Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2018
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
C/09/525057 / FA RK 17-209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

gerechtelijke vaststelling vaderschap over een kind dat niet in Nederland woont

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-209

Zaaknummer: C/09/525057

Datum beschikking: 3 december 2018

Bevoegd is de rechter van de woonplaats in Nederland of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk

Verblijf van de minderjarige - 265 Rv.

Gerechtelijke vaststelling ouderschap

Beschikking op het op 9 januari 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[X]

verzoekster, hierna ook te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] , Egypte,

advocaat mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[minderjarige 1]

geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] , Egypte,

de minderjarige of [minderjarige 1] ,

wonende te [woonplaats] , Egypte,

in rechte vertegenwoordigd door mr. I.J. Pieters , advocaat te Leiden,

in de hoedanigheid van bijzondere curator,

en

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de schriftelijke verklaring van de man, ingekomen op 3 februari 2017, inhoudende dat hij instemt met toewijzing van het verzoek, althans geen verweer wenst te voeren, en verklaart geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord;

  • -

    het bericht van 13 februari 2017 met bijlagen van de zijde van de moeder;

  • -

    het bericht van 10 april 2017 met bijlagen van de zijde van de moeder;

  • -

    het verweerschrift van de bijzondere curator, tevens zelfstandig verzoek;

  • -

    het bericht van 24 mei 2017 van de zijde van de moeder;

  • -

    het bericht van 24 november 2017 met bijlage van de zijde van de moeder, met als bijlage een in het Arabisch opgestelde verklaring van [minderjarige 1] gedateerd 15 november 2017 en een beëdigde vertaling van die verklaring.

Op 27 november 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, de bijzondere curator en de man. De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen. Ter zitting zijn door de advocaat van de moeder nadere stukken overgelegd (een kopie van een huwelijksakte en een kopie van een kennisgeving van naturalisatie van de man). De behandeling van de zaak is toen aangehouden tot 1 januari 2018 om de bijzondere curator de gelegenheid te geven de ter zitting overgelegde stukken aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats man] voor te leggen en zijn oordeel over de (erkenning van de) afstammingsrelatie tussen de man en de minderjarige te vragen.

Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het bericht van 26 januari 2018 met bijlagen van de bijzondere curator;

  • -

    het bericht van 13 februari 2018 van de zijde van de moeder.

Op 5 november 2018 is de behandeling ter zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, de man, de bijzondere curator en namens de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats man] , de heer [naam ambtenaar] (hierna: de ambtenaar).

Feiten

  • -

    In de Basisregistratie Personen (BRP) staat de man geregistreerd als gehuwd met de moeder op [huwelijksdatum] 2008. Daarnaast is in de BRP opgenomen dat een eerder huwelijk tussen de man en [ex echtgenote] is ontbonden op [dag ontbinding huwelijk] 2006.

  • -

    De moeder staat in de BRP geregistreerd als niet-ingezetene. Bij de moeder staat geen huwelijk geregistreerd.

  • -

    In een kopie van een vertaling van een huwelijksakte, nummer [nr. 1] met datum

[datum 1] 2004, is vermeld dat de man en de moeder zijn gehuwd (in de echt verbonden) op [datum 2] 2004 te [huwelijksplaats] , Egypte.

  • -

    In een vertaling van een Egyptische geboorteakte van [datum 3] 2005, nummer [nr. 2] , aktenummer [nr. 3] , waarvan afschrift is afgegeven op 16 november 2015 door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [plaatsnaam] , is vermeld dat op [geboortedag] 2005 is geboren: [minderjarige 1] . Op deze geboorteakte staat de moeder geregistreerd als moeder en de man als vader.

  • -

    In een uit het Arabisch naar het Engels vertaalde akte, met als aanhef “Authentication of Marriage Deed’, nummer [nr. 4] is vermeld dat de moeder en de man zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2008 te [huwelijksplaats] Egypte. In dit document staat dat de man heeft verklaard dat hij niet is gehuwd met een andere vrouw en dat partijen hebben verklaard dat zij op [huwelijksdag] 2006 zijn gehuwd door ‘a legitimate deed by an Islamic Scientist’.

  • -

    Bij Koninklijk Besluit van 8 [datum 2] 2005 is het Nederlanderschap aan de man verleend.

  • -

    De moeder en [minderjarige 1] hebben de Egyptische nationaliteit.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2017 is mr. Pieters voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige 1] ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

  • -

    Een rapport van DNA-onderzoek van Verilabs, gedateerd 6 april 2017, vermeldt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (99,99%) de man de biologische vader is van [minderjarige 1] .

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt het vaderschap van de man over [minderjarige 1] gerechtelijk vast te stellen en zo nodig een DNA-onderzoek te gelasten, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man stemt in met toewijzing van het verzoek.

De bijzondere curator voert verweer en stelt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De bijzondere curator heeft vervolgens zelfstandig verzocht het vaderschap van de man over [minderjarige 1] gerechtelijk vast te stellen.

Beoordeling

Verzoek van de moeder

Namens de moeder is het volgende aangevoerd. De moeder en de man zijn in 2004 met elkaar gehuwd in Egypte. Zij hebben samen drie kinderen gekregen: [minderjarige 1] , [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2010 in Egypte) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag] in Egypte). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden de Egyptische en Nederlandse nationaliteit. [minderjarige 1] is tijdens het religieus huwelijk van de moeder en de man geboren. De moeder verblijft met de drie kinderen in Egypte. De man woont in Nederland. De man heeft geprobeerd om [minderjarige 1] bij de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats man] op te laten nemen in de BRP, maar volgens de gemeente kan de man niet als de vader worden aangemerkt naar Egyptisch recht. De man kan niet overgaan tot erkenning van [minderjarige 1] , omdat de moeder en [minderjarige 1] niet in Nederland wonen, en [minderjarige 1] naar Egyptisch recht al een juridische vader heeft. Op het verzoek van de moeder is Egyptisch recht van toepassing, maar op grond van dat recht is een verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap niet mogelijk. De moeder stelt dan ook dat op grond van artikel 10:6 BW Nederlands recht moet worden toegepast op het verzoek en dat dit verzoek moet worden toegewezen.

Rechtsmacht

Nu de man in Nederland woont is de rechtbank bevoegd om op grond van artikel 3, sub a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kennis te nemen van het verzoek. Op grond van artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. De rechtbank Den Haag is op grond van artikel 269 Rv bevoegd, aangezien [minderjarige 1] geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.

Familierechtelijke betrekkingen tussen de man en [minderjarige 1]

De rechtbank dient eerst te beoordelen met wie [minderjarige 1] al in familierechtelijke betrekking staat. Van belang is daarbij of [minderjarige 1] binnen of buiten een huwelijk is geboren en of dat huwelijk in Nederland erkend kan worden.

Op de eerste zitting op 27 november 2017 is door de advocaat van de moeder een kopie van een huwelijksakte overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de moeder en de man op

2 december 2004 met elkaar zijn gehuwd. Op de tweede zitting op 5 november 2018 is door de advocaat van de moeder aangevoerd dat partijen elkaar in 2004 hebben ontmoet en dat in datzelfde jaar een religieus huwelijk tussen partijen is gesloten door de Imam. De man zou de moeder na een paar maanden hebben verstoten (door driemaal ‘ik wil scheiden’ te zeggen). Op de tweede zitting heeft de advocaat aangevoerd dat van deze verstoting geen akte is opgemaakt. Nadat [minderjarige 1] verwekt bleek te zijn, hebben de man en de moeder een verzoeningspoging gedaan in 2006 door opnieuw een religieus huwelijk te sluiten, althans, het eerste religieuze huwelijk van 2004 te laten bevestigen. In 2008 zijn partijen met elkaar gehuwd bij de burgerlijke stand, aldus de advocaat van de moeder. In de akte van dit huwelijk staat volgens de advocaat een onjuiste datum van het religieuze huwelijk, namelijk 2006 in plaats van 2004. Ook staat er in de akte dat de moeder maagd was, maar de moeder was in 2006 uiteraard geen maagd meer. De advocaat stelt dat het eerste huwelijk van partijen in 2004 uiteindelijk niet ontbonden bleek te zijn geweest, nu van de verstoting geen akte was opgemaakt bij de burgerlijke stand. Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] was er dan ook sprake van een huwelijk. Mede gelet op de onduidelijkheden in de aktes volgt de advocaat van de moeder wel het standpunt van de ambtenaar, dat het huwelijk uit 2004 in Nederland niet kan worden erkend.

De ambtenaar heeft ter zitting aangevoerd dat het op de weg van de man had gelegen om de huwelijksakte destijds te laten verbeteren als volgens hem de huwelijksdatum van 2008 niet klopte, voordat hij deze akte ter inschrijving in de BRP aanbood. Er is volgens de ambtenaar in ieder geval onvoldoende zekerheid om aan te nemen dat de moeder en de man in 2004, dan wel in 2006 zijn gehuwd en dus om de gegevens in de BRP over het huwelijk – te weten 2008 – aan te passen. Daarnaast was de man in 2004 - ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] - nog met een andere vrouw getrouwd. Nu bigamie in Nederland niet is toegestaan, kan geen sprake kan zijn van erkenning in Nederland van een eventueel huwelijk uit 2004 met de moeder.

Op grond van artikel 10:31 BW dient de rechtbank te beoordelen of de door de moeder gestelde in Egypte gesloten huwelijken van de moeder en de man in Nederland erkend kunnen worden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31, eerste lid, BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bevat een vermoeden van rechtsgeldigheid: een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

De rechtbank is op grond van hetgeen is gesteld en de overgelegde stukken niet in staat om vast te stellen dat er in 2004 dan wel ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] sprake was van een naar Egyptisch recht geldig tot stand gekomen huwelijk tussen de moeder en de man. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de verschillende akten betreffende de huwelijken, waarbij de akte uit 2004 geen origineel en recent afschrift is, en de verschillende in die aktes genoemde huwelijksdata; 2004, 2006 en 2008. De wisselende verklaringen daarover van (advocaat van) de moeder - op de zitting van 5 november 2018 werd een andere uitleg gegeven over de huwelijksdata dan op de zitting van 27 november 2017 - geven evenmin duidelijkheid over de huwelijk(en) tussen de moeder en de man. Voor de uitleg van de moeder dat de huwelijksakte uit 2008 slechts een bekrachtiging betreft van een eerder religieus huwelijk uit 2004, waarvan in 2006 een verzoening heeft plaatsgevonden, vindt de rechtbank geen aanknopingspunten in de tekst van genoemde akte.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] , nog daargelaten de vraag of dat huwelijk in Nederland voor erkenning in aanmerking zou komen. Er is dan ook geen familierechtelijke betrekking ontstaan uit een huwelijk en ook voorts is de rechtbank niet gebleken dat er tussen de man en [minderjarige 1] op een andere grond een familierechtelijke betrekking is ontstaan. Dit maakt dat de rechtbank hierna als uitgangspunt zal nemen dat er tussen de man en [minderjarige 1] geen in Nederland te erkennen familierechtelijke betrekkingen bestaan. De rechtbank komt dan ook toe aan de verzoeken van de moeder en de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

Volgens artikel 10:97 lid 1 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Voor de toepassing van dit lid is bepalend het tijdstip van de indiening van het verzoek.

Nu de moeder en de man geen gemeenschappelijke nationaliteit en verblijfplaats hebben, is het Egyptisch recht van toepassing als recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige.

Egyptisch recht

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat naar Egyptisch recht de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet mogelijk is, zodat op grond van artikel 10:6 BW en artikel 8 EVRM het Nederlands recht in plaats van het Egyptisch recht moet worden toegepast. De bijzondere curator deelt dit standpunt van de moeder.

De rechtbank stelt vast dat het Egyptische recht de rechtsfiguur van gerechtelijke vaststelling vaderschap niet kent. Strikte toepassing van de verwijzingsregel van artikel 10:97 BW komt er in dat geval op neer dat de afstammingsrelatie niet in overeenstemming kan worden gebracht met de biologische werkelijkheid – immers DNA-onderzoek wijst uit dat de man de vader is van [minderjarige 1] . Een dergelijke gevolgtrekking moet, naar het oordeel van de rechtbank, in het voorliggende geval, waarbij op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat de man family life heeft met [minderjarige 1] , in strijd worden geacht met artikel 8 EVRM. De rechtbank is dan ook van oordeel dat toepassing van het Egyptische recht in dit specifieke geval onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde, zodat toepassing ervan op grond van artikel 10:6 BW achterwege hoort te blijven. [minderjarige 1] heeft er immers belang bij dat de familierechtelijk betrekking met de man komt vast te staan zodat hij daaruit ook rechten kan ontlenen.

Gezien het vorenstaande, gelet op de betrokkenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer en het feit dat de (in Nederland te erkennen) familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige 1] en de man niet op een andere wijze kan worden vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht.

Nederlands recht

Op grond van artikel 1:207, eerste lid, BW kan – voor zover hier van belang – het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:

  1. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;

  2. het kind.

Op grond van het derde lid van dit artikel dient de moeder –voor zover hier relevant- het verzoek in te dienen binnen vijf jaren na de geboorte van het kind.

De rechtbank stelt voorop dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek aangezien de termijn voor het indienen van onderhavig verzoek voor haar is verstreken.

De bijzonder curator heeft een zelfstandig verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap gedaan en gesteld dat dit in het belang van [minderjarige 1] is. De man heeft aan de bijzondere curator aangegeven dat hij dagelijks contact heeft met zijn gezin – onder wie [minderjarige 1] – dat hij hen financieel onderhoudt en dat hij met regelmaat hen bezoekt in Egypte. Uit het DNA-rapport blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] . De bijzondere curator constateert dat [minderjarige 1] naar Nederlands recht nog geen juridische vader heeft en dat de overige criteria van artikel 1:207 BW geen beletsel opleveren voor de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor het gerechtelijk vaststellen van het vaderschap verlangt deze rechtbank in beginsel aanvullend bewijs, meestal in de vorm van een DNA-onderzoek. Door de moeder is een kopie van een rapport van DNA-onderzoek overgelegd van 6 april 2017, uitgevoerd door Verilabs. Uit het rapport blijkt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de man de biologische vader is van [minderjarige 1] .

Op grond van deze conclusie, alsmede gelet op de overige feiten en omstandigheden van de zaak, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is. Nu van overige bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BW niet is gebleken ligt het verzoek voor toewijzing gereed.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;

stelt vast het vaderschap van:

[Y] , geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , Egypte,

over:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , Egypte,

uit:

[X] geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] , Egypte;

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, M.P. Verloop en J.C. Sluymer, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Corver als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2018.