Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
09/827524-17; 09/818492-17 (t.t.g.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval, afpersing en diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/827524-17; 09/818492-17 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

[adres 1] ,

thans preventief gedetineerd in R.I.J. De Hartelborgt Opvang,

Borgtweg 1 te Spijkenisse.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 december 2017 en

8 februari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte

mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

09/827524-17

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen

geld, althans enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (welke zich bevond in [bedrijf 1] ), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- tegen die [slachtoffer 1] (hard) heeft geroepen: "geld" en/of

- ( daarbij) zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes in zijn hand heeft gehouden en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] dit mes naar voren heeft gewezen en/of in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft gewezen/gehouden en/of

- een tas achter de toonbank heeft gegooid en/of

- ( vervolgens) met dit mes in de richting van die [slachtoffer 1] is gelopen en/of

- achter de toonbank is gelopen en/of

- die [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken en/of gesneden;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en /of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] te dwingen tot de afgifte van geld, althans enig goed van zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

- tegen die [slachtoffer 1] (hard) heeft geroepen: "geld" en/of

- ( daarbij) zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes in zijn hand heeft gehouden en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] dit mes naar voren heeft gewezen en/of in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft gewezen/gehouden en/of

- een tas achter de toonbank heeft gegooid en/of

- ( vervolgens) met dit mes in de richting van die [slachtoffer 1] is gelopen en/of

- achter de toonbank is gelopen;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/818492-17

hij op of omstreeks 28 juli 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een brommer (merk Thomos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich die weg te nemen brommer onder zijn bereik te hebben gebracht door het verbreken van een

slot;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2017 te 's-Gravenhage, een goed te weten een brommer (merk Thomos) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 29 augustus 2017 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan een poging de [bedrijf 1] te overvallen (parketnummer 09/827524-17, dagvaarding I) en of de verdachte zich op 28 juli 2017 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan de diefstal dan wel de heling van een bromfiets (parketnummer 09/818492-17, dagvaarding II).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem bij dagvaarding I onder eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde heeft begaan alsook dat de verdachte het hem bij dagvaarding II primair ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ter zake van dagvaarding I aangevoerd dat hij uit eigen waarneming op de camerabeelden heeft gezien dat de verdachte degene is die de [bedrijf 1] heeft proberen te overvallen, dat ook twee verbalisanten de verdachte hebben herkend en dat de kassabon in de plastic tas die de dader over de toonbank heeft gegooid direct aan de zus van de verdachte te linken is. Ook de kleding die is gevonden in de kast op de kamer van de verdachte komt overeen met de kleding die op de beelden te zien is. De verklaring van de verdachte dat hij het niet is geweest, is, aldus de officier van justitie, dan ook volstrekt onaannemelijk.

De officier van justitie heeft aangegeven ook wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte willens en weten [slachtoffer 2] heeft gestoken met het mes dat hij, zoals ook op de beelden te zien is, in zijn rechterhand vast hield.

De officier van justitie heeft ter zake van dagvaarding II aangevoerd dat verbalisanten op

28 juli 2017 omstreeks 19.30 uur hebben gezien dat een jongen, die volgens hen de verdachte was, een bromfiets van het merk Tomos neerzette in de stalling bij het winkelcentrum aan [adres 2] te Den Haag, en dat zij vervolgens hebben gezien dat deze jongen 5 minuten later weer aan kwam lopen, even wachtte omdat een biker van de politie nabij de bromfiets met een man stond te praten, en vervolgens in de richting van de bromfiets liep, waarbij hij onderweg [verbalisant 1] , die niet in uniform gekleed was, aankeek en vervolgens in versnelde pas richting de Rijswijkseweg liep. Even verderop is de jongen aangehouden. De Tomos blijkt op diezelfde dag tussen 18.35 uur en 19.30 uur te zijn weggenomen op de [adres 3] , zijnde op 5 minuten afstand van het winkelcentrum aan [adres 2] . De beschrijving van de verbalisanten is enorm gedetailleerd en het kan, aldus de officier van justitie niet anders, dan dat verbalisanten een juiste waarneming hebben gedaan. Nu de Tomos kort na de diefstal bij de verdachte is aangetroffen op 5 minuten van de plek waar hij is weggenomen en de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid aldaar kan volgens de geldende jurisprudentie de diefstal wettig en overtuigend bewezen worden verklaard door het verbreken van het slot.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dagvaarding I gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft wel aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden geconcludeerd dat de bedreiging met geweld ook tegen [slachtoffer 2] was gericht. De raadsvrouw betwist dat de verdachte [slachtoffer 2] willens en wetens heeft gestoken met het mes.

Er is wel een contactmoment geweest tussen de arm van [slachtoffer 2] en het mes, maar

dit was een ongelukkige samenloop van omstandigheden omdat [slachtoffer 2] de verdachte met twee handen vastpakte bij zijn hoodie.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het bij dagvaarding II primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe betoogd dat op basis van het onvolledige en tegenstrijdige dossier niet tot een wettig en overtuigende bewezenverklaring kan worden gekomen. De verdachte ontkent stellig dat hij op de brommer is komen aanrijden. Nader onderzoek naar eventuele camerabeelden, een foto van de brommer of foto’s van de kleding van de verdachte ontbreken in het dossier.

Het signalement is, aldus de raadsvrouw, door verbalisanten opgenomen in een achteraf opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, derhalve is sprake van een – naderhand – ingekleurd beeld.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/827524-17 (dagvaarding I) het volgende af. 1

Op 29 augustus 2017, omstreeks 11.15 uur, is geprobeerd de [bedrijf 1] , gevestigd aan [adres 4] te Den Haag te overvallen. De eigenaresse van de winkel, [slachtoffer 1] (verder: aangeefster), was op het moment van de overval alleen aanwezig in de winkel. De deur van de winkel stond open. Aangeefster zat achter de toonbank op de computer te werken. De ruimte achter de toonbank is afgesloten met een hekje.

Aangeefster hoorde op een gegeven moment een mannenstem hard zeggen “geld”.

Ze keek op over haar schouder en zag een jongen staan met iets voor zijn mond, een zakdoek of t-shirt. Aangeefster zag dat hij een mes in zijn rechterhand had. De jongen

stond ter hoogte van de kassa, die op de toonbank staat, en wees met het mes naar voren.

Aangeefster zag dat de jongen een plastic tas van de Aldi achter de toonbank gooide en zij zag dat de jongen richting het hekje liep en het hekje opende. Aangeefster stond meteen op en pakte een metalen staaf die tegen de vitrine stond. Op het moment dat de jongen achter de toonbank kwam, sloeg zij de jongen hard met de metalen staaf op zijn linkerarm. De jongen was bezig zich om te draaien en voordat hij zich had omgedraaid sloeg aangeefster hem nogmaals met de staaf op zijn rug.

Op datzelfde moment zag aangeefster haar moeder in de winkel staan, die zei “wat moet dat hier”. Haar moeder belemmerde de jongen een beetje om weg te gaan. De jongen rende de winkel uit en sloeg rechtsaf. Aangeefster zag dat er kassabonnetjes in de plastic tas zaten. Zij zag ook dat haar moeder een verwonding aan haar onderarm had.

Aangeefster beschrijft de jongen als een jongen van ongeveer 16-18 jaar, met een licht getinte huidskleur, bruine ogen, slank postuur, ongeveer 1.70 meter lang. Hij droeg een legergroene hoodie met een donkerkleurige jas - zonder capuchon - eroverheen.

De capuchon van de hoodie had hij op zijn hoofd. Voor zijn mond droeg hij een licht kleurig doek. Het mes was volgens aangeefster ongeveer 30 cm; het betrof een slagers/fileermes met houten handvat en een behoorlijke punt.2

De moeder van aangeefster, die de winkel betrad op het moment dat de aangeefster de jongen sloeg met de staaf, heeft verklaard dat zij onderweg een mannenstem hoorde komend uit de richting van de winkel en dat zij vervolgens zag dat een jonge man voorovergebogen over de toonbank hing, dat hij een capuchon op had en een plastic tas over de toonbank, op de grond gooide. De moeder van aangeefster zag dat de jongen links langs de toonbank het toegangshekje opende en achter de toonbank liep. Ze schreeuwde: “He, wat is dat?”.

Ze zag dat dat haar dochter een stang had gepakt en daarmee de jongen op zijn linkerarm sloeg, dat de jongen achteruit deinsde en in haar richting kwam lopen.

Ze pakte met beide handen de capuchon van de jongen vast en voelde op dat moment een hevige pijn in haar linker onderarm. Zij liet de jongen direct los en zag dat hij wegrende en

in zijn rechterhand een mes vasthield. De moeder van aangeefster zag dat haar arm hevig bloedde. Zij zag dat ze een snijwond op haar linker onderarm van ongeveer 1 cm had.34

In de winkel en buiten aan de voorzijde hing een camera. De beelden zijn veiliggesteld.5

Op de camerabeelden is te zien dat de dader een zwarte Emporio Armani jas droeg en een zwarte Puma trainingsbroek, een donker groene trui en een bivakmuts.6

[verbalisant 2] 7 en [verbalisant 3]8 herkennen de verdachte voor 100 % als zijnde de jongen op de camerabeelden.

In de woning van de verdachte is een doorzoeking gedaan en in de kledingkast van de verdachte is kleding aangetroffen die identiek is aan de kleding die te zien is op voornoemde camerabeelden.9

In de plastic Aldi-tas die de dader in de winkel over de toonbank heeft gegooid zat een bon van de Jumbo, waarvan vaststaat dat de zus van de verdachte die de dag ervoor in ontvangst heeft genomen bij de Jumbo toen zij een zak chips kocht. De plastic tas heeft de zus van de verdachte thuis achter gelaten.10 Op deze plastic tas is een vingerafdruk van de verdachte aangetroffen (AAJR3105NL).11

De verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard niets met de overval te maken te hebben gehad.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, ongeloofwaardig. De rechtbank weegt daarbij mee dat zij uit eigen waarneming op de ter terechtzitting getoonde beelden die binnen en buiten de winkel zijn opgenomen heeft vastgesteld dat de verdachte degene is die op deze beelden te zien is en zich schuldig heeft gemaakt aan de poging de winkel te overvallen.

De verdachte had in zijn rechterhand een mes en daarmee heeft hij de moeder van aangeefster gestoken en/of gesneden. Zij pakte de verdachte met twee handen vast en probeerde zijn hoodie af te trekken. Op dat moment stak de verdachte haar. De moeder van aangeefster had een wond van ongeveer 1 centimeter op haar linker onderarm De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit willens en weten heeft gedaan om weg te kunnen komen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding I onder eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/818492-17 (dagvaarding II) het volgende af. 12

Op vrijdag 28 juli 2017 omstreeks 19.30 uur bevonden [verbalisant 4] en [verbalisant 1] zich in burger gekleed en met onopvallende surveillance belast op [adres 2] in Den Haag. Zij zagen een jongen op een bromfiets aan komen rijden vanuit de richting van de Gemaalstraat. Zij zagen dat de bromfiets van het merk Tomos was en voorzien van het [kenteken] . De jongen had het volgende signalement: 160 cm, licht getint, kort haar, zwarte sportschoenen met witte zool, rood/oranje trainingsjas, zwarte spijkerbroek en een grijze capuchon.

Verbalisanten zagen dat de jongen de bromfiets stalde in de daarvoor bestemde stalling en

hoorden dat de bromfiets nog aan stond. De jongen liep het winkelcentrum aan [adres 2] in. Verbalisanten vonden het vreemd dat de bromfiets nog aan stond en hebben bijstand gevraagd van een collega. Daarnaast hadden verbalisanten het vermoeden dat de jongen nog niet de leeftijd van 16 jaar had bereikt en daarom ook niet in het bezit zou zijn van het benodigde rijbewijs.

[verbalisant 4] ziet dat de jongen ongeveer 5 minuten later weer het winkelcentrum uit komt gelopen en voor de ingang gaat staan wachten. Op dat moment is een biker van de politie aan het praten met een man, nabij de bromfiets. Op het moment dat de biker wegrijdt loopt de jongen in de richting van de bromfiets, passeert [verbalisant 1] , kijkt hem aan, passeert de bromfiets en loopt met versnelde pas door richting de Rijswijkseweg. [verbalisant 4] ziet dat de jongen linksaf de Rijswijkseweg op gaat in de richting van de Draaistraat. Telefonisch geeft hij de informatie met het signalement van de jongen door aan zijn collega, [verbalisant 5] . [verbalisant 5] volgt de jongen vanaf de Rijswijkseweg en ziet dat de jongen linksaf de Asstraat in gaat richting de Noordpolderkade. Via de portofoon hoort [verbalisant 4] dat de biker de jongen staande heeft gehouden op de Noordpolderkade en hierna ook heeft aangehouden ter zake het rijden zonder rijbewijs.13

De jongen die is aangehouden is de verdachte. Nadat hij voor het rijden zonder rijbewijs is heengezonden, wordt hij direct aangehouden ter zake van heling.14

De Tomos, voorzien van [kenteken] is op 28 juli 2017 tussen 18.35 uur en 19.30 uur weggenomen op [adres 3] ter hoogte van [bedrijf 2] . Het slot waarmee het voorwiel extra was vastgezet, lag er nog.15

De verdachte heeft bij de politie ontkend de jongen te zijn die op de brommer heeft gereden. Ter terechtzitting heeft de verdachte niets anders verklaard.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de diefstal van de bromfiets heeft gepleegd.

Door twee verbalisanten van de politie Eenheid Den Haag, [verbalisant 4] en [verbalisant 1] , is gezien dat de verdachte op 28 juli 2017 omstreeks 19.30 uur een bromfiets merk Tomos in de stalling bij het winkelcentrum aan [adres 2] heeft gezet, dat hij na 5 minuten weer in de richting van de bromfiets komt gelopen, maar dat hij, na één van de verbalisanten, die in burger was, te hebben aangekeken met versnelde pas doorloopt.

De bromfiets (Tomos) is op 28 juli 2017 dag tussen 18.35 uur en 19.30 uur weggenomen op [adres 3] , zijnde op 5 minuten afstand van het winkelcentrum aan [adres 2] .

Nu tussen het aantreffen van de bromfiets en het moment van de diefstal maximaal 1 uur heeft gezeten en de verdachte geen aannemelijk verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid bij het winkelcentrum kan volgens de geldende jurisprudentie de verdachte worden aangemerkt als degene die zich de bromfiets wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] in hun op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen een ingekleurd beeld van het gebeurde en het signalement van de verdachte zouden hebben gegeven, zoals door de verdediging is gesteld, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding II primair ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/827524-17

hij op 29 augustus 2017 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (welke zich bevond in [bedrijf 1] ), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

- tegen die [slachtoffer 1] hard heeft geroepen: "geld" en

- daarbij zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes in zijn hand heeft gehouden en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] dit mes naar voren heeft gewezen en in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft gewezen/gehouden en

- vervolgens met dit mes in de richting van die [slachtoffer 1] is gelopen en

- achter de toonbank is gelopen en

- die [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken en/of gesneden;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 29 augustus 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] ,

- tegen die [slachtoffer 1] hard heeft geroepen: "geld" en

- daarbij zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een mes in zijn hand heeft gehouden en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] dit mes naar voren heeft gewezen en in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft gewezen/gehouden en

- vervolgens met dit mes in de richting van die [slachtoffer 1] is gelopen en

- achter de toonbank is gelopen;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/818492-17

hij op 28 juli 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een brommer (merk Tomos), toebehorende aan [benadeelde] , zulks na die weg te nemen brommer onder zijn bereik te hebben gebracht door het verbreken van een slot.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie

voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd alsook een locatieverbod, in die zin dat de verdachte zich de komende twee jaar niet binnen een straal van 100 meter van de [bedrijf 1] zal bevinden, en een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft ter zitting de onmiddellijke in vrijheidstelling van de verdachte verzocht, zijnde impliciet een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis gelet op het bepaalde in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte ingaande 12 februari 2018. Op die dag kan de behandeling bij Het Palmhuis starten. In de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde gedragsbeïnvloedende maatregel ziet de raadsvrouw geen meerwaarde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot een gewapende overval. Hij is op klaarlichte dag een [bedrijf 1] bij hem in de buurt binnengegaan, gewapend met een groot mes, waarbij hij zijn gezicht had gecamoufleerd met zijn capuchon en een doek. De verdachte, heeft de eigenaresse van de [bedrijf 1] belaagd, het mes getoond, om geld gevraagd en is om de toonbank heen naar de kassa gelopen. Hij heeft dit alleen, dus zonder een medeverdachte gedaan. De eigenaresse heeft echter verzet geboden en heeft verdachte met een staaf uit haar winkel proberen te verjagen. De moeder van de eigenaresse, die vanuit de privé ruimte achter de winkel binnenkwam, heeft geprobeerd de capuchon van verdachtes hoofd af te halen. In de schermutseling die toen ontstond - de rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat deze vrouw met beide handen verdachte wil vastpakken en de doorgang probeert te beletten - is zij in haar arm gestoken met het door verdachte gehanteerde vleesmes. Daarop heeft verdachte rennend de [bedrijf 1] verlaten.

De verdachte heeft zich vanaf het allereerste politieverhoor hardnekkig, en tegen beter weten in, op zijn zwijgrecht beroepen. Confrontatie met de camerabeelden wilde de verdachte niet, de vele bewijsmiddelen die in zijn richting wijzen tracht hij met onwaarschijnlijke suggesties te pareren. Zo heeft de verdachte geprobeerd een ‘verklaring’ te geven voor de in de [bedrijf 1] achtergebleven boodschappentas - met daarop verdachtes vingerafdruk - waarin nota bene een kassabon zat die verdachtes zusje de dag voor de overval in de plaatselijke supermarkt had gekregen. Ook ter zitting, luisterend naar de verklaring van de eigenaresse, die gebruik heeft gemaakt van haar spreekrecht, heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet genomen en zelfs in het geheel niet gereageerd op haar woorden.

Op de eigenaresse van de [bedrijf 1] heeft de poging tot overval een grote impact gehad. Zij was juist zo blij en trots op haar eigen [bedrijf 1] , maar is nu constant op haar hoede en angstig dat zij weer overvallen zal worden. Een dergelijk geweldsdelict zorgt er bovendien voor dat de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toenemen.

Bij de diefstal van een bromfiets, waaraan de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt, heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendommen van een ander, zoals ook bij de poging tot gewapende overval het geval was. Het handelen van de verdachte was bij beide feiten alleen gericht op zijn eigen financiële gewin.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 augustus 2017, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor een vermogens- en een geweldsdelict.

Van deze eerdere veroordeling is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich gedurende de proeftijd van deze veroordeling schuldig heeft gemaakt aan de bij dagvaarding I bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Pro Justitia- rapport d.d. 13 november 2017, betreffende het psychologisch onderzoek , opgesteld en getekend door

mevrouw [naam] MSc, GZ-psycholoog/gerechtelijk deskundige NRGD, betreffende het psychologisch onderzoek.

Rapporteur heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, bestaande uit een aandachts- en concentratiestoornis, het gecombineerde type, matig in ernst (ADHD). Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een normoverschrijdend-gedragsstoornis, type beginnend in de kindertijd, matig in ernst en een leer- of onderwijsprobleem, bestaande uit een disharmonisch intelligentieprofiel waarbij de perceptuele capaciteiten op moeilijk lerend niveau liggen.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was eveneens sprake van de genoemde stoornis

en gebrekkige ontwikkeling. De verdachte ontkent elke betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken om zicht te verkrijgen op zijn eventuele motieven en/of drijfveren en kan geen concrete uitspraak gedaan worden over hoe de genoemde stoornis en gebrekkige ontwikkeling hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde feit. Rapporteur acht het op basis hiervan vrij aannemelijk dat de genoemde stoornis en de gebrekkige ontwikkeling hebben doorgewerkt tijdens het ten laste gelegde feit, zodanig dat de voor verdachte beschikbare gedragskeuzen enigszins beperkt waren. Gezien de ontkenning kan rapporteur echter geen concrete uitspraken doen over de mate van vermindering waarin het ten laste gelegde feit - mits en voor zover bewezen verklaard - aan [verdachte] toegerekend kan worden.

De stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaande uit ADHD, een normoverschrijdend-gedragsstoornis (matig in ernst) en het perceptuele functioneren op moeilijk lerend niveau verhogen het risico op recidive. Het risico op toekomstig gewelddadig gedrag wordt ingeschat als matig. Om de ontwikkeling van de verdachte optimaal te bevorderen en het risico op recidive te beperken, is behandeling aangewezen, zodat de verdachte meer inzicht krijgt in zijn eigen gedrag en zich tijdig bewust is van de gevolgen (en risico’s) hiervan.

Gezien het feit dat de ouders van de verdachte hem mogelijk betere ondersteuning (structuur) kunnen bieden, is - naast een individuele behandeling - een gezinsgerichte behandeling geïndiceerd zoals MDFT.

Wat betreft de best passende strafafdoening wordt - mits en voor zover de ten laste gelegde feiten worden bewezen - verplichte begeleiding door de jeugdreclassering/ITB Harde Kern in het kader van een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie het best passend geacht. Hierbij kan als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat de verdachte meewerkt aan een (systemische) behandeling zoals geboden door een instelling als het Palmhuis, waarbij gedacht kan worden aan de behandelmethode MDFT. Een gedragsbeïnvloedende maatregel lijkt ten opzichte hiervan volgens de rapporteur geen meerwaarde te hebben.

De rechtbank onderschrijft de conclusies ten aanzien van de stoornissen van de verdachte en de kans op recidive uit voornoemd rapport.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een aantal voorlichtingsrapporten betreffende de persoon van de verdachte, waaronder het recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 1 februari 2018.

Blijkens dit rapport is de verdachte sneller geneigd tot grensoverschrijdend gedrag, waarbij hij minder rem heeft op zijn gedrag. Het is hierdoor lastiger om zijn gedrag bij te sturen en dit lijkt te worden vergroot door zijn impulsiviteit. Hij ontkent het strafbare feit en daardoor is het niet mogelijk zicht te verkrijgen op zijn motieven. Dit alles vergroot de kans op herhaling. De ouders van de verdachte zijn betrokken en willen het beste voor hun zoon.

Sinds zijn aanhouding verblijft de verdachte in de Hartelborgt. Binnen de Hartelborgt gaat het naar omstandigheden goed met hem. Hij volgt onderwijs en neemt medicatie in voor zijn ADHD.

Uit het persoonlijkheidsonderzoek blijkt dat de verdachte over een gemiddelde verbale intelligentie beschikt en dat hij voldoende sociale vaardigheden heeft. Dit kan als licht beschermende factoren gezien worden. Tenslotte kan van het juist ingesteld zijn op ADHD-medicatie een beschermende werking uit gaan.

De Raad is van mening dat de verdachte baat heeft bij intensieve begeleiding die

aansluit bij zijn leervermogen en leerstijl. Dit houdt in dat de hulp langdurig moet zijn maar wel laagdrempelig, intensief maar ook overzichtelijk, en outreachend. Zaken en problemen (op school, maar ook buiten de schoolse situatie) die spelen dienen direct door de verdachte met de hulpverlening besproken te worden en de verdachte moeten handelingsalternatieven aangeleerd worden. De toekomstige hulpverlening van Palmhuis (MDFT) en huidige hulp van de jeugdbescherming sluiten aan bij deze behoefte en dienen ingezet en voortgezet te worden. Om deze hulp in te zetten om herhaling te voorkomen, wordt geadviseerd deze hulp zich tevens te laten richten op normoverschrijdend gedrag. Gezien het gegeven dat de verdachte op meer vlakken beperkt functioneert, is het voorstelbaar en aan te raden deze

hulpverlening gedurende langere tijd voort te zetten, totdat de verdachte zich de

vaardigheden eigen heeft gemaakt en geïnternaliseerd.

Geadviseerd wordt dan ook aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel

(GBM) op te leggen voor de duur van een jaar in de vorm van: behandeling bij het Palmhuis en meewerken aan MDFT en toezicht en begeleiding door de jeugdbescherming, waarbij wordt verzocht te bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Tevens adviseert de Raad de verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat de minderjarige wordt verplicht zich onder behandeling van het Palmhuis te stellen voor zolang als deze instanties en instellingen dit nodig achten en overeenkomen met de jeugdreclassering dat de minderjarige gedurende de proeftijd onderwijs/dagbesteding volgt. De Raad adviseert de kinderrechter te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is van de zijde van de Raad benadrukt dat de gedragsbeïnvloedende maatregel is geadviseerd omdat dan sneller kan worden ingegrepen als de verdachte zich niet aan de voorwaarden zou houden dan wanneer alleen een deels voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd. De gedragsbeïnvloedende maatregel is een betere stok achter de deur. De invulling van de maatregel is beperkt ingevuld, omdat de verdachte niet aan ITB Harde Kern en elektronische controle wil meewerken, maar wel bereid is aan behandeling bij Het Palmhuis mee te werken.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft ter zitting van 8 februari 2018 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen, nu de ernstige bezwaren en de gronden voor de voorlopige hechtenis naar het oordeel van de rechtbank nog onverkort aanwezig en ook het bepaalde in artikel 67a lid 3 het Wetboek van Strafvordering nog niet aan de orde. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de rechtbank afgewezen omdat het strafvorderlijk belang prevaleerde boven het persoonlijk belang van de verdachte.

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf. Zij houdt daarbij rekening met de ernst van de feiten, de justitiële geschiedenis van de verdachte, de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en de adviezen van de psycholoog en de Raad.

De rechtbank volgt het advies van de Raad niet. De rechtbank is, nu de verdachte reeds geruime tijd in voorarrest heeft gezeten, van oordeel dat het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel thans geen meerwaarde heeft. Het voordeel van parate executie maakt dit niet anders.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. Met name de onverschrokken manier waarop de verdachte met in zijn hand een groot mes de [bedrijf 1] is binnen gegaan, de eigenaresse bedreigde en bij zijn vlucht de moeder van de eigenaresse verwondde, maakt dat de rechtbank de verdachte een hogere straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank ziet wel reden een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Dit is niet alleen bedoeld om recidive te voorkomen, maar vooral om de begeleiding en behandeling van de verdachte zeker te stellen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de na te melden bijzondere voorwaarden verbinden, waarbij het toezicht en de begeleiding dienen te worden uitgevoerd door Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, te weten een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld en een poging tot afpersing.

Gelet op de hoge mate van zelfbepalend gedrag van de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte zich gewapend had met een mes, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en/of het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank gaat ervan uit dat de proeftijd naar analoge toepassing van artikel 14b lid 2 sub c Wetboek van Strafrecht ingaat op de dag van de einduitspraak.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/827524-17 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.000,-, bestaande uit de geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ad € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de leeftijd van de verdachte, verzocht de hoogte van de vordering aanzienlijk te matigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering die betrekking heeft op een bedrag van € 1.000,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, hoewel namens de verdachte de omvang daarvan is betwist. De rechtbank is van oordeel dat de geleden immateriële schade, ook door de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring en de vlak voor de zitting overgelegde nadere onderbouwing van de vordering, voldoende is onderbouwd. Voorts is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bij dagvaarding I onder eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 29 augustus 2017 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding I onder eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/827524-17 (dagvaarding I) onder eerste en tweede alternatief/cumulatief

en bij dagvaarding met parketnummer 09/818492-17 (dagvaarding II) primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

dagvaarding I eerste alternatief/cumulatief

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken

dagvaarding I tweede alternatief/cumulatief

afpersing

dagvaarding II primair

diefstal

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 12 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 3 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal

melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk

acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Het Palmhuis, of een soortgelijke instelling, teneinde een individuele behandeling alsook MDFT te volgen

op de tijden en plaatsen als door die instelling aan te geven;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen of een andere dagbesteding zal hebben;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen,

zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op 17 februari 1986, en [slachtoffer 2] ,

geboren op 16 februari 1961, beiden domicilie kiezende op het adres van [bedrijf 1]

, [adres 4] Den Haag, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in een straal van 100 (honderd) meter

rondom de winkel [bedrijf 1] , [adres 4] Den Haag, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09/818492-17;

ten aanzien van parketnummer 09/827524-17:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. D.G.J. Dop, kinderrechter,

en mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer Pl1500-2017247313, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 94, pagina 1 tot en met 30 (bijzondere opsporingsmethoden) en ongenummerd (dactyloscopische onderzoek).

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , met bijlagen, p. 27/37.

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , p. 38/42.

4 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 92/94.

5 Proces-verbaal van veilig stellen camerabeelden, p. 56.

6 Proces-verbaal van verdenking, proces-verbaal bijzondere opsporingsmethoden, p, 27/28.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53.

9 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking, p. 57/58.

10 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 48/50.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2018, met nummer PL1500-2017247313-26, met als bijlage het rapport dactyloscopisch onderzoek betreffende spoor AAJR3105NL.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017214459, ongenummerd.

13 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017214409-3, opgemaakt op 28 juli 2017.

14 Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] met nummer PL1500-2017214459-2, opgemaakt op 28 juli 2017.

15 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] met nummer PL1500-2017214468-1, opgemaakt op 28 juli 2017.