Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16385

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
Awb 17/15565
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag dateert van 18 december 2015. Op dat moment gold (de externe) IND-werkinstructie 2014/9 van 17 februari 2015. De rechtbank merkt de uitwerking van beleid, neergelegd in een werkinstructie, en als vaste gedragslijn gehanteerd, aan als recht in de zin van artikel 1.27 van het Vb. Verweerder had, toetsend aan het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, alsnog een interview met identificerende vragen aan eiseres moeten aanbieden, ter vaststelling van de familierelatie met referent, en zo mogelijk de identiteit van eiseres. Door dit na te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/15565

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

geboren op [geboortedatum] ,

van Eritrese nationaliteit,

V-nummer [nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, als rechtsopvolger van de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 heeft verweerder de door [referent] (hierna: referent) namens eiseres, zijn gestelde echtgenote, ingediende aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij brief van 5 juni 2018 verweerder verzocht aan te geven of zijn nieuwe gedragslijn, waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zich in een zestal uitspraken van 16 mei 2018 heeft uitgelaten, gevolgen heeft voor de bestreden besluiten.

Verweerder heeft hierop schriftelijk gereageerd op 13 juni 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2018. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Tevens is verschenen referent. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Voor zover thans van belang heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een mvv in het kader van nareis omdat zij haar identiteit en de gestelde familierelatie met referent niet heeft aangetoond. Verweerder heeft de door eiseres overgelegde Soedanese vluchtelingenkaart en kerkelijke doopakte aangemerkt als indicatief bewijs met betrekking tot de door eiseres gestelde identiteit. Deze documenten vormen volgens verweerder onvoldoende substantieel indicatief bewijs om op grond daarvan de identiteit van eiseres aan te nemen.

Met betrekking tot het gestelde (kerkelijk) huwelijk heeft verweerder in zijn brief van 13 juni 2018 gewezen op het onderzoek van Bureau Documenten van 4 november 2016. De conclusie van Bureau Documenten is dat gelet op het beschikbare referentiemateriaal de overgelegde huwelijksakte vals is. Omdat de huwelijksakte vals is bevonden, kan deze niet langer als indicatief bewijs voor het gestelde huwelijk gelden. Dit betekent dat er geen substantieel bewijs is met betrekking tot de familierelatie op grond waarvan een nader onderzoek kan worden aangeboden. Een valse huwelijksakte is juist een contra-indicatie voor wat betreft het doen van nader onderzoek. Verweerder meent dan ook dat terecht is geconcludeerd in het bestreden besluit dat er geen sprake is van een aannemelijk familieleven. Nu er geen nader onderzoek wordt ingesteld naar de familierelatie, ligt nader onderzoek naar de identiteit van eiseres evenmin in de rede.

2. Eiseres heeft in beroep betoogd dat nader onderzoek wel geïndiceerd is. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat verweerder haar op grond van het beleid geldend ten tijde van de aanvraag, neergelegd in werkinstructie 2014/9, nader onderzoek in de vorm van een interview had moeten aanbieden.

Voorts heeft eiseres in beroep betoogd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door (de uitkomsten van) voornoemd onderzoek van Bureau Documenten, dat dateert van 4 november 2016, dus nog van voor het primaire besluit van 13 februari 2017, eerst in zijn brief van 13 juni 2018 tegen te werpen. Bovendien heeft eiseres eerst in de beroepsfase het onderzoeksrapport ontvangen, bij de toezending van het procesdossier door de rechtbank.

3.1

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiseres op beide punten.

Ingevolge artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid (de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een machtiging tot voorlopig verblijf) getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2914) is artikel 1.27 van het Vb ook van toepassing op een mvv die in het kader van een nareisprocedure is gevraagd. Voorts is gesteld noch gebleken dat het recht zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit gunstiger voor eiseres is.

Eiseres heeft gelet hierop terecht aangevoerd dat haar aanvraag beoordeeld moest worden aan de hand van het recht dat gold op het tijdstip van ontvangst ervan.

De aanvraag dateert van 18 december 2015. Op dat moment gold (de externe) IND-werkinstructie 2014/9 van 17 februari 2015. Dat, zoals verweerder betoogt, een werkinstructie enkel een beschrijving is van de uitwerking van het beleid in praktijk, en derhalve zelf geen beleid is, zodat artikel 1.27 van het Vb om die reden niet van toepassing is, volgt de rechtbank niet. De rechtbank merkt de uitwerking van beleid, neergelegd in een werkinstructie, en als vaste gedragslijn gehanteerd, aan als recht in de zin van artikel 1.27 van het Vb.

Werkinstructie 2014/9 luidt als volgt:

2.1.1.1 Het document is niet echt

Bij asielprocedures (waaronder nareis) geldt dat, als de documenten vals, vervalst of niet echt bevonden worden, alsnog een interview met identificerende vragen (ter vaststelling van de identiteit en gezinsband) en eventueel een DNA-onderzoek wordt aangeboden. In reguliere procedures wordt de aanvraag om gezinshereniging afgewezen omdat onjuiste gegevens zijn verstrekt.

Gelet hierop had verweerder, toetsend aan het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, alsnog een interview met identificerende vragen aan eiseres moeten aanbieden, ter vaststelling van de familierelatie met referent, en zo mogelijk de identiteit van eiseres. Door dit na te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

3.2

Ook heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door eiseres eerst in de brief van 13 juni 2018 de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten van 4 november 2016 tegen te werpen.

4. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal bepalen dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

5. Verweerder hoeft daarbij niet subsidiair te toetsen aan het partnerbeleid. Deze beroepsgrond van eiseres faalt ook naar het oordeel van de rechtbank nu het toetsingskader bepaald wordt door het gestelde huwelijk. Omdat de rechtbank niet vooruit kan lopen op de uitkomsten van het te verrichten nadere onderzoek laat de rechtbank de overige beroepsgronden onbesproken.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank overeenkomstig artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1002, -- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt

€ 501,--). Voorts gelast de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 168,-- aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1002,--;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 168,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.