Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/09/544189 / FA RK 17-9280
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Zwitserland toegewezen. Moeder heeft niet aangetoond dat de ouders een gezamenlijke intentie hadden om de gewone verblijfplaats van moeder en de minderjarige te wijzigen van Zwitserland naar Nederland. Vader heeft slechts toestemming verleend voor verblijf in Nederland voor beperkte periode. Beroep van moeder op weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b niet geslaagd. Ook beroep van moeder op art. 3 IVRK en art. 8 EVRM niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-9280

Zaaknummer: C/09/544189

Datum beschikking: 15 februari 2018

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 5 december 2017 ingekomen verzoek van:

[minderjarige 2] SCHMID ,

de vader,

wonende te [woonplaats] , Zwitserland,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[minderjarige 3] SWAGERMAN ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.L. Hamburger te Amstelveen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

- de brieven van 9 en 10 januari 2018, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    de brieven van 9 en 10 januari 2018, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de F4-formulieren van 22 en 31 januari 2018 van de zijde van de moeder;

- de brief van 31 januari 2018 van de zijde van de vader.

Op 19 december 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld van de tolk de heer [naam] bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. N.B. Verkleij. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 21 december 2017 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

Op 11 januari 2018 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld van de tolk de heer [naam] bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Van de zijde van de vader en van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting van 11 januari 2018 hebben de vader en de moeder nogmaals getracht in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen. Op 31 januari 2018 hebben zij de rechtbank bericht dat de ouders geen overeenstemming hebben bereikt.

Verzoek en verweer

De vader heeft, onder intrekking van het verzoek tot kostenveroordeling, verzocht:

 de onmiddellijke terugkeer naar Zwitserland te bevelen van [minderjarige 1] , althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de rechtbank zal bepalen op welke datum de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven zodat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Zwitserland dan wel (subsidiair) te bepalen dat de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar de vader in Zwitserland.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen in de kosten van het geding.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] .

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Zwitserland.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.

- [minderjarige 1] verblijft thans bij de moeder in Nederland.

- Op 21 september 2017 heeft de moeder een verzoek tot echtscheiding en voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank Noord-Holland;

- Op 4 december 2017 heeft de vader bij genoemde rechtbank een verweerschrift ingediend in de procedure voorlopige voorzieningen;

- Op 26 oktober 2017 heeft de vader in Zwitserland een verzoek tot echtscheiding ingediend;

- De vader heeft de Zwitserse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en [minderjarige 1] heeft de Nederlandse en de Zwitserse nationaliteit.

- De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Zwitserland zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats

Tussen de ouders is niet in geschil dat zij in maart 2016 samen zijn verhuisd van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam in Zwitserland] en dat [minderjarige 1] vanaf haar geboorte haar gewone verblijfplaats in Zwitserland heeft gehad. In geschil is of de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] vervolgens is gewijzigd van Zwitserland naar Nederland.

De moeder heeft gesteld dat zij op 24 april 2017 met [minderjarige 1] naar Nederland is gereisd, te weten naar haar ouderlijk huis in [plaatsnaam] , met toestemming van de vader en met de intentie in Nederland te blijven wonen. De moeder is van mening dat [plaatsnaam] de gewijzigde gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is geworden. De moeder heeft voorts gesteld dat op het moment dat de vader op 4 december 2017 zijn toestemming introk, zijnde het moment van indiening van het verweerschrift voorlopige voorzieningen, de moeder met [minderjarige 1] reeds verhuisd was vanuit haar ouderlijk huis in [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] .

De vader heeft betwist dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is gewijzigd naar Nederland. De vader heeft gesteld dat hij slechts toestemming heeft verleend voor een tijdelijk verblijf van [minderjarige 1] in Nederland, te weten gedurende de periode dat de moeder vanuit Nederland (Schiphol) werkzaam zou zijn, maximaal tot en met 31 oktober 2017.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vader in ieder geval zijn toestemming heeft gegeven [minderjarige 1] gedurende een aantal maanden in Nederland te laten blijven, ligt de vraag voor of het de intentie van beide ouders was om de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en de moeder na die periode permanent te verplaatsen naar Nederland. Nu de vader heeft betwist dat er sprake was van een gezamenlijke intentie, is het aan de moeder om dit aan te tonen.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken met partijen leidt de rechtbank het volgende af. De moeder is op [geboortedatum] bevallen van [minderjarige 1] . Al snel na de bevalling blijkt dat de moeder niet gelukkig is in Zwitserland en dat zij haar werk als pilote mist. De ouders bespreken dit meermalen met elkaar. De moeder geeft in WhatsAppberichten van 21 januari 2017 aan de vader aan een basis in Nederland te willen creëren naast het leven in Zwitserland.

In de door de moeder overgelegde productie 3A schrijft de moeder op 21 januari 2017 onder meer aan de vader:

Hello my love, love of my life. I want to say thank you for our conversation earlier. It brought me a lot more peace and I am really happy to in this order 1. Rent in [plaatsnaam] 2.Find an apartment in [plaatsnaam] 3. Buy a suitable place in [plaatsnaam] /../.. This to me is a great solution and gives me also time to make up my mind about a base. I don’t want to disqualify Switzerland before I felt I properly tried it. So I’m on it my love. Promised. As I said, i just don’t want to be without you nor share you, i want to be a winning team and love you to the moon and back, at any corner of life.”

De moeder komt in Zwitserland niet als pilote aan een baan vanwege gemiste vlieguren, examens en simulatietechnieken. De moeder kon in Bangkok haar licentie vernieuwen, hetgeen zij heeft gedaan. In april 2017 vat de moeder het idee op om te solliciteren bij [bedrijfsnaam] ), dat zijn thuisbasis heeft in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] . Op 16 mei 2017 heeft de moeder een contract getekend bij [bedrijfsnaam] , zijnde een contract voor bepaalde tijd van 22 mei 2017 tot en met 31 oktober 2017. De ouders hebben vervolgens voor die periode een schema uitgewerkt voor wat betreft de zorg voor [minderjarige 1] . Uit de door de moeder overgelegde e-mail van 15 mei 2017 blijkt dat de ouders de volgende inhoudelijke afspraken hebben gemaakt over de verzorging van en de vakanties met [minderjarige 1] in de periode tot 31 oktober 2017. De moeder schrijft de vader onder meer:

“20. May travel to [plaatsnaam] all three of us ( [minderjarige 2] [minderjarige 1] & [minderjarige 3] ) go to Ikea

22. May [naam] arrives

23. May first day of school

24. May move to apartment

2/3/4/5. June [naam] leaves

[minderjarige 3] takes [minderjarige 1] to Netherlands

22./23. June [minderjarige 2] comes to Netherlands with the car to pick [minderjarige 1] up to go to ibiza

24. June – 08. July [minderjarige 1] and [minderjarige 2] in ibiza and [minderjarige 3] comes for as much as possible

08. July [minderjarige 3] and [minderjarige 1] ‘move to parents’

Until end of July/beginning of August.

Depending on nanny availability, hopefully beginning of August/half August [minderjarige 1] goes home to Switzerland to stay with nanny and [minderjarige 2] and [minderjarige 3] comes whenever she has off.

In the unlikely and very unfortunate event of no suitable fulltime nanny found:

September & October wil be based in [plaatsnaam] (or [plaatsnaam] )

[minderjarige 2] can take one week of in September/October

15-28 sept: [naam] with [minderjarige 1] in Switzerland

28 sept-6 october [naam] with [minderjarige 1] in Switzerland

6-20 oct: [minderjarige 1] in Netherlands

20-31 oct: [naam] with [minderjarige 1] in Switzerland

31. Oct end of contract.

Last resort option: terminate contract at the end of August.”

Op 24 juli 2017 stuurt de moeder de vader een e-mail waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Now we are here, and you have asked me for a compromise that works for me.

For you the compromise is that we have both an apartment in Switzerland and in Netherlands, I continue with [bedrijfsnaam] , to stop flying or fly at a reduced schedule in winter and spend winter in Switzerland, or in other words, for [minderjarige 1] to spend winter in Switzerland and for me to leave Switzerland whenever I have to work. In summer you would be dealing with me and [minderjarige 1] living full time in the Netherlands. I get where you are coming from and I can see how your logic works, I think.

The compromises. After long and strong thinking, I have come to two possible options. I will start with the most extreme, but most fair one.

1. When it was all so bad with [naam] , you spoke and thought about - and strongly considered starting for yourself, your own company. We talked about it many times, you were many times on the verge of quitting [naam] , it was a serious option and you had the outlines of a plan into place. Then it went a little better and you decided to stick with [naam] . It means you were open to hand in a little of your earnings, to take a step back for maybe a few years and to then be independent. So here we go - bluntly outlined, for me a fair compromise would be for me to give up on TUI (think: dream job: B787 Dreamliner (the aircraft of the future), career opportunity, potential office job and guaranteed parttime contract, base Amsterdam but due to long haul schedule able to divide my time living in two places) - (and if I say no to them after the selection process, the door will be forever closed so it is properly giving up on TUI), and you would give up - not your job with [naam] per se -, but at least your current role which eats up so much of your time and energy and binds you to Switzerland, and we start somewhere else (anywhere, London, Singapore, New York, San Francisco, Paris, whatever) at equal positions, but together. It would mean we both choose for each other and therefor the family over work (which is just work), and we both make the same sacrifices and we can be convinced of the genuinity of the love and dedication for each other and for our family.

Even though the principles of compromise number 1 are far more pure out of a love and care basis, far more fair, and far more morally responsible and far more long term and therefor sustainable for us as a whole, you are probably not going to accept it. Therefor, here is number two:

2. I have compared the “useful family time’ of a [bedrijfsnaam] A320 pilot in summer (and winter) to a ‘fulltime’ B787 pilot for TUI, spread between two homes in NL and CH. Effectively this means 100 flying hours a month between June and October for [bedrijfsnaam] , meaning being from away from home at least 5 days a week long days on weird times (almost zero quality time family wise) from home in [plaatsnaam] and factually fully (from May/June - end of October) away from home in Switzerland, and having to leave Switzerland in winter for x days in a row as well to Netherlands.

Fulltime B787, obviously aside from the training period which is mandatory anywhere, this means 3 days away from home (home qualifying as both NL and CH), and 3/4 days fully (and I mean fully) free for family time. After this one year, this would be even less, 2 or 3 trips per month of 3 days, and the rest at home. Now of course - it goes without saying, for me it would be the preferred option as well, to straight away start parttime, but it is impossible, simply impossible. It is the price I pay to have chosen to be a pilot (one of the prices I did not realise when I was 18 and signed my papers), and you pay because you have chosen me as your life companion/lover/wife/girlfriend/partner in crime. The compromise would be that we still exercise the agreement on having a place both in Switzerland and Netherlands, we still exercise the summer/winter arrangement (we could even turn it around and spend summer in Switzerland and winter in [plaatsnaam] , since summer is so beautiful in CH), and we could do it so that in let’s say summer I commute from Switzerland to go to work in Netherlands, and in winter you commute from work in Switzerland to be with us in Netherland. In other words, in summer(or winter) Switzerland is home (You, me and [minderjarige 1] are all in CH and I go to work from there and take a plane from AMS to ZRH the moment that I land) and in winter(or summer) Netherlands is home and you take a plane on Friday evening from ZRH to AMS and on Sunday evening from AMS to ZRH.

Whatever we decide, whether you will decide to separate from me or whether I will eventually take TUI of [bedrijfsnaam] , we either way will have to find a solution for [minderjarige 1] in both Switzerland and Netherlands. A solution being a proper, decent, well qualified, sweet, educated, amazing nanny – but I think that about this topic we have zero disagreement – am I correct?”

Op 24 juli 2017 antwoordt de vader met een e-mail waarin onder meer het volgende is opgenomen:

While I kept the same job ever since you met me with the same company and everything that comes along with it comes along with it, you have just recently decided to start flying again under the agreement (we both had!) that it will be temporary until end of October and for you to return back to Switzerland and increase your job to either fly for [1. bedrijfsnaam] Under this assumption I have agreed on it, despite all difficulties of traveling logistics and especially not often seeing [minderjarige 1] and you for 5 months!! How can you say you are not willing to give up your regained position when we agreed that it was only temporary. In fact it is you that makes a decision to change what we have agreed on and it’s all in you hands if you want to push it through and get a fix position out of [plaatsnaam] – not me! You seem to forget that by supporting your current job at [1. bedrijfsnaam] I have already made a compromise. It’s just not clear to me why you don’t see this...”

Op 29 augustus 2017 stuurt de moeder de vader een e-mail waarin onder meer het volgende is opgenomen:

I am super excited to go to Mykonos baby! It will be so nice to be away the three of us…and then it will be already almost October and this hectic period over!”

Uit bovenstaande correspondentie en hetgeen overigens uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen, leidt de rechtbank af dat de ouders vanaf begin 2017 langdurig met elkaar in overleg zijn geweest en diverse opties voor ogen hadden om voor de impasse waarin zij terechtgekomen waren een voor beiden acceptabele oplossing te vinden, waarbij (nog) niet duidelijk was of partijen hun relatie zouden voortzetten. Partijen hebben in ieder geval concrete afspraken gemaakt over de verzorging van en de vakanties met [minderjarige 1] in de periode tot en met 31 oktober 2017, waarbij de moeder in de gelegenheid werd gesteld haar werk als pilote weer op te pakken en waarbij zij daartoe (grotendeels samen met [minderjarige 1] ) in Nederland zou verblijven. De rechtbank leidt uit voornoemde berichten niet af dat er op enig moment overeenstemming is geweest tussen partijen over hoe het na 31 oktober 2017 verder moest. De moeder heeft verschillende voorstellen aan de vader gedaan om tot een oplossing te komen, waarop de vader zijn onvrede heeft geuit en de moeder erop gewezen heeft dat zij een voorlopige overeenkomst hadden voor de duur van vijf maanden. Niet gebleken is van een reactie van de moeder waarin zij dit weerspreekt. Integendeel, de moeder heeft eind augustus 2017 nog aan de vader geschreven dat het bijna oktober is en dat de hectische periode dan over is. Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank eerder op dat de moeder op dat moment voornemens was met [minderjarige 1] naar Zwitserland terug te keren, zoals de vader stelt dat de ouders in mei 2017 hadden afgesproken, dan dat ze van plan was (langer) in Nederland te blijven. De rechtbank ziet ook niet in waarom de moeder steeds nieuwe voorstellen aan de vader zou doen (zoals uit de hierboven geciteerde berichten blijkt) indien partijen al eerder overeenstemming zouden hebben gehad over de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] vanaf eind april 2017 in Nederland, zoals de moeder stelt. Dat de ouders, zoals de moeder heeft gesteld, in januari 2017 dan wel april 2017 dan wel op een later moment samen een beslissing hebben genomen om de gewone verblijfplaats van de moeder en [minderjarige 1] te wijzigen naar Nederland, heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende onderbouwd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat de ouders een gezamenlijke intentie hadden om de gewone verblijfplaats van de moeder en [minderjarige 1] te verplaatsen van Zwitserland naar Nederland en gaat de rechtbank ervan uit dat de vader slechts toestemming heeft gegeven voor het tijdelijke verblijf van [minderjarige 1] in Nederland tot en met 31 oktober 2017.

Gezag

Niet in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de vasthouding niet had plaatsgevonden.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in Nederland vanaf 31 oktober 2017 en dat de vasthouding van [minderjarige 1] in Nederland vanaf deze datum is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader, komt de rechtbank tot het oordeel dat deze vasthouding van [minderjarige 1] in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige 1] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient derhalve in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag onder meer het volgende aangevoerd. De levensstandaard en sociale omstandigheden waaronder [minderjarige 1] als eenjarige baby zonder haar moeder zal opgroeien, maken de kansen op een gezonde opvoeding van [minderjarige 1] klein. De moeder heeft geen werk in Zwitserland en geen vriendenkring. De vader werkt dag en nacht en is daarbij zeer veel in het buitenland. Hij zal niet dagelijks bij de opvoeding van [minderjarige 1] aanwezig zijn, zoals hij dat ook niet was in de maanden na de geboorte van [minderjarige 1] in Zwitserland. Het overlaten van de opvoeding aan een derde, waarbij de moeder niet in zicht is, schaadt het kind. Zij zal geen woning kunnen krijgen in kanton [plaatsnaam] nu haar Aufenthaltsbewilligung niet is verlengd en zij zou dan afhankelijk worden van de vader, hetgeen zij onder geen beding wenst. Indien zij haar baan vrijwillig moet opzeggen in Nederland, zal zij in [plaatsnaam] geen uitkering kunnen ontvangen. Zij zal niet in het huis van de vader kunnen wonen en zal onvoldoende financiële middelen bezitten om een woning in Zürich te kunnen huren voor haar en [minderjarige 1] . Evenmin zal zij de zorg voor [minderjarige 1] aan de vader over kunnen laten, aangezien hij die zorg voor [minderjarige 1] nimmer heeft gehad en die niet aankan.

De vader heeft betwist dat er sprake is van genoemde weigeringsgrond. De vader heeft onder meer het volgende aangevoerd. Hij ziet niet in waarom de moeder geen werk zou kunnen vinden in Zwitserland (waar hij er al voor heeft gezorgd dat ze in de portefeuille zit bij [1. bedrijfsnaam] ) en bij gebreke hiervan staat de moeder niets in de weg om een partneralimentatie te verzoeken. De vader is bereid zo nodig huisvesting te faciliteren en vanzelfsprekend levensonderhoud voor [minderjarige 1] . Dat de moeder niet kan wonen in Zürich is onjuist. Haar Aufenthaltsbewilligung is geldig tot en met 19 september 2021 blijkens productie 2 bij het verweer van de moeder. De moeder toont het tegendeel ook niet aan. De vader kan wel degelijk de zorg voor [minderjarige 1] aan. Wat de beste zorgdeling zal zijn is niet aan de moeder om te bepalen maar aan de ouders samen en bij gebreke van overeenstemming aan de Zwitserse rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de moeder niet in staat zou zijn om terug te keren naar Zwitserland. Niet weersproken is immers dat haar verblijfsvergunning geldig is tot 19 september 2021. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat de vader zijn toezegging gestand zal doen om de moeder te helpen bij het zoeken van huisvesting en te voorzien in het levensonderhoud van [minderjarige 1] . Daarnaast overweegt de rechtbank dat ook in het geval de moeder ervoor zou kiezen om niet terug te gaan naar Zwitserland, dit haar eigen keuze is en geen dragend argument kan zijn om de teruggeleiding te weigeren. De moeder moet in dat geval in staat worden geacht op en neer te reizen naar Zwitserland. De vader heeft aangegeven dat hij bereid is minder te gaan werken teneinde meer voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen en dat hij daarnaast de hulp van zijn moeder kan inroepen en een professionele oppas kan inhuren. Wat de beste verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is, zal, als de ouders hier niet in onderling overleg uitkomen, uiteindelijk door de bodemrechter beslist moeten worden.

Artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM

De moeder heeft gesteld dat de gevolgen van de teruggeleiding ook dienen te worden getoetst aan artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het belang van het kind bij een beslissing dient altijd voorop te staan. De moeder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 augustus 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2288).

De vader betwist dat teruggeleiding strijdigheid met artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM oplevert en heeft erop gewezen dat de uitspraak waar de moeder naar verwijst een niet-verdragsstaat betreft.

De rechtbank stelt voorop dat de door de moeder aangehaalde uitspraak, zoals ook door de vader is opgemerkt, geen vergelijkbare zaak betreft, nu in die zaak sprake was van een eventuele teruggeleiding naar een niet-verdragsstaat. Verder overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 11 van het IVRK verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag maatregelen te nemen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland (lid 1) en spoort de staten aan daartoe verdragen te sluiten of toe te treden tot bestaande verdragen (lid 2). Hieruit volgt dat het IVRK, evenals het HKOV, berust op het uitgangspunt dat internationale kinderontvoering geacht moet worden in het algemeen in strijd te zijn met het belang van het kind, zodat teruggeleiding van het kind op de voet van het HKOV als zodanig niet in strijd is met artikel 3 lid 1 IVRK (zie ook conclusie A-G Strikwerda bij HR 28 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB3192). Een aparte toetsing van het belang van de kinderen in het kader van het IVRK of artikel 8 EVRM in samenhang met het Verdrag kan niet aan de orde zijn. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van [minderjarige 1] , dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.

Conclusie

Nu er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.

De vader heeft afgifte van [minderjarige 1] aan hem verzocht. De rechtbank zal daartoe - ondanks het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet - niet overgaan, nu zij dat niet in het belang van [minderjarige 1] acht. Bovendien is de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst opdat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. De rechtbank zal daarom minder toewijzen dan verzocht en de teruggeleiding van [minderjarige 1] bevelen op na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [minderjarige 1] terug te geleiden naar Zwitserland.

De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 4 maart 2018, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten

Het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de kosten van het geding zal worden afgewezen, nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft en de moeder bovendien de in het ongelijk gestelde partij is.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Zwitserland,

naar Zwitserland uiterlijk op 4 maart 2018, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar Zwitserland en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Zwitserland, dat de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 4 maart 2018, opdat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Zwitserland;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Visser, O.F. Bouwman en J.C. Sluymer, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2018.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.