Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16230

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
09-797293-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing, waarbij de slachtoffers zijn bedreigd. De verdachte en haar mededaders zijn op uiterst geraffineerde wijze te werk gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09-797293-17

Datum uitspraak: 8 maart 2018

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2000 te [geboorteplaats 1] ,
[adres] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 februari 2018.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. S. Bosmans, is verschenen en gehoord.

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten worden bewezenverklaard.

Primair, voor zover de rechtbank tot bewezenverklaring komt van het medeplegen van (een poging tot) afpersing waarbij de verdachte wetenschap had van het gebruik van een of meer vuurwapens, of (een) daarop gelijkende voorwerp(en), door de medeverdachte(n), heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Subsidiair, voor zover de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van het medeplegen van (een poging tot) afpersing waarbij de verdachte wetenschap had van het gebruik van vuurwapen(s), of (een) daarop gelijkende voorwerp(en), door de medeverdachte(n), heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.


De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, te weten een meldplicht bij de jeugdreclassering, behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, een avondklok van zondag tot en met donderdag vanaf 22.00 uur, en een contactverbod met de [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen tot € 757,50, bestaande uit € 7,50 materiële schadevergoeding en € 750,- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 01 maart 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 3740 euro,

in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

haar mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en)

uit het

- zich opdringen aan [benadeelde 1] en/of

- tonen en/of voorhouden van een of meer vuurwapens, althans (een) op (een)

vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), aan [benadeelde 1] en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op het hoofd/gezicht van [benadeelde 1] en/of

- ( daarbij) (vervolgens) [benadeelde 1] dwingen/gebieden om in te loggen op

zijn bankaccount/bankrekening en/of

- ( vervolgens) (daarbij) de opnamelimiet/bestedingsruimte van de bankrekening/bankaccount van [benadeelde 1] verhogen/verruimen en/of

- ( daarbij) (vervolgens) [benadeelde 1] (onder bedreiging van voornoemd

vuurwapen) dwingen om naar een bankfiliaal te lopen en/of (aldaar) voornoemd

geldbedrag te pinnen/op te nemen en/of (vervolgens) dit bedrag af te staan aan

verdachte en/of haar mededader(s) en/of

- ( daarbij) aan [benadeelde 1] (dreigend) toevoegen van de woorden :

"Weet je wel hoe oud zij is, dat is mijn zusje, weet je wel hoe oud zij is,

ze is 15 jaar" en/of "Hoe durf je, dit is mijn nichtje, ze is 15 jaar oud,

wat was je van plan" en/of "Als je iets geks uithaalt, schiet ik je dood",

althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

2.

zij op of omstreeks 02 maart 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van

een geldbedrag van 7000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

- zich heeft opgedrongen aan [benadeelde 2] en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [benadeelde 2]

heeft getoond/voorgehouden en/of

- ( daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

op/tegen de borst van [benadeelde 2] heeft gedrukt/geduwd en/of

- ( daarbij) [benadeelde 2] heeft gedwongen om in te loggen op zijn

bankaccount/bankrekening en/of (daarbij) zijn banksaldo te laten zien en/of

- ( daarbij) (vervolgens) aan [benadeelde 2] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat [benadeelde 2] een vieze pedo was en in de gevangenis in zijn kont geneukt zou worden en/of dat [benadeelde 2] in termijnen een bedrag van 7000 euro moest betalen en/of dat [benadeelde 2] gebeld zou worden over de eerste betaling,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Partiële vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het gebruik van een of meer vuurwapens of daarop gelijkende voorwerpen bij de (poging tot) afpersing van de aangevers, noch dat zij wist of behoorde te weten dat haar mededader(s) bij het plegen van de (poging tot) afpersing daarvan gebruik zou(den) maken. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van dat onderdeel in de tenlastelegging van de feiten 1 en 2 dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

1.

zij op 01 maart 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 3.740 euro,

toebehorende aan [benadeelde 1] , welke bedreiging met geweld bestond

uit het

- zich opdringen aan [benadeelde 1] en

- vervolgens [benadeelde 1] dwingen om in te loggen op zijn bankrekening en

- vervolgens [benadeelde 1] dwingen om naar een bankfiliaal te lopen en aldaar voornoemd geldbedrag te pinnen en vervolgens dit bedrag af te staan aan haar mededader en

- aan [benadeelde 1] dreigend toevoegen van de woorden : "Weet je wel hoe oud zij is, dat is mijn zusje, weet je wel hoe oud zij is, ze is 15 jaar" en/of "Hoe durf je, dit is mijn nichtje, ze is 15 jaar oud, wat was je van plan" en "Als je iets geks uithaalt, schiet ik je dood";

2.

zij op 02 maart 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 7.000 euro, toebehorende aan [benadeelde 2] ,

welke bedreiging met geweld bestond uit het

- zich opdringen aan [benadeelde 2] en

- daarbij [benadeelde 2] dwingen om in te loggen op zijn bankrekening en zijn banksaldo te laten zien en

- aan [benadeelde 2] dreigend de woorden toevoegen - zakelijk weergegeven - dat [benadeelde 2] een vieze pedo was en in de gevangenis in zijn kont geneukt zou worden en dat [benadeelde 2] in termijnen een bedrag van 7.000 euro moest betalen en dat [benadeelde 2] gebeld zou worden over de eerste betaling,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing, waarbij de slachtoffers zijn bedreigd. De verdachte en haar mededaders zijn op uiterst geraffineerde wijze te werk gegaan. Via chatsessies waarbij de foto van de verdachte werd gebruikt, is een afspraak gemaakt met de slachtoffers. De verdachte heeft een slachtoffer opgehaald bij een metrostation en is daarna met hem naar de betreffende woning gelopen. Het andere slachtoffer heeft zij ontvangen in de woning zelf. Toen de slachtoffers zich eenmaal in de woning van een van de mededaders bevonden, is de verdachte weggegaan uit de kamer waar het slachtoffer zich bevond, zijn de mededaders daar naar binnen gegaan en heeft vervolgens de (poging tot) afpersing plaatsgevonden.

Door deze (poging tot) afpersing heeft de verdachte samen met haar mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De verdachte en haar mededaders hebben deze slachtoffers uitgekozen omdat zij interesse toonden in minderjarige meisjes en de bereidheid bij deze personen om aangifte te doen laag zou zijn. Mede daardoor zijn voornoemde feiten zeer verwerpelijk. De rechtbank acht voorts het schijnbare gemak waarmee de feiten zijn gepleegd, zeer verontrustend.

Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal langdurige psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde ondervinden. De verdachte en haar mededaders hebben kennelijk uitsluitend oog gehad voor hun eigen financiële gewin en geen enkel respect getoond voor de slachtoffers en hun bezittingen.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat zij heeft bekend en inmiddels inziet dat haar handelen heel verwerpelijk is geweest en zij de slachtoffers enorm heeft gekwetst.

Blijkens een de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2018 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Uit het Pro Justitia psychologisch onderzoek door een psycholoog d.d. 30 juni 2017 blijkt dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een oppositionele-opstandige gedragsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Derhalve is door de psycholoog geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog heeft het recidiverisico als laag ingeschat, omdat het ingezette juridische kader van toezicht en begeleiding positief werkt bij het aanpakken van risicofactoren. Gezien deze ontwikkeling ziet de psycholoog een (deels) voorwaardelijke straf met toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering als passend. De psycholoog ziet contra-indicaties voor het opleggen van een leerstraf of jeugddetentie.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het gezinsplan d.d. 9 februari 2018. Hieruit blijkt dat de verdachte op het goede spoor is om de gestelde doelen te behalen. Zij is op

24 april 2017 uit de voorlopige hechtenis geschorst onder voorwaarden en houdt zich aan de gestelde voorwaarden, waaronder een avondklok. De jeugdreclassering is van mening dat een (deels) voorwaardelijke werkstraf voor de verdachte gunstig zou zijn, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, een behandelverplichting bij de Waag en de verplichting om volgens het rooster naar school te gaan en actief deel te nemen aan de lessen.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 augustus 2017 komt naar voren dat ook de Raad een positieve ontwikkeling ziet op verschillende gebieden zoals thuis in het contact met haar ouders en op school. De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf op te leggen, in de vorm van een werkstraf, met als bijzondere voorwaarden het verplicht volgen van onderwijs of het hebben van een andere adequate dagbesteding, een meldplicht en een behandelverplichting.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een niet te onderschatten rol heeft gespeeld in het geheel, maar ziet - anders dan de officier van justitie - de verdachte niet als de spil van een organisatie, dan wel als iemand met een leidende rol. Uit voornoemde rapportages komt naar voren dat de verdachte haar leven al iets beter op de rails heeft en dat zij zich de afgelopen maanden heeft gehouden aan de gestelde strenge schorsingsvoorwaarden, waaronder een avondklok. Gelet op voornoemde rapportages acht de rechtbank het van groot belang dat de verdachte de juiste behandeling ondergaat, zodat zij leert in de toekomst betere afwegingen te maken. Voorts houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmodaliteit en -maat rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en het tijdsverloop dat sinds de pleegdata van de feiten is verstreken. Een (forse) onvoorwaardelijke jeugddetentie, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend, mede daar dit volgens de psycholoog gezien de persoonlijkheid van de verdachte gecontraïndiceerd is.

De rechtbank is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met de na te melden bijzondere voorwaarden, een passende en geboden reactie vormt.

De rechtbank ziet, gezien het tijdsverloop en het feit dat de verdachte sindsdien niet verdacht is van een nieuw strafbaar feit, geen aanleiding de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 827,50, bestaande uit een bedrag van € 750,- wegens door hem geleden immateriële schade en een bedrag van € 77,50 wegens materiële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De vordering voor zover deze betrekking heeft op de post “kosten bankpasje Rabobank” ten bedrage van € 7,50 is door de verdachte betwist als zijnde onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht dit deel van de vordering voldoende onderbouwd omdat de kosten van een bankpasje een feit van algemene bekendheid zijn, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten “benzinekosten” ten bedrage van € 50,- en “slaapmedicatie” ten bedrage van € 20,- is door de benadeelde partij niet onderbouwd, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De post immateriële schade is door de verdachte betwist als zijnde onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij aannemelijk gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank schat de geleden immateriële schade conform de vordering op een bedrag van € 750,-.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 757,50.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente met ingang van 1 maart 2017 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade op 1 maart 2017 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld en aan haar een last als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 757,50 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] .

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g,77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de haar bij dagvaarding onder

1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN;

bepaalt, dat de taakstraf, groot 80 (TACHTIG) UREN niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd:

-zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

-ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

-haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag (individuele

behandeling en gezinsbehandeling) of een vergelijkbare instelling, op de tijden en

plaatsen als door of namens haar behandelaar(s) aan te geven;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 4] 1993 te [geboorteplaats 2] , [medeverdachte 1] , geboren op

[geboortedag 2] 1986 te [geboorteplaats 3] ) en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] 1991 te [geboorteplaats 4] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende het eerste jaar van de proeftijd naar school zal gaan;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te

Rotterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden

en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de haar opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering van de [benadeelde 1] hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 757,50, bestaande uit € 7,50 materiële schadevergoeding en

€ 750,- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 757,50, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf

1 maart 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1]

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen.

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. B. Bastein, kinderrechter,

en mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.