Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16232

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
09/827418-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/827418-17

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. van der Harg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw

mr. M.P. Friperson, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juli 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal heeft gestoken in het bovenlichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juli 2017 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het bovenlichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 14 juli 2017 is bij de politie aangifte gedaan van een steekincident. De verdachte wordt verweten dat hij zich ten aanzien van de aangever heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag (het primair ten laste gelegde feit) danwel aan een poging tot zware mishandeling (het subsidiair ten laste gelegde feit).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft - overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van de aangever en de toegebrachte verwonding niet potentieel dodelijk is. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Op 14 juli 2017 zat de verdachte met zijn vriendin op een bankje in het park op het moment dat [slachtoffer] (hierna ook: aangever) met een aantal vrienden daar langs liep. Er volgt een woordenwisseling tussen de verdachte en aangever waarna verdachte een mes gebruikt en aangever letsel oploopt. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat de verdachte zich op 14 juli 2017 te ’s-Gravenhage heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag danwel een poging tot zware mishandeling, gericht tegen [slachtoffer] .

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit

De rechtbank is, gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het met een mes in het bovenlichaam steken van een persoon in bepaalde gevallen potentieel dodelijk kan zijn. Om te kunnen spreken van potentieel dodelijk letsel is van doorslaggevend belang dat wordt vastgesteld dat vitale delen in het lichaam (kunnen) worden geraakt. In casu is komen vast te staan dat de door de aangever opgelopen steekwond linksonder het schouderblad slechts een halve centimeter diep was en ongeveer twee centimeter breed.2 De aangever heeft als gevolg van deze steekwond gering bloedverlies gehad en de genezingsduur is geschat op één à twee weken.3 De aangever is de ochtend na het steekincident uit het ziekenhuis ontslagen en heeft een controle-afspraak gekregen.4 Voorts is uit het dossier niet gebleken dat medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest voor het herstel. Nu niet is komen vast te staan dat met deze messteek een of meer vitale delen van het lichaam zijn geraakt of konden worden geraakt, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, in dit geval niet kan worden vastgesteld dat de door de aangever opgelopen steekwond potentieel dodelijk is geweest. Derhalve zal de verdachte, nog daargelaten de vraag of hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van de aangever heeft aanvaard, worden vrijgesproken van de hem primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

De bekennende verklaring van de verdachte

De verdachte heeft op 16 juli 2017 bij de politie verklaard dat hij op 14 juli 2017 te

’s-Gravenhage de aangever met een mes in zijn rug heeft gestoken. Ter terechtzitting van

22 februari 2018 is hij hierbij gebleven.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie op 16 juli 2017 en ter terechtzitting op 22 februari 2018, en gezien het feit dat de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit ter zake van de poging tot zware mishandeling van de aangever en ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft verklaard geen (noodweer)verweer te voeren, kan worden volstaan met een opsomming van de gebezigde bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

 het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] (blz. 41 t/m 43);

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] (blz. 60 t/m 61);

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] bij de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag d.d. 18 december 2017;

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] (blz. 64 t/m 65);

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris in de

rechtbank Den Haag d.d. 18 december 2017;

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] (blz. 81 t/m 82);

 het proces-verbaal van bevindingen (blz. 91);

 het proces-verbaal van bevindingen (blz. 94);

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] (blz. 121 t/m 123);

 het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] bij de rechter-commissaris in de

rechtbank Den Haag d.d. 20 december 2017;

 een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 6 september 2017 (proces-verbaalnummer PL1500-2017199853-1);

 het proces-verbaal van verhoor [verdachte] (blz. 113 t/m 118);

 de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 februari 2018.

Overweging van de Rechtbank

De rechtbank is aangaande de verklaring van de verdachte, inhoudende dat voorafgaande aan het met een mes steken van de aangever, de aangever hem ter hoogte van zijn nek een mes heeft getoond en dat het steken van de aangever derhalve een actie uit zelfverdediging is geweest, van oordeel dat deze verklaring geenszins steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier. Deze verklaring van de verdachte staat niet alleen op zichzelf, maar deze staat ook haaks op de verklaring van de aangever dat juist hij door de verdachte werd aangevallen met een mes en daarom is weggerend.5 Die verklaring van de aangever vindt bovendien steun in verschillende getuigenverklaringen voornoemd.

Overigens heeft de verdediging ter terechtzitting uitdrukkelijk te kennen gegeven geen noodweerverweer te voeren.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende bewezenverklaring.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 14 juli 2017 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, één maal heeft gestoken in het bovenlichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. van der Harg heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 127 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd in het rapport d.d. 16 februari 2018.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd:

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen

jeugddetentie en

- een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de leerstraf Tools4U regulier.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in het kader van de strafoplegging verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Zij heeft daarnaast verzocht om het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming, zoals weergegeven in het rapport d.d. 16 februari 2018, op te volgen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer door hem met een mes in de rug te steken. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het hierbij door het slachtoffer opgelopen letsel beperkt is gebleven, is niet te danken geweest aan het handelen van de verdachte.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2018 is hij niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , raadsonderzoeker, onder meer inhoudende - verkort en zakelijk weergegeven - dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat, maar dat gezien de zwaarte van het delict jeugddetentie de meest passende strafrechtelijke reactie zou zijn. Vanuit pedagogisch opzicht acht de Raad het echter niet in het belang van de verdachte om zijn vrijheid opnieuw af te nemen. Een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de training Tools4U regulier, zal wel pedagogische meerwaarde hebben voor de verdachte. Hij lijkt immers baat te hebben bij het versterken van zijn cognitieve en sociale vaardigheden en zijn probleemoplossingsvaardigheden. De Raad adviseert de rechtbank daarom om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden het zich houden aan de aanwijzingen van Jeugdbescherming West, een meldplicht en verplichte deelname aan de gedragsinterventie Tools4U.

Uit het over de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapport, psychologisch onderzoek d.d.

4 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [naam 2] , GZ-psycholoog, is voorts gebleken dat de verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft. De psycholoog acht hem volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur (met bijzondere voorwaarden), met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte duur aan jeugddetentie, en taakstraffen in de vorm van een werkstraf en de leerstraf Tools4U, van na te melden duur, conform de eis van de officier van justitie, een passende en geboden reactie vormen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.213,04, bestaande uit de geleden materiële schade, groot € 163,04, en immateriële schade, groot € 1.050,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schadevergoeding waarbij het toe te wijzen bedrag voor vergoeding van de kleding dient te worden gematigd. Ook met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van een gematigde bedrag, een en ander te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover het gevorderde bedrag niet wordt toegewezen als gevolg van de matiging daarvan.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de post kleding gematigd dient te worden en dat de gevorderde kosten voor de overnachting in het ziekenhuis dienen te worden afgewezen omdat niet is gebleken dat die schade is geleden. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot € 300,-.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat hij tot een bedrag van € 163,04,- materiële schade heeft geleden (T-shirt: € 15,-, vest

€ 120,04 en overnachting in het ziekenhuis waarvoor een forfaitair bedrag van € 28,- staat).

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot dat bedrag aan materiële schade worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank acht ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en de behandeling van de vordering, bij een nadere onderbouwing daarvan, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dat feit wordt veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 563,04,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 127 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren, onder

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming West Haaglanden

opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de

minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 (VEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 (TWINTIG) DAGEN;

en

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten Tools4U, voor de tijd van 20 (TWINTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 10 (TIEN) DAGEN;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van

€ 563,04, te weten € 163,04 materiële schadevergoeding en € 400,- immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 563,04, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen.

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. B. Bastein, kinderrechter,

en mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017199853.

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 94.

3 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 6 september 2017, proces-verbaalnummer PL1500-2017199853-1.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 98.

5 het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] (blz. 41 t/m 43); het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] (blz. 46 t/m 48).