Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16211

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
NL 18.11142
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ethiopische nationaliteit, journalist, publicaties op Facebook, negatieve belangstelling niet geloofwaardig, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11142


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 mei 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Van eiser zijn in reactie op het verweerschrift nog aanvullende stukken ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.B. Hailu. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Ethiopische nationaliteit. Hij behoort tot de Amhaarse bevolkingsgroep. Eiser is op 26 augustus 2014 met een studievisum Nederland ingereisd en is vanaf 1 september 2014 tot 1 december 2015 in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “studie”, een masterstudie aan de Universiteit van [plaats 1] . Op 13 april 2015 is eiser tijdelijk teruggekeerd naar Ethiopië voor onderzoek in het kader van zijn studie en op 25 juni 2015 opnieuw Nederland ingereisd. Eiser is vervolgens met ingang van 14 april 2016 tot 14 april 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “het zoeken en verrichten van arbeid”. Op 13 april 2017 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door zijn politieke uitlatingen in de krant [naam 3] en op Facebook in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten. Eiser was in Ethiopië vanaf september 2008 tot oktober 2012 als docent werkzaam aan de [naam 4] -universiteit. Voor zijn masterstudie is eiser overgestapt naar de universiteit van [plaats 2] . Al in 2009 is eiser begonnen met het schrijven en publiceren van politiek gevoelige artikelen in de krant [naam 3] . Door deze artikelen werd eiser door de [naam 4] -universiteit geschorst en mocht hij pas twee jaar later aan zijn master in [plaats 2] beginnen. Vanaf oktober 2015 heeft eiser onder de alias [naam 2] diverse politieke berichten geplaatst op de Facebook pagina ‘ [naam 6] ’ en ‘ [naam 5] ’. Toen eiser in 2015 vanuit Ethiopië terug wilde reizen naar Nederland, werd op het vliegveld zijn paspoort ingenomen. Ook heeft hij een boete van 4000 euro moeten betalen. Via Facebook heeft eiser op zijn alias [naam 2] bedreigingen binnengekregen. Eiser vreest dat zijn werkelijke naam bekend is bij de autoriteiten van Ethiopië. Hij vreest bij terugkeer te worden opgepakt, mishandeld en vervolgd vanwege zijn politieke activiteiten en betrokkenheid bij ‘ [naam 6] ’. Hij vreest ook gezien te worden als lid van de politieke partij Ginbot 7 die door de Ethiopische autoriteiten als een terroristische organisatie wordt bestempeld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen in de periode 2008 tot 2012 op de universiteit niet asielgerelateerd zijn. Verweerder acht verder ongeloofwaardig dat eiser door zijn gestelde politieke uitingen op Facebook en sociale media in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten zou staan. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 22 augustus 2018 aanvullend overwogen dat eiser evenmin bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de recente politieke ontwikkelingen in Ethiopië, zoals beschreven in het algemeen ambtsbericht inzake Ethiopië van juli 20181 (hierna: ambtsbericht).

4. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde problemen op de [naam 4] -universiteit in de periode van 2009 tot 2012 asielgerelateerd zijn. Verweerder heeft daaraan terecht ten grondslag gelegd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat eiser daadwerkelijk in die periode in de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten heeft gestaan. Uit de eisers verklaringen is dit niet gebleken en dit blijkt evenmin uit de krantenartikelen die eiser bij aanvullende zienswijze heeft overgelegd. Uit de inhoud van deze artikelen volgt immers niet dat deze politiekgevoelig en politiek onwelgevallig waren. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser nog jarenlang probleemloos in Ethiopië kunnen wonen en werken, en dat dit interne conflict met de universiteit geen reden voor eiser is geweest om zijn land te verlaten. Bovendien is hij nimmer persoonlijk door de autoriteiten van Ethiopië benaderd. Daarnaast heeft eiser zijn land meermalen op legale wijze kunnen verlaten, hetgeen er niet op duidt dat hij in de negatieve belangstelling van de overheid heeft gestaan. Tot slot heeft verweerder terecht aanvullend overwogen dat indien zijn vertrek in juni 2015 asielgerelateerd zijn geweest, het in de rede had gelegen dat hij bij aankomst in Nederland zo spoedig mogelijk om bescherming zou hebben verzocht en niet pas in april 2017.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser door zijn politieke uitlatingen op Facebook en/of sociale media in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ethiopische autoriteiten. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op alle bij aanvullende zienswijze overgelegde stukken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het profiel van [naam 2] in de verhoogde aandacht staat van de Ethiopische autoriteiten en evenmin dat zij eiser in verband zouden brengen met dit profiel of met de [naam 5] . Met het overleggen van screenshots van de pagina van [naam 2] of de [naam 5] videolinks heeft eiser dit nog steeds niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat de authenticiteit van de door eiser overgelegde Facebook-bedreigingen niet nader zijn aangetoond en niet afkomstig zijn van objectieve verifieerbare bronnen. Bovendien zijn de bedreigingen gericht tegen [naam 2] , terwijl eiser niet heeft onderbouwd dat hij op zijn persoonlijke Facebookprofiel zou zijn bedreigd. Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het feit dat zijn gestelde bedreiger in de overgelegde screenshots als ‘Friends’ staat aangevinkt, ernstig afbreuk doet aan zijn verklaring dat hij op sociale media bedreigd zou worden. Tot slot heeft verweerder er terecht op gewezen dat de echtgenote van eiser, die volgens eiser bij de Ethiopische overheid werkt, evenmin op enige wijze problemen heeft ondervonden.

7. Verweerder heeft voorts terecht, onder verwijzing naar het ambtsbericht van juli 2018 inzake Ethiopië, zich aanvullend op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal staan. Hieruit blijkt immers dat op 5 juni 2018 de noodtoestand is opgeheven, dat vele hervormingen worden doorgevoerd en duizenden politieke gevangenen zijn vrijgelaten. Bovendien worden oppositieleden in het buitenland opgeroepen terug te keren om weer aan het politieke proces te gaan deelnemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als journalist en behorend tot de Amhara bevolkingsgroep bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Algemeen ambtsbericht inzake Ethiopië van het Ministerie van Buitenlandse zaken van juli 2018