Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16307

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
C/09/555288 / FA RK 18-4509
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming aan de moeder om met de kinderen te verhuizen wordt niet verleend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-4509

Zaaknummer: C/09/555288

Datum beschikking: 22 augustus 2018

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 18 juni 2018 ingekomen verzoek van:

[X]

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.A.M. Jansen te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 18 juni 2018;

  • -

    het gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 3 juli 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 17 juli 2018;

  • -

    het bericht van 23 juli 2018 met bijlagen van de zijde van de moeder.

Op 25 juli 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door mr. C.H. Remmelink (waarnemend advocaat) en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • -

    De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [huwelijksdag] 2008 tot [datum echtscheiding] 2017.

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende drie nu nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] ( [roepnaam minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] ( [roepnaam minderjarige 2] ), geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 3] [minderjarige 2] ( [roepnaam minderjarige 3] ), geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] .

  • -

    Bij beschikking van [dattum ] 2017 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat het convenant en het ouderschapsplan deel uit maken van de beschikking.

  • -

    In het ouderschapsplan van [dattum ] 2017 zijn de ouders het volgende overeengekomen:

  • -

    Artikel 2.3 “De ouders zijn zich ervan bewust dat een verhuizing met medeneming van de kinderen naar een andere woonplaats naar de huidige stand van jurisprudentie en wetgeving, zonder toestemming van de ouder of vervangende toestemming van de rechter niet mogelijk is. De ouders realiseren zich dat een verhuizing van één van hen, gevolgen kan hebben voor de afgesproken verdeling van verzorgings- en opvoedingstaken en dat zij om die reden bij een voorgenomen verhuizing voor één van hen (tijdig) vooraf met elkaar in overleg dienen te treden.”

  • -

    Artikel 3.1 “De ouders spreken met elkaar af dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Zolang moeder nog 3 dagen per week werkt zullen de kinderen in de even weken van vrijdag 19.00 uur naar vader gaan en daar tot dinsdag 19.00 verblijven. Zodra moeder meer gaat werken zullen de kinderen in de even weken op donderdag om 19.00 uur naar vader gaan en daar tot maandag 19.00 uur verblijven. De ouders spreken af dat de ouder waar de kinderen verblijven hen na het eten wegbrengt naar de andere ouder. (…)”

De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de kinderen met de moeder naar Zeeland, (regio) [plaatsnaam] , voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Omdat de ouders samen het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen heeft de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen toestemming van de vader nodig. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil op grond van artikel 1:253a BW worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

De rechtbank heeft ter zitting een vergelijk tussen partijen beproefd, hetgeen niet tot overeenstemming heeft geleid.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn, neemt dat niet weg, dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

Bij de beoordeling van het verzoek dienen blijkens de jurisprudentie de volgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:

  • -

    het recht en belang van de moeder om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;

  • -

    de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de kinderen en de vader voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in zijn/haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

De rechtbank benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden.

Standpunt van de moeder

De moeder wil met de kinderen verhuizen naar haar geboorteplaats [plaatsnaam] in Zeeland. De gescheiden ouders en de kinderen wonen nu nog steeds samen onder één dak in [woonplaats] . Er is sprake van enorme spanningen tussen de ouders, waar ook de kinderen last van hebben. Zo scheldt de vader de moeder uit in het bijzijn van de kinderen, controleert hij haar en heeft hij haar geschopt, aldus de moeder. Zij heeft in [woonplaats] geen eigen sociaal netwerk, waardoor zij geen ondersteuning heeft bij de zorg voor de kinderen, in het bijzonder in het geval van ziekte als zij zelf moet werken. In [plaatsnaam] is zo’n netwerk wel voorhanden: de grootouders aan moederszijde en de broer van de moeder wonen in [plaatsnaam] en zijn bereid en in staat om de kinderen op te vangen. Daar komt bij dat er in [woonplaats] geen geschikte woning beschikbaar is voor de moeder. In de regio [plaatsnaam] zijn ruimere woningen beschikbaar voor minder geld. Als de moeder toestemming krijgt om te verhuizen, dan zal zij een baan in de buurt van [plaatsnaam] zoeken. De verhuizing zal invloed hebben op het contact tussen de vader en de kinderen en op de overeengekomen zorgregeling in het ouderschapsplan, waaraan overigens nog geen uitvoering wordt gegeven omdat de ouders nog onder één dak wonen. Daarom is de moeder bereid om de vader tegemoet te komen in die zin dat de kinderen drie van de vier weekenden bij de vader kunnen verblijven. Daarnaast kan er ook via social media contact blijven. De moeder verwacht dat de kinderen zich na de verhuizing goed zullen aanpassen. [roepnaam minderjarige 1] is tien jaar, hoogbegaafd en hoog sensitief. Hij zit in groep 7 en zal over een jaar naar de middelbare school gaan, zodat hij hoe dan ook van school zal veranderen. [roepnaam minderjarige 2] is zes jaar, mogelijk hoogbegaafd, en zal daarom waarschijnlijk sowieso van school moeten veranderen. [roepnaam minderjarige 3] is vier jaar en heeft nog een minimaal sociaal netwerk in [woonplaats] . De kinderen zitten niet op een sport en hebben geen hobby buitenshuis, aldus nog steeds de moeder.

Standpunt van de vader

De vader is van mening dat er geen noodzaak bestaat voor de moeder om met de kinderen te verhuizen naar [plaatsnaam] . Tussen de ouders zijn inderdaad grote spanningen, die ermee samenhangen dat de moeder de afspraak in het kader van de echtscheiding dat zij de echtelijke woning zal verlaten nog steeds niet is nagekomen. Veilig Thuis en het Scheidingspunt [woonplaats] zijn ingeschakeld. De spanningen zullen afnemen als de moeder de echtelijke woning in [woonplaats] verlaat. Zij hoeft daarvoor niet naar [plaatsnaam] . Met het inkomen van de moeder en met de vordering uit overbedeling kan zij een voor haar en de kinderen geschikte woning met een waarde van tussen de € 200.000 en € 250.000 kopen in [woonplaats] . Daarnaast kan zij haar verdiencapaciteit uitbreiden. De pogingen van de moeder om woonruimte in [woonplaats] te vinden zijn volgens de vader niet overtuigend. De moeder heeft in [woonplaats] wel een sociaal netwerk, waarvan onder andere de grootouders aan vaderszijde deel uitmaken. Bij de totstandkoming van het ouderschapsplan hebben de ouders met elkaar besproken dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders zo mogelijk op loop- of fietsafstand van elkaar zullen wonen. De reisafstand tussen [plaatsnaam] en [woonplaats] is 90 kilometer, terwijl het in het belang van de kinderen is dat zij in de buurt van beide ouders wonen. De door de moeder geboden compensatie van drie van de vier weekenden zorgt voor een te hoge weekendbelasting voor de vader. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij gaan verhuizen naar [plaatsnaam] . De kinderen zijn geworteld in hun omgeving in [woonplaats] . [roepnaam minderjarige 1] heeft het naar zijn zin op school, heeft moeite met veranderingen en heeft duidelijk aangegeven dat hij niet wil verhuizen. De ontwikkeling van [roepnaam minderjarige 2] moet niet worden verstoord door een verhuizing, want het gaat al niet zo denderend op school. Ook [roepnaam minderjarige 3] zal naar verwachting grote moeite hebben met een verhuizing, omdat zij in gedrag sterk op [roepnaam minderjarige 1] lijkt, aldus de vader.

Oordeel van de rechtbank

Omdat de ouders in het convenant de voormalige echtelijke woning aan de vader hebben toegedeeld en het hoofdverblijf van de kinderen aan de moeder, zal de moeder met de kinderen moeten verhuizen. Bij die verhuizing is volgens beide ouders haast geboden, vanwege de vele spanningen en problemen die het voortduren van het verblijf onder één dak heeft veroorzaakt. Het is dus zaak dat de moeder de woning zo snel mogelijk, met de kinderen, verlaat.

De moeder heeft ter zitting in heldere bewoordingen uiteengezet waarom zij na een reeks negatieve ervaringen in [woonplaats] – de plek waar niet alleen haar huwelijk is gestrand en het opbouwen van een sociaal netwerk lastig is gebleken, maar waar zij ook op medisch en professioneel vlak de nodige tegenslagen heeft gekend – samen met de kinderen naar de plek van haar jeugd wil verhuizen. Het is de rechtbank duidelijk dat het hier een diep gevoelde wens van de moeder betreft. Alle betrokken belangen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank echter toch van oordeel dat het verzoek van de moeder met het oog op de belangen van de kinderen moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

Een verhuizing naar [plaatsnaam] is niet de enige mogelijkheid voor de moeder om uit de huidige benarde situatie in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] te komen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet in staat zou zijn om in de regio [woonplaats] geschikte zelfstandige woonruimte te vinden. Volgens de vader heeft de moeder al in september 2017 gesproken over een verhuizing naar [plaatsnaam] en blijkens de verklaring van de moeder ter zitting is zij vanaf maart/april 2018 gestopt met zoeken naar een woning in [woonplaats] . Voor de rechtbank staat verder vast dat er geen ‘harde economische noodzaak’ voor de moeder aanwezig is om op dit moment naar [plaatsnaam] te verhuizen. Integendeel, de moeder heeft in [woonplaats] een baan als lerares en verdient daarmee een inkomen dat haar economische zelfstandigheid garandeert. Of hiervan in de regio [plaatsnaam] ook (direct) sprake zal zijn, is nog maar de vraag. Haar stelling dat haar baan als lerares in [woonplaats] ‘op de tocht staat’, heeft de moeder niet met bewijsstukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de moeder en de kinderen ook in de regio [woonplaats] de noodzakelijke nieuwe start maken, hoezeer de rechtbank ook begrijpt dat de moeder dat veel liever in [plaatsnaam] zou doen.

De rechtbank heeft er oog voor dat het voor de moeder – die met de echtscheiding een groot deel van haar toch al beperkte netwerk in de regio [woonplaats] op afstand heeft zien raken – op dit moment lastig is om achtervang bij ziekte van een van de kinderen te regelen. Dat de familie van de moeder in [plaatsnaam] mogelijk voor opvang kan zorgen – hetgeen de vader overigens heeft betwist – maakt een verhuizing van de moeder met de kinderen, die nog een lange jeugd voor zich hebben waarin intensief contact met hun vader belangrijk is, van [woonplaats] naar [plaatsnaam] daarom nog niet noodzakelijk. De rechtbank ziet een verhuizing naar Zeeland ook niet als de enige of de beste oplossing voor dit – op zichzelf overkomelijke – probleem. Via haar werk en de scholen van de kinderen zal de moeder contacten kunnen opbouwen met andere ouders en voor zover de rechtbank heeft begrepen kan de moeder in noodgevallen ook een beroep doen op haar schoonouders. Haar stelling dat de vader haar daar nu in zou belemmeren kan daar niet aan afdoen, nu hij daartoe feitelijk niet meer in staat zal zijn als de moeder is verhuisd. De vader zelf heeft zich bovendien ook bereid verklaard om in te springen in geval van ziekte.

Dat het voor de moeder moeilijk is achtervang te vinden weegt in ieder geval niet op tegen het recht van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving in [woonplaats] . Bij een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaatsnaam] wordt de rol van de vader te ver ingeperkt. Het contact tussen de vader en de kinderen wordt – indien het voorstel van de moeder wordt gevolgd – beperkt tot drie van de vier weekenden per maand. Dit leidt ertoe dat de vader niet of nauwelijks betrokken kan zijn bij de schoolgang van de kinderen en bij andere doordeweekse activiteiten. Voor de kinderen betekent het dat zij drie van de vier weekenden het contact met hun familie en nieuwe vriendjes en vriendinnetjes in [plaatsnaam] moeten missen en dat zij worden belemmerd in weekendactiviteiten in [plaatsnaam] , zoals sport en kinderfeestjes. De kinderen zullen als gevolg hiervan in een situatie terecht komen waarin hun leven feitelijk opgesplitst wordt. Te voorzien valt dat daardoor op termijn – naarmate zij ouder worden en hun sociale leven zich in toenemende mate zal concentreren rond hun doordeweekse leefomgeving – de zorgregeling nog verder ingeperkt zal worden. Daarnaast is niet in geschil is dat [roepnaam minderjarige 1] duidelijk heeft gezegd dat hij niet wil verhuizen naar [plaatsnaam] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving in Zoetermeer kunnen blijven.

Tot slot overweegt de rechtbank dat op de zitting is gebleken dat de ouders op dit moment nog niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren over zaken die de kinderen aangaan, terwijl het in een situatie waarbij een verhuizing wordt overwogen van belang is dat de ouders met elkaar kunnen overleggen over de gevolgen voor een kind en de achterblijvende ouder van een eventuele verhuizing.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaatsnaam] afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, H. Wien en J.T.W. van Ravenstein, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Corver als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2018.