Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16263

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
7275711 EJ VERZ 18-86039
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Billijke vergoeding na ontslag op staande voet hoogte billijke vergoeding gelijk aan periode arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

MN/zaaknr.: 7275711 EJ VERZ 18-86039 en 7187810 EJ VERZ 18-85693

Beschikking van de kantonrechter d.d. 20 november 2018 in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij, tevens verwerende partij,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. A.J. Vis.

en

de besloten vennootschap Kloek Personeelsdiensten B.V.,

statutair gevestigd te Alphen aan den Rijn,

verwerende partij, tevens verzoekende partij,

hierna te noemen: Kloek,

gemachtigde: mr. D.J.W. Feddes,

1 Het verloop van de procedures

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de navolgende stukken, waaruit tevens het verloop van de procedure blijkt:

- het verzoekschrift van [verzoeker], ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 5 september 2018;

- het verweerschrift van Kloek;

- het verzoekschrift van Kloek, ingekomen ter griffie van de rechtbank Zeeland-West Brabant op 6 september 2018;

- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Zeeland-West Brabant d.d. 20 september 2018;

- het verweerschrift van [verzoeker];

- de pleitaantekeningen van mr. Feddes;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van de zaken op 29 oktober 2018.

2 De overwegingen

2.1 [

verzoeker] verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, nadat hij zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling van de zaken heeft gewijzigd, de veroordeling van Kloek om binnen vijf dagen na de ten deze te geven beschikking, aan [verzoeker] te betalen:

1. de billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW onder verstrekking van een deugdelijke specificatie bruto/netto;

2. een bedrag ter hoogte van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren conform artikel 7:672 lid 9 BW, te weten een bedrag ad € 19.768,25 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

3. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de dag dat deze verschuldigd zijn;

met veroordeling van Kloek in de kosten van de procedure.

2.2 [

verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 1958 en is op 1 januari 2018 voor de duur van één jaar, tegen een salaris ad € 3.162,92 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, in de functie van Teamleider in dienst getreden bij Kloek, op haar zorglocatie voor dementerende personen te Roosendaal. Kloek heeft hem op 6 juli 2018 ten onrechte op staande voet ontslagen. Hierbij is het volgende van belang. Kloek heeft [verzoeker] aangenomen als teamleider voor één afdeling op haar zorglocatie te Roosendaal. Gedurende nagenoeg de eerste vijf maanden van zijn dienstverband heeft hij echter moeten functioneren als teamleider voor twee afdelingen, omdat een tweede teamleider niet beschikbaar was. De stelling van Kloek, dat hij vanaf de aanvang van zijn dienstverband disfunctioneerde, is niet juist. Bij de beoordeling van zijn functioneren heeft Kloek ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat hij gedurende de periode van zijn dienstverband als teamleider heeft moeten functioneren voor twee afdelingen. Tijdens het gesprek dat Kloek in april 2018 met [verzoeker] heeft gevoerd is aan de orde geweest dat hij gedurende de eerste drie maanden van zijn dienstverband niet heeft kunnen inloggen op Dyflexis (het personeelsadministratieprogramma van Kloek). Toen dit vervolgens wel mogelijk was, kon hij niet muteren. Ook op Centric (het elektronisch patiëntendossier bij Kloek) heeft hij aanvankelijk niet kunnen inloggen. Het was aldus bijzonder lastig om zich deze systemen eigen te maken. Het verwijt van Kloek, dat hij zich deze programma’s niet eigen heeft gemaakt, is daarom niet terecht. De stelling van Kloek, dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan ongepast gedrag (intimiderende uitlatingen) jegens een vrouwelijke collega, is niet onderbouwd en onjuist. Kloek verwijt [verzoeker] verder ten onrechte dat hij hardhandig is opgetreden tegen een wilsonbekwame cliënt. Aan de orde was dat de betreffende cliënt medio mei 2018 onrustig was en was weggelopen. Een collega van [verzoeker] is hem achterna gegaan en heeft hem proberen terug te brengen. Omdat hem dit niet lukte, is uiteindelijk aan [verzoeker] gevraagd om de betreffende cliënt met de auto te komen halen. Bij zijn aankomst was de cliënt verward, agressief (hij had geknepen en geslagen), duidelijk gedesoriënteerd en vermoeid. [verzoeker] en zijn collega’s hebben hem, ofschoon hij niet coöperatief was, in de auto weten te krijgen. Geweld is daarbij niet gebruikt. Eenmaal aangekomen op locatie, is de betreffende cliënt tot rust gekomen en heeft hij medicatie gekregen. Het bestuur van Kloek heeft [verzoeker] tijdens het gesprek dat op 15 juni 2018 met hem is gevoerd, overladen met negatieve kritiek. Hij voelde zich in het nauw gedreven. Anders dan Kloek stelt, heeft hij tijdens dat gesprek niet ingestemd met de voortijdige beëindiging van het dienstverband. Kloek heeft hem wel een beëindigingsovereenkomst aangeboden, maar die heeft hij niet ondertekend. Kloek heeft hem vervolgens zonder zijn instemming overgeplaatst naar haar zorglocatie voor dementerende personen te Amsterdam. Tijdens zijn eerste late dienst aldaar heeft het volgende plaatsgevonden. Een aldaar woonachtige cliënte is samen met haar vriendin, met toestemming van haar dochter, te circa 15.15 uur naar buiten gegaan. Te circa 18.15 uur is er telefonisch contact geweest met de dochter. Een collega van [verzoeker] heeft haar desgevraagd gezegd dat haar moeder nog niet was teruggekeerd. [verzoeker] heeft haar toen niet gesproken. Besproken is dat zijn collega de betreffende cliënte zou gaan zoeken bij de woning van haar vriendin. Daar werd zij niet aangetroffen en zij werd evenmin gevonden in de buurt van haar voormalige woning. Te 19.20 uur heeft de dochter opnieuw gebeld. [verzoeker] heeft haar toen gesproken en haar gezegd dat haar moeder nog steeds niet terug was. Zij was hier ongerust over en [verzoeker] heeft haar gezegd dat hij zich dat kon voorstellen. Hij heeft met haar afgesproken dat hij zich zou melden zodra hij nieuws had. De dochter heeft hem toen gezegd dat zij stappen zou ondernemen indien zij voor 20.00 uur niets naders had vernomen. Vervolgens is zij te circa 20.30 uur samen met haar moeder op de zorglocatie komen aanzetten. [verzoeker] zat op dat moment met een collega buiten op het terras. Zijn collega heeft met de dochter gesproken en [verzoeker] is naar binnen gegaan om te zorgen voor de maaltijd van de betreffende cliënte. Haar dochter had haar gevonden op een bankje in een park en zij had nog niet gegeten. Dezelfde avond is een andere cliënt, waarschijnlijk samen met een leverancier, mee naar buiten gelopen. Zijn absentie is snel opgemerkt en zij is kort daarna gevonden, buiten op een bankje in de buurt. Van deze verdwijningen heeft [verzoeker] geen melding gemaakt bij het bestuur van Kloek. Dit is te herleiden op het feit dat [verzoeker] die avond te Amsterdam voor het eerst een late dienst had, daar nog niet was ingewerkt en nog niet op de hoogte was van de gehele gang van zaken. Kloek verwijt [verzoeker] voorts ten onrechte dat hij seksuele bijbedoelingen heeft gehad met de instructie die hij een vrouwelijke collega heeft gegeven over het injecteren van een cliënte. Hij heeft haar met een gestrekte vinger op het bovenste, buitenste kwadrant van de bil gedrukt om haar te laten ervaren wat zij bij het oefenen van het injecteren verkeerd had gedaan. Te concluderen is aldus dat Kloek [verzoeker] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Nu de terugkeer van [verzoeker] op de werkvloer een gepasseerd station is, zodat hem op de voet van artikel 7:681 lid 1 BW de billijke vergoeding is toe te kennen en om Kloek te veroordelen om hem het loon c.a. te betalen dat hij verdiend zou hebben indien de arbeidsovereenkomst op regelmatige wijze, per 1 januari 20198, zou zijn geëindigd.

2.3

Kloek verzoekt om [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans om deze af te wijzen, met veroordeling van hem in de kosten van de procedure. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd, komt voor zover nodig hierna aan de orde.

2.4

Kloek verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor het geval het [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een zo kort mogelijke termijn;

b. [verzoeker] te veroordelen om aan Kloek te betalen, binnen twee weken na de te geven beschikking, de gefixeerde schadevergoeding ad € 4.164, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven.

2.5

Kloek legt het volgende aan haar verzoeken ten grondslag. [verzoeker], geboren op [geboorte datum] 1958, is op 1 januari 2018 voor de duur van 12 maanden bij haar in dienst getreden in de functie van Teamleider tegen een salaris ad € 3.162,92 per vier weken exclusief 8% vakantiegeld en emolumenten. In die functie was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen op de afdeling van de door Kloek te Roosendaal geëxploiteerde zorginstelling voor personen met dementie (24 uurs zorg). Op grond van artikel 34 Wet BIG valt [verzoeker] (als verpleegkundige) onder de BIG-regelgeving. Bij de uitvoering van zijn taken diende [verzoeker] zich te houden aan hetgeen is vermeld in de ‘Wegwijzer Kloek’. Kloek heeft vanaf het begin van het dienstverband veel klachten van medewerkers en mantelzorgers ontvangen over het functioneren van [verzoeker]. Zij heeft hem daar op aangesproken. Hetgeen is besproken, is schriftelijk vastgelegd. Op 10 april 2018 is opnieuw met [verzoeker] gesproken over zijn functioneren. Tijdens dit gesprek is onder meer aan de orde gekomen dat hij zich het personeelsregistratieprogramma Dyflexis en het elektronisch cliëntenprogramma Centric niet eigen had gemaakt, dat hij onvoldoende communiceert en niet flexibel was en dat de bejegening richting personeel en cliënten niet in orde was. Er zijn op 10 april 2018 afspraken gemaakt om dit te verbeteren. Op 30 mei en 8 juni 2018 is hierover verder gesproken. Het gesprek van 8 juni 2018 vond plaats (mede) naar aanleiding van de incidenten die collega’s van [verzoeker] aan Kloek hadden gemeld. Dit betrof ongepast gedrag van [verzoeker] jegens vrouwelijke collega’s (intimiderende uitlatingen) en onjuist gedrag van [verzoeker] ten opzichte van cliënten, waaronder in week 22/23 het met geweld in de auto werken van een onrustige cliënt. Tijdens dat gesprek is verder gesproken over de nog steeds gebrekkige communicatie van [verzoeker] en zijn onverminderd te beperkte kennis van Dyflexis. Ter sprake is verder gekomen dat door de collega’s van [verzoeker] wordt getwijfeld aan zijn leidinggevende kwaliteiten. Hij voert zijn kerntaken niet of ondermaats uit. Aan het eind van het gesprek van 10 juni 2018 is geconcludeerd dat [verzoeker] bij Kloek geen draagvlak meer had. Partijen hebben toen gesproken over de voortijdige beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. [verzoeker] stond daar op dat moment positief tegenover. Met het concept van de tekst waarmee Kloek haar medewerkers van de beëindiging van het dienstverband hiervan in kennis wilde stellen, is hij 15 juni 2018 akkoord gegaan en die tekst is daarom verzonden. Kloek had [verzoeker] inmiddels, in overleg met hem, vrijgesteld van werk. Op 19 juni 2018 meldt hij onverwacht aan Kloek dat hij zich beschikbaar houdt voor werk. Het op 22 juni 2018 aan hem toegezonden voorstel met het oog op de beëindiging van zijn dienstverband, heeft hij niet geaccepteerd. Dit heeft er toe geleid dat Kloek heeft moeten besluiten om [verzoeker] te werk te stellen in haar vestiging te Amsterdam. Ook daar bleek al ras dat [verzoeker] niet functioneerde en dat zijn communicatie te wensen overliet. Om die reden heeft Kloek hem bij brief d.d. 26 juni 2018 een laatste waarschuwing gegeven. Bij dezelfde brief is hem het einde van het dienstverband aangezegd per 31 december 2018 en is hem (opnieuw) verzocht om de sleutels van het pand van Kloek te Roosendaal in te leveren. Aan de verzoeken die Kloek bij haar brief d.d. 26 juni 2018 aan [verzoeker] deed, heeft hij geen gevolg gegeven, reden waarom Kloek hem bij brief d.d. 3 juli 2018 met behoud van salaris op non-actief heeft gesteld. Dit laatste hield mede verband met het incident dat Kloek ter ore was gekomen. Het gaat hierbij om een cliënt die niet terug was gekeerd naar de zorginstelling en gedurende een reeks van uren zoek is geweest. Het was aan [verzoeker], als de enige aanwezige verpleger, om hierop actie te ondernemen, maar hij heeft hier niet naar omgekeken en niet of niet goed gecommuniceerd met de ongeruste dochter van de betreffende cliënte, terwijl hij van dit voorval bovendien geen Melding Incidenten Cliënten heeft gedaan en ook niets heeft gemeld aan het bestuur. De betreffende cliënte is uiteindelijk in de stad gevonden door haar dochter. Toen zij in de loop van de avond met haar moeder terug kwam bij instelling, trof zij [verzoeker] koffiedrinkend en rokend aan en kreeg zij van hem te horen dat hij het probleem van de situatie niet in zag. Bij brief d.d. 9 juli 2018 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] geprotesteerd tegen zijn op non-actief stelling en verzocht hij om weer te mogen werken in zijn oorspronkelijke functie van Teamleider. Kloek heeft naar aanleiding van het zojuist bedoelde incident onderzoek ingesteld. Met uitkomsten van dat onderzoek heeft zij [verzoeker] geconfronteerd. Een bevredigende reactie heeft hij daar niet gegeven. Om die reden heeft Kloek hem bij brief d.d. 6 juli 2018 op staande voet ontslagen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat [verzoeker] niet of nauwelijks meewerkt op de werkvloer, niet of nauwelijks communiceert, niet rapporteert, polariserend werk, onjuiste informatie verschaft, normafwijkend gedrag vertoont, zich schuldig maakt aan seksueel getinte bejegening(en) en seksueel overschrijdend wangedrag jegens een ondergeschikte, jongere vrouwelijke collega en over onvoldoende kennis beschikt en de regels niet kent. Het seksueel overschrijdend wangedrag is door de betreffende vrouwelijke collega aan Kloek gemaild bij brief van 4 juli 2018. Haar klacht houdt verband met het volgende. Hij heeft haar uitleg gegeven over intramusculair injecteren. In het kader daarvan heeft hij haar gevraagd om voorover te bukken en daarmee de houding aan te nemen waarin zij een cliënte had geïnjecteerd. Vervolgens heeft hij haar bil aangeraakt op de plek waar zij volgens hem moest prikken, om haar te laten voelen dat de bilspieren in die houding gespannen zijn, zodat het injecteren pijnlijk is. Vervolgens heeft hij haar rechtop laten staan en heeft hij nogmaals haar bil aangeraakt om haar te laten voelen dat de bilspieren in die houding ontspannen zijn, zodat het injecteren minder pijnlijk is. Deze aanrakingen hebben bij de betreffende vrouwelijke collega veel spanningen en angst veroorzaakt, zodanig dat het lang heeft geduurd alvorens zij dit incident aan Kloek heeft durven melden. [verzoeker] had zich van het aanraken van zijn jongere collega moeten onthouden. Hij had moeten weten dat dergelijk gedrag heeft te gelden als gedrag met een seksuele connotatie en dat dit in de gegeven omstandigheden dus onacceptabel is. Bij het besluit om [verzoeker] op staande voet te ontslaan heeft Kloek in aanmerking genomen dat de arbeidsovereenkomst met hem was aangegaan voor relatief korte tijd en dat hij, met zijn ervaring, makkelijk ander werk kan vinden in de ouderenzorg. Overigens heeft [verzoeker], ondanks herhaalde verzoeken, niet met een verklaring van vakbekwaamheid aangetoond dat hij vakbekwaam is. Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt, leiden de aan de orde feiten tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is te ontbinden omdat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten, althans omdat hij ongeschikt is in zijn functie, althans omdat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt, althans omdat er andere omstandigheden zijn die tot ontbinding moeten leiden. Herplaatsing van [verzoeker] is niet aan de orde. Met de opzegtermijn is geen rekening te houden. Er is geen reden om hem een billijke vergoeding toe te kennen. Aangezien Kloek [verzoeker] op staande voet heeft moeten ontslaan, heeft zij jegens hem aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 en 3 BW.

2.6 [

verzoeker] verzoekt om de afwijzing van de verzoeken van Kloek, met veroordeling van haar in de kosten van de procedure. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd komt voor zover nodig hierna aan de orde.

2.7

De kantonrechter overweegt het volgende.

2.8

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat vast dat [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1958, op 1 januari 2018 voor de duur van 12 maanden bij Kloek in dienst getreden in de functie van Teamleider tegen een salaris ad € 3.162,92 per vier weken exclusief 8% vakantiegeld en emolumenten. Op dezelfde grond staat vast dat [verzoeker] zijn werkzaamheden bij Kloek is begonnen op haar zorglocatie voor dementerende personen te Roosendaal en dat Kloek op 22 juni 2018 heeft besloten om hem vanuit Roosendaal over te plaatsen naar haar zorglocatie voor dementerende personen te Amsterdam, aan welk besluit [verzoeker] uitvoering heeft gegeven. Op dezelfde grond staat vast dat Kloek in de periode voor de overplaatsing van [verzoeker] naar Amsterdam, bij herhaling met hem heeft gesproken over zijn functioneren en daar kritiek op heeft uitgeoefend. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat ook vast dat Kloek [verzoeker] bij brief d.d. 6 juli 2018 (productie 23 bij het verzoekschrift van Kloek) op staande voet heeft ontslagen.

2.9

Voor zover Kloek aan het ontslag van 6 juli 2018 feiten en omstandigheden ten grondslag legt die zich hebben voorgedaan in de periode dat [verzoeker] bij haar te Roosendaal werkte, leveren deze (in ieder geval subjectief bezien) geen dringende reden op. Kloek heeft op 22 juni 2018 immers niet besloten om [verzoeker] te ontslaan, maar heeft besloten om hem over te plaatsen naar en te werk te stellen te Amsterdam. Of de zojuist bedoelde, door Kloek gestelde feiten en omstandigheden juist zijn, kan daarom in het midden blijven. Bij de beantwoording van de vraag of Kloek [verzoeker] terecht op staande voet heeft ontslagen kan het aldus alleen gaan om de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan of bekend zijn geworden in de periode na zijn overplaatsing naar Amsterdam. Dit betreffen – blijkens de door Kloek in het geding gebrachte producties en de toelichting die zij daarop heeft gegeven – de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan op 1 juli 2018 en de feiten die [naam vrouwelijke collega] bij e-mailbericht d.d. 5 juli 2018 aan Kloek heeft gemeld (productie 24 bij het verzoekschrift van Kloek). Voor zover Kloek met betrekking tot de Amsterdamse periode andere feiten en omstandigheden aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, zijn deze niet naar behoren onderbouwd en blijven deze op die grond buiten beschouwing.

2.10

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte stukken staat vast dat op zondag 1 juli 2018 een cliënte van Kloek, mevrouw [naam cliënte], met toestemming van haar dochter, vanuit de Amsterdamse zorglocatie is vertrokken met een vriendin. Op dezelfde grond staat vast dat [verzoeker] die dag op die locatie voor het eerst de late dienst had en niet was ingewerkt, maar als de enig aanwezige verpleger wel de verantwoording had voor de gang van zaken op de locatie. Op de zojuist genoemde grond staat voorts vast dat de dochter van mevrouw [naam cliënte] zich aan het begin van de avond ongerust is gaan maken, toen zij vernam dat haar moeder op dat moment niet op de zorglocatie was teruggekeerd van haar uitstapje met haar vriendin. Verder staat op die grond vast dat een collega van [verzoeker] om die reden in de stad ongeveer een uur naar mevrouw [naam cliënte] op zoek is geweest (haar bezoek aan de woning van de vriendin en het bezoek aan de voormalige woning van mevrouw [naam cliënte]), maar haar niet heeft gevonden. Eveneens staat op die grond vast dat [verzoeker] hierover met haar dochter van mevrouw [naam cliënte] telefonisch contact heeft gehad, dat kennelijk ook zij naar haar moeder op zoek is gegaan, haar heeft gevonden en te circa 20.30 uur met haar op de zorglocatie is verschenen. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte stukken staat verder vast dat dezelfde avond gedurende een relatief korte periode ook een andere Amsterdamse cliënte van Kloek, mevrouw [naam cliënte 2], zoek is geweest en dat [verzoeker], in strijd met de instructies van Kloek, van beide incidenten geen melding heeft gemaakt door middel van het MIC-meldingsformulier.

2.11

Kloek verwijt [verzoeker] dat hij aan beide, zojuist beschreven incidenten geen aandacht heeft besteed, althans daar niet adequaat op heeft gereageerd, geen MIC-melding heeft gedaan, niet naar behoren met de dochter van mevrouw [naam cliënte] heeft gecommuniceerd en haar niet zijn medeleven heeft betoond. Haar stelling dat [verzoeker] niet met de dochter heeft meegeleefd en niet naar behoren met haar heeft gecommuniceerd, heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen. Voor zover (zoals is beschreven in het als productie 22 aan het verzoekschrift van Kloek gehechte verslag van [betrokkene] d.d. 2 juli 2018) de dochter van mevrouw [naam cliënte][verzoeker] heeft gevraagd om haar steeds even te bellen om haar te laten weten of haar moeder al was gevonden en [verzoeker] daaraan wat haar betreft niet heeft voldaan, was haar verzoek om dat te doen wel wat veel gevraagd. De stelling dat [verzoeker] zich niets van de verdwijning van mevrouw [naam cliënte] heeft aangetrokken, is niet aannemelijk, nu vast staat dat een van zijn collega’s gedurende circa een uur op de meest voor de hand liggende plekken in de stad naar haar is gaan zoeken. Of zij eerder zou zijn gevonden indien [verzoeker], nadat zijn collega onverrichter zake op de zorglocatie was teruggekeerd, de politie had ingeschakeld, valt te betwijfelen, omdat haar dochter vrij snel daarna met haar moeder op de zorglocatie is verschenen. Van het feit dat mevrouw [naam cliënte 2] dezelfde (wel wat onfortuinlijke) avond ook nog eens gedurende een korte periode zoek is geraakt, kan [verzoeker], die nu eenmaal niet zijn ogen steeds overal kan hebben, geen verwijt worden gemaakt, althans feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie kunnen leiden, zijn niet (voldoende) gebleken. Hierbij is ook van belang dat de zorglocatie van Kloek geen gesloten instelling is. Wat overblijft is dus dat [verzoeker] in strijd met de instructies van Kloek van de verdwijningen van mevrouw [naam cliënte] en mevrouw [naam cliënte 2] geen MIC-melding heeft gedaan. Dat rechtvaardigt wel een waarschuwing, maar niet een ontslag op staande voet.

2.12

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en het e-mailbericht met bijlage d.d. 5 juli 2018 van [naam vrouwelijke collega] staat vast dat zij, een jongere collega van [verzoeker] in de functie van Verzorgende IG / Leerling Verpleegkunde, [verzoeker] op enig moment (vele maanden voor 4 juli 2018) heeft gevraagd om mee te kijken tijdens het zetten van een intramusculaire injectie en om haar na die handeling feedback te geven. Op dezelfde grond staat vast dat hij haar, met haar alleen op de kamer, de gevraagde feedback heeft gegeven, dat hij haar tijdens zijn feedback voorover heeft laten bukken, in welke houding hij haar bil heeft aangeraakt op de plek waar zij zou moeten prikken, om haar te laten voelen dat in die houding de bilspieren aangespannen zijn, en dat hij hetzelfde heeft gedaan toen zij rechtop stond, om haar te laten voelen dat die spieren in die houding minder gespannen zijn. Kloek verwijt [verzoeker] dat hij zich dusdoende schuldig heeft gemaakt aan seksueel ontoelaatbaar gedrag jegens een jongere, ondergeschikte vrouwelijke collega.

2.13

Uit de beschrijving van de feiten, zoals [naam vrouwelijke collega] die in de bijlage bij haar e-mailbericht heeft gegeven, kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [verzoeker] haar bil heeft aangeraakt met seksuele (bij)bedoelingen. Bij gebreke daarvan is het er voor te houden dat [verzoeker], zoals hij heeft gesteld, die (bij)bedoelingen niet heeft gehad, en hij met zijn aanrakingen alleen voelbaar heeft willen maken welk effect de ene of de andere houding heeft op de mogelijkheid om zonder te veel pijn een intramusculaire injectie te zetten. Dat neemt niet weg dat [verzoeker] zich had behoren te realiseren dat hij zich dit soort aanrakingen niet mocht permitteren zonder de voorafgaande, expliciete toestemming van [naam vrouwelijke collega] en daartoe vervolgens alleen had mogen overgaan in de aanwezigheid van een of meer collega’s, omdat dit anders, zoals duidelijk het geval is geweest, voor haar niet goed zou kunnen voelen. Nadat het Kloek was gebleken dat dit niet goed heeft gevoeld, heeft het op haar weg gelegen om [verzoeker] hierop aan te spreken en om de verhouding tussen hem en [naam vrouwelijke collega] tot klaarheid te brengen. Het [verzoeker] gegeven ontslag wordt niet door de hier aan de orde zijnde feiten gerechtvaardigd.

2.14

Op grond van het vorenstaande is te concluderen dat Kloek de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] in strijd met de wettelijke regels heeft opgezegd. Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW kan de kantonrechter de opzegging daarom op verzoek van de werknemer vernietigen of hem, in plaats daarvan, op zijn verzoek een billijke vergoeding toekennen. [verzoeker] heeft gekozen voor de billijke vergoeding en heeft daarmee berust in het einde van zijn arbeidsovereenkomst per 6 juli 2018.

2.15

Bij de bepaling van de billijke vergoeding zijn de omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen, waaronder de duur van het dienstverband en de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tot uitvoering is gekomen. De aanspraak op het loon dat [verzoeker] genoten zou hebben in de periode dat de arbeidsovereenkomst bij de regelmatige beëindiging daarvan zou hebben voortgeduurd, kan in de vergoeding worden verdisconteerd. Bij de bepaling van de vergoeding kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval verder in aanmerking worden genomen of de werknemer inmiddels werk heeft en de gevolgen die het ontslag voor hem heeft. Een punitief karakter heeft de vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW niet.

2.16

In de gegeven omstandigheden is de hoogte van de billijke vergoeding te bepalen op het loon dat [verzoeker] vanaf 6 juli 2018 genoten zou hebben indien zijn arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd tot 1 januari 2018 en per die datum geëindigd zou zijn, derhalve op een bedrag ad, zoals [verzoeker] onweersproken heeft gesteld, € 19.768,25 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Daarbij is rekening gehouden met het door [verzoeker] ter terechtzitting gemelde feit dat hij thans op detacheringsbasis, voor de duur van in beginsel 3 maanden, ander passend werk heeft gevonden. Aanleiding om de vergoeding in verband hiermee op een ander bedrag vast te stellen dan het zojuist genoemde bedrag, is er volgens de kantonrechter niet. Voor de toewijzing van het in rechtsoverweging 2.1.2 genoemde verzoek van [verzoeker] is, nu het loon in de vergoeding is verdisconteerd, geen plaats. De verzochte rente kan wel worden toegewezen.

2.17

Nu het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst op 6 juni 2018 is geëindigd, behoeft niet te worden beslist op het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Kloek. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het in rechtsoverweging 2.4.b genoemde verzoek van Kloek niet kan worden toegewezen.

2.18

Kloek is de partij die in beide procedures in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt om die reden in beide procedures veroordeeld in de kosten van de procedure.

3 De beslissing

De kantonrechter:

Op het verzoek van [verzoeker]:

veroordeelt Kloek om aan [verzoeker], onder overlegging van een deugdelijke specificatie bruto/netto, te betalen een bedrag ad € 19.768,25 bruto, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8% en de eindejaarsuitkering van 7,40% over het in het in 2018 door [verzoeker] genoten bruto salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Kloek in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van [verzoeker] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 679,00, waarin begrepen een bedrag ad € 600,= voor salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 14e dag na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven tot de dag der algehele voldoening, onverminderd de over de (eventuele) verschotten verschuldigde btw;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

Op het verzoek van Kloek:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt Kloek in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [verzoeker] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 600,= voor salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 14e dag na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven tot de dag der algehele voldoening.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018.