Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16234

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
09-001278-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-001278-18

Datum uitspraak: 2 mei 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in het huis van bewaring [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Ariese en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 januari 2018 te 's-Gravenhage een fles wijn, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan (winkelbedrijf) Spar (filiaal [adres] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich op de in de tenlastelegging genoemde dag en plaats heeft schuldig gemaakt aan winkeldiefstal.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Ariese heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij op 2 januari 2018 in de Spar te Den Haag een fles wijn heeft gestolen. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 april 2018 en het feit dat de raadsvrouw ter zake van het ten laste gelegde feit geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de gebezigde bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

- een geschrift, te weten een aangifteformulier winkeldiefstal, met bijlage, d.d. 2 januari 2018, blz. 21 t/m 23;

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 april 2018.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 2 januari 2018 te 's-Gravenhage een fles wijn, die toebehoorde aan winkelbedrijf Spar (filiaal [adres] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De oplegging van de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren zal worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel dient te worden afgewezen, omdat voor oplegging van een dergelijke maatregel de grondslag ontbreekt nu de betreffende rapportage d.d. 5 maart 2018 onvoldoende zorgvuldig is opgemaakt. Gelet op de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis zit, heeft de raadsvrouw de rechtbank voorts verzocht om bij afwijzing van de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel, de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen en de verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde te bezien of de mogelijkheid bestaat tot het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel. De verdachte heeft immers nooit hulp aangeboden gekregen. Het is belangrijk om inzicht te krijgen in het motief voor het plegen van winkeldiefstallen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een ISD-maatregel voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, dient te worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fles wijn. Dit is een vervelend feit en levert niet alleen de betreffende supermarkt maar ook de maatschappij veel overlast op. De kosten van winkeldiefstallen (onder meer voor beveiliging) worden immers afgewenteld op betalende klanten.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2018, blijkt dat de verdachte in een korte periode, namelijk binnen een jaar, al negen keer voor in totaal 13 misdrijven (vooral vermogensdelicten) is veroordeeld tot gevangenisstraffen. Deze straffen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van Jeugdbescherming en reclassering Leger des Heils d.d. 5 maart 2018, waarin wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen aan de verdachte. Uit dit advies komt naar voren dat de verdachte van 2006 tot 2016 in Groot Brittannië heeft gewoond en gewerkt en dat er momenteel voor hem een inreisverbod voor dat land zou gelden. Sinds de verdachte in Nederland is, volgen de justitiecontacten elkaar snel op. De verdachte heeft in Nederland geen werk kunnen vinden en is, nadat zijn geld opraakte, feitelijk dakloos geworden. Desalniettemin zou een vrijwillig vertrek naar het land van herkomst, Polen, geen optie voor hem zijn. Het gebrek aan positieve sociale contacten en huisvesting verhogen de recidivekans en hebben een negatief effect op de responsiviteit. Omdat de verdachte geen arbeidsverleden in Nederland heeft, kan hij als EU-onderdaan geen beroep doen op de sociale voorzieningen zoals een uitkering of een sociale huurwoning. Hij lijkt gevoelig voor overmatig alcoholgebruik. Het toenemende middelengebruik en het gebrek aan mogelijkheden om dit op een legale manier te bekostigen, verhogen de kans op recidive. Binnen een justitieel kader kan een behandeling echter niet worden gerealiseerd, daar het in casu aan een basis voor verblijf en onderhoud schort. Ambulante trajecten gericht op gedragsbeïnvloeding met betrekking tot recidive werden aan de verdachte tot dusver niet opgelegd. Meestal gaat dergelijke (gedwongen) hulpverlening aan een ISD-maatregel vooraf. De vreemdelingenstatus, onzekere huisvesting en inkomenspositie van de verdachte verhinderden echter de uitvoering van dergelijke trajecten. De verdachte heeft geen woon- of postadres waarop hij bereikbaar is en hij weet van te voren niet waar hij zal verblijven. Mogelijkheden voor een voorwaardelijke ISD-maatregel of ander ambulant ingrijpen kan de reclassering momenteel niet adviseren. Zelfs als een opname in de verslavingszorg, gevolgd door huisvesting en begeleiding, onderdeel van een dergelijke maatregel zouden uitmaken, kan betrokkene geen beroep doen op sociale voorzieningen en zal hij zonder inkomen nog steeds een verhoogde kans op recidive hebben. Geadviseerd wordt dan ook een onvoorwaardelijke plaatsing binnen een instelling voor stelselmatige daders te overwegen. Hierbij worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar stelling dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het advies blijkt immers duidelijk hoe de reclassering tot haar advies is gekomen. De reclassering ziet, kort samengevat, geen mogelijkheden tot behandeling en begeleiding voor de verdachte vanwege zijn verblijfsrechtelijke positie en sociale omstandigheden (waaronder het gebrek aan voldoende inkomen om te voorzien in zijn bestaan). Er is ook duidelijk uitgelegd waarom een ambulant traject en een voorwaardelijke ISD op dit moment niet aan de orde zijn.

Op basis van het reclasseringsadvies concludeert de rechtbank dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte zeer waarschijnlijk samenhangt met zijn problematiek. Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De rechtbank stelt vast dat de verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, en dat wordt voldaan aan alle vereisten die de wet en voornoemde Richtlijn aan de oplegging van de ISD-maatregel stellen.

De rechtbank is niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen. De vele tot nu toe aan de verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade en omdat er geen andere reële mogelijkheden zijn om te komen tot gedragsverandering bij de verdachte, dient naar het oordeel van de rechtbank het belang van de samenleving thans voorop te staan en eist de veiligheid van goederen de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel niet disproportioneel. De plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders betreft immers een maatregel die in het teken staat van beveiliging van de maatschappij en (indien mogelijk) behandeling van de verdachte en niet - zoals bij de oplegging van een straf - in het teken van leedtoevoeging. Dat de verdachte wegens gebrek aan voldoende middelen van bestaan (gezien artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit) geen legaal verblijf heeft hier te lande en daarom niet zal kunnen deelnemen aan een extramuraal traject en er geen sprake kan zijn van resocialisatie in de Nederlandse samenleving, maakt niet dat van oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgezien. De door de raadsvrouw geschetste alternatieven, te weten een ambulant traject dan wel een voorwaardelijke ISD-maatregel, zijn gelet op de status van de verdachte en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, niet haalbaar. Dat de raadsvrouw ter zitting verklaarde dat de verdachte via haar te bereiken is, maakt dat niet anders.

Ofschoon de verdachte niet kan deelnemen aan een extramurale fase, kan hij binnen de inrichting wel deelnemen aan gedragsinterventies en vaardigheidstrainingen. De maatregel kan dus wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van (een deel van) zijn problematiek. Verder zal de maatregel gericht zijn op terugkeer van de verdachte naar Polen en zal de duur ervan dus korter kunnen zijn dan twee jaren.

Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel (ongeveer) twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld om de voortgang te beoordelen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

diefstal;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt aan de verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren,

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet bij de tenuitvoerlegging van deze maatregel in mindering gebracht zal worden;

gelast dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel (ongeveer) 12 (twaalf) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld;

bepaalt dat het openbaar ministerie de rechtbank uiterlijk 14 (veertien) dagen vóór de tussentijdse beoordeling daarover zal berichten, als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.C. Bannink, voorzitter,

mr. J. Eisses, rechter,

mr. H.J. Doets, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 mei 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018002012, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, basisteam Overbosch, met bijlagen (doorgenummerd blz. 2 t/m 44).