegaan van de door Dexia bij inleidende dagvaarding overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken. Nu Dexia uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomsten, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben. Dit betekent dat de vordering van Dexia toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Daarbij zal een gematigde vergoeding worden aangehouden inzake het pleidooi, nu er één en hetzelfde pleidooi is gehouden in een veelheid van zaken.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten met de nummers 23001352 en 23001353 heeft voldaan en op grond daarvan verder niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op:
verschuldigd griffierecht € 115,00
exploot van dagvaarding € 77,52

informatiekosten € 1,63
salaris gemachtigde € 230,00 +
totaal € 424,15, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling;

-
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.P.L.M. Vennix en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.