Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16204

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
NL17.6432
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Iran; bekering en afvalligheid; niet aannemelijk dat vader aangifte heeft gedaan; na zitting geen twijfel meer over afvalligheid en bekering door vwd; vwd moet uitzoeken of eiser op grond hiervan geen gegronde vrees voor vervolging heeft; beroep gg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL 17.6432

V-nummer: [xxx.xxx.xxxx]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juli 2018 in de zaak tussen

[naam eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1991, van Iraanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 november 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 5 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig D. Hosseini, tolk in de Farsi taal en [de persoon 1] , getuige. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing te geven van zijn stellingen.

Bij brief van 19 december 2017 heeft eiser een nadere onderbouwing gegeven. Bij brief van 15 januari 2018 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiser heeft vervolgens op 24 januari 2018 op de reactie van verweerder gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens met toestemming van partijen gesloten .

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Iran in zijn ouderlijk huis met zijn-vader woonachtig was. De vader van eiser is een streng religieuze, gepensioneerde beroepsmilitair die op projectbasis nog ingezet werd. Eiser is na de dood van zijn moeder depressief geraakt. Eiser kon vanwege zijn depressieve klachten niet de militaire dienstplicht vervullen. Na de dood van zijn broer is eiser verslaafd geraakt aan verdovende middelen en heeft hij afstand gedaan van de islam in 1391 (2012/2013). Eiser is in 1394 (2015/2016) in aanraking gekomen met het christendom via zijn vriend [naam 1] . Vervolgens heeft eiser zich aan het einde van de derde maand van 1394 (mei/juni 2015) bekeerd. Eiser had thuis een Bijbel, die zijn vader op een dag heeft gevonden. De vader van eiser heeft hem aangegeven bij de autóriteiten als afvallige. Eiser is vervolgens gedagvaard. Eiser vernam van zijn zus dat hij werd gezocht. Eiser verwacht de doodstraf te krijgen wegens afvalligheid en is daarom gevlucht uit Iran. ·

Standpunt verweerder

2.1.

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

a. eiser heet [naam eiser] , is geboren op [geboortedatum] 1991 te Teheran in Iran en bezit de Iraanse nationaliteit;

b. eiser had depressieve klachten, heeft afstand gedaan van de islam en heeft zijn militaire dienstplicht niet vervuld;

c. eiser is bekeerd tot het christendom;

d. de vader van eiser heeft de Bijbel van eiser gevonden, heeft vervolgens aangifte gedaan en eiser is gedagvaard;

e. de vrees van eiser dat hij vanwege zijn afvalligheid en bekering zal worden gedood door zijn vader en de Iraanse autoriteiten.

2.2.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser (element a) geloofwaardig. Verweerder acht n!et geloofwaardig dat eiser vanwege psychische klachten niet in dienst is gegaan en dat hij zich van de islam heeft afgekeerd (element b). Ook acht verweerder niet geloofwaardig dat eiser zich bekeerd heeft tot het christendom, dat zijn vader vanwege afvalligheid en bekering aangifte tegen eiser heeft gedaan en dat eiser daarna is gedagvaard en om deze reden te vrezen heeft voor vervolging door de Iraanse autoriteiten en zijn vader (element c, den e). Verweerder acht hierbij van belang dat een aantal verkÎaringen van eiser over zijn afkeer van de islam bevreemdingwekkend zijn. Verweerder acht het bijvoorbeeld vreemd dat eiser heeft verklaard zich te hebben afgewend van de islam en zich te hebben bekeerd, maar ook heeft verklaard dat hij wel is blijven meedoen aan moslimgebruiken. De verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering vindt verweerder daarnaast ook vaag. Daarom meent verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een innerlijke en oprechte bekering .

Verweerder acht ook van belang dat eiser geen enkele onderbouwing heeft gegeven van zijn stellingen. Hij heeft in het geheel geen documenten overgelegd die zijn verklaringen onderbouwen. Nu hij heeft verklaard in verbinding te staan met zijn zus en nu hij al een tijd in Nederland is, had redelijkerwijs van eiser verwacht mogen worden dat hij van zijn stellingen onderbouwing levert. Dat is tot op heden niet gebeurd.

Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Iran geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.' ··

Standpunt eiser in'beroep

3. Eiser voert - kort samengevat - aan dat hij de islam de rug heeft toegekeerd, oprecht en eerlijk is bekeerd en dat hij bij terugkeer naar Iran gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag. Eiser stelt dat zijn vader aangifte tegen hem heeft gedaan wegens afvalligheid en bekering en dat hij is gedagvaard. Verweerder heeft ónvoldoende de mate van veiligheid in Iran bij een eventuele terugkeer onderzocht. Eiser heeft in 'ït verband verwezen naar diverse stukken waaruit de slecht situatie van afvalligen en bekeerlingen in iran blijkt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn bekering een doopakte en een verklaring van de kerk in [plaats 1] overgelegd. Eiser staat op een foto met de zeer bekende evangelist [naam 2] en deze foto staat ook op de Facebook:pagina van [naam 2] zelf. Aan dit feit dient zwaar gewicht te worden toegekend bij het bepalen van het risico dat eiser bij terugkeer naar Iran zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Zitting bij de rechtbank

A. Afvalligheid

4.1.

Ter zitting heeft eiser toegelicht welke redenen ertoe hebben geleid dat hij zich heeft afgewend van de islam. Eiser heeft verklaard dat zijn vader, een streng en fanatiek moslim, hierbij een grote rol hee_ft gespeeld. Zijn vader dwong eiser van jongs af aan in een streng religieus keurslijf. Als eiser' zich als kind niet hield aan de islamitische regels en gebruiken of als eiser hierbij per ongeluk iets fout deed, werd hij mishandeld door zijn vader. Eiser is vaak op zijn hoofd geslagen door zijn vader. Hij heeft de littekens hiervan nog op zijn ho.ofd. Eisers vader liet hem geen enkele ruimte en bepaalde alles tot in de kleinste details van zijn leven, zoals bijvoorbeeld het kopen van een paar schoenen. Eisers vader wilde dat eiser hem zou opvolgen als beroepsmilitair, maar dat wilde eiser niet. Eiser is niet in dienst geweest en zijn vader was het daar zeer mee oneens. Eiser wilde zich wel onttrekken aan zijn vader, maar hij kon het niet, omdat hij geen zelfstandige woning kon krijgen Toen eisers moeder overleed, moesten conform de sharia-wetgeving allerlei stappen doorlopen worden alvorens de begrafenis kon plaatsvinden. Voor iedere stap moest veel geld betaald worden en er was tegenwerking vanuit de autoriteiten waardoor de begrafenis niet zo kon plaatsvinden als eiser had gewild. Eiser had het gevoel opnieuw te maken te hebben - net als bij zijn vader thuis - met strenge religieuze regels waaraan geen ontsnapping mogelijk is. Vervolgens overleed eisers broer. Eiser raakte depressief en verslaafd. Toen hij hulp zocht voor zijn verslaving vond hij geen enkele steun bij islamitische organisaties. Door dit alles had hij afkeer gekregen van de islaJl!, zodanig dat hij geen moslim meer wilde zijn.

1 Verdrag tot beschenning van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

B. Getuigenis van [predikant] , van de Christelijke Gereformeerde Kerk in [plaats 1]

4.2.

[predikant] heeft ter zitting als getuige samengevat het volgende verklaard. In 201S is eiser in [plaats 1] komen wonen. Hij ging daar ook op zoek naar een kerk. Eiser is gedoopt in een kerk in Zaandam. Als [predikant] met eiser spreekt, dan gaat het over trauma's vanuit de jeugd en de opvoeding. Eiser komt vaak naar de bijeenkomsten in de kerk. Hij.doet mee aan veel activiteiten. Hij volgt online ook een Bijbelstudie. Hij heeft daarbij wel een beperking en dat is dat zijn opleidingsniveau niet heel hoog is. Hij kan wel lezen, maar het is niet heel makkelijk voor hem. Eiser vindt in de kerk zijn vrienden, zijn familie. Op de vraag of er een proces van bekering is, heeft [predikant] geantwoord dat eiser heel duidelijk kiest voor een leven als christen. Eiser is veel met het geloof bezig. Voor [predikant] staat als een paal boven water dat eiser christen genoemd kan worden. ·

C. Verweerders standpunt ter zilling na eisers toelichting en de verklaring van de getuige

4.3.

Verweerder heeft ter zitting meegdeeld dat hij zich kan voorstellen dat de strenge religieuze regels bij eiser thuis hebben geleid tot verzet bij eiser tegen de islam. Ook heeft verweerder meegedeeld dat hij de verklaringen van [predikant] op zich niet in twijfel trekt.

Ex nunc naar de zaak kijkend, meent verweerder dat als uitgegaan wordt van de afvalligheid en de bekering van eiser dat nog niet betekent dat eiser bij terugkeer naar Iran ook daadwerkelijk gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarvoor is nodig dat de autoriteiten daadwerkelijk weet hebben van de afvalligheid. Ook de bekering hoeft niet per se te leiden tot een daadwerkelijk risico voor eiser, want niet alle tot christen bekeerde moslims in Iran worden vervolgd, maar alleen di groep die het christelijke geloof openlijk belijdt.

Eiser denkt dat de Iraanse autoriteiten daadwerkelijk op de h ogte zijn·van zijn afvalligheid en bekering, maar dat is niet meer dan een vermoeden, aldus verweerder. Eiser heeft immers allereerst niet zelf de aangifte en dagvaarding gezien, maar alleen maar van zijn zus gehoord dat zijn vader aangifte heeft gedaan en dat er een dagvaarding tegen eiser zou zijn. Daarnaast heeft eiser tot op heden geen enkele onderbouwing gegeven van deze stellingen terwijl de procedure toch al een tijd loopt. De aangifte en/of de dagvaarding zijn niet overgelegd, noch enig ander bewijs dat eisers vermoeden ondersteunt. Verweerder meent daarom dat niet aannemelijk is dat de autoriteiten in Iran daadwerkelijk op de hoogte zijn van de afvalligheid en bekering van eiser en dat eiser daarom bij terugkeer geen risico loopt.

D. De landeninformatie en verweerders beleid

Ter zitting is stilgestaan bij de relevante informatie in het algemeen ambtsbericht Iran van mei 2017 en verweerders landgebonden beleid Iran.

In het algemeen ambtsbericht Iran van mei 2017 is met betrekking tot bekering en geloofsafval het volgende vermeld:

Pagina 30 onder het kopje "Christenen":

"De situatie voor geloofsafvalligen, bekeerde moslims en leden van nieuwe christelijke kerken was ook in onderhavige verslagperiode slecht. Christenen die behoren tot de 'nieuwe kerken ' werden beperkt in het praktiseren van hun geloof Zo werden protestantse, evangelische en pinkstergemeentendie Farsi-talige bijeenkomsten hielden, in de ·verslagperiode op last van de autoriteiten gesloten of beperkt in hun activiteitf!n. Nieuwe kerken die nog open waren, werden verplicht hun diensten van de vrijdag naar de zondag te verplaatsen. Doordat zondag een reguliere werkdag is in Iran, is met deze maatregel automatisch hèt aantal kerkgangers teruggedrongen. Bijeenkomsten in huiselijke kring .werden in de gaten gehouden en bezoekers van dergelijke bijeenfsomsten werden gearresteerd.

Volgens de internationale christelijke ()rganisatie Open Doors zijn tol het christendom bekeerde moslims de grootste groep christenen in Iran en wordt deze groep ook het meest vervolgd. Open Doors maakt hierin geen onderscheid in personen die uitkomen voor hun nieuwe geloof en personen die hun nieuwe geloof privé of volledig geheim houden. Zij worden volgens Open Doors qua mate van vervolging gevolgd door evangeliserende protestantse christenen. Bekeerlingen en personen die evangeliseren kunnen worden gearresteerd bij politie-invallen bij religieuze bijeenkomsten. Ze worden vaak in de gaten gehouden en lastig gevallen. In tegenstelling tot kerkleiders of pastors zouden gewone leden doorgaans na een aantal dagen zonder aanklacht weer in vrijheid worden gesteld Zij bleven nadien hoogstwaarschijnlijk w_el (!mier toezicht van de autoriteiten staan. In zijn rapport van maart 2016 schrijft de Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties dat in januari 2016 nog tientallen bekeerlingen in detentie zaten, de meesten vanwege betrokkenheid bij informele huiskerken. De in 2016 nieuw aangestelde Speciale Rapporteur beschrijft in haar rapport van maart 2017 niet expliciet de situatie voor christelijke bekeerlingen of geloofsafoa/ligen.

( ...)

Bekeringsactiviteiten voor een andere religie dan de islam zijn in Iran verboden. Hierbij lijkt de behandeling of mate van vervolging door de Iraanse autoriteiten niet af te hangen van de religie of stroming waartoe iemand behoort. In de praktijk zijn het echter met name de 'nieuwe kerken ' die zich bezig houden met bekeringsactiviteiten, waardoor zij vaker onder de verhoogde aandacht van de autoriteiten staan. De religieuze bijeenkomsten van deze stromingen worden scherp in de gaten gehouden om het verbod op bekeringsactiviteiten te handhaven. "

Pagina 33 onder het kopje "Bekering en geloofsafval":

"Geloofsafval of apostasie is niet expliciet strafbaar gesteld in het Iraanse Wetboek van Strafrecht, maar is op basis van de sharia aangemerkt als huddud-misdaad. Op grond van deze bepaling is een bekering van de islam naar een andere religie geloofsafval. Ook het afstand doen van het islamitisch geloof zonder een andere religie te gaan aanhangen of het in twijfel trekken van de sjiitische islam wordt aangemerkt als geloofsafval en kan als zodanig bestraft worden. In de sjiitische islam wordt afvalligheid van een geboren moslim (mortad-e fetri) gestraft met de dood. Een man die zich gedurende zijn leven heeft bekeerd tot de islam (mortad-e melli) en zich daar op een later moment weer van afteert, wordt de mogelijkheid geboden om tot inkeer te komen alvorens hij ,geëxecuteerd wordt. "

(. ..)

Gelet op de beschikbare bronnen is het niet mogelijk om te bepalen in welke mate bekeerlingen of afvalligen kans lopen het slachtoffer te worden van represailles van de autoriteiten of van familie, vrienden of personen uit hun per$oonlijke omgeving. "

Pagina 34, eerste alinea:

"De geraadpleegde bronnen stellen wel dat personen die hun bekering of geloofsafval niet publiek.bekendmaken, die niet met anderen spreken over hun persoonlijke keuze en niet om andere redenen inde negatieve aandacht van de autoriteiten staan, doorgaans geen problemen ondervinden enkel vanwege hun persoonlijke religieuze keuze. De organisatie Open Doors maakt met hl{ll stelling dat bekeerlingen het zwaarst vervolgd worden geen onderscheid in personen die uitkomen voor hun nieuwe geloof en personen die hun nieuwe geloof privé of volledig geheim houden. }Jekeerlingen tot het christendom die zich aansluiten bij een huiskerk en evangeliseren lopen een grote kans in de negatieve aandacht van de autoriteiten te komen staan. "

In het landgebonden beleid Iran (WBV 2017/7 van 29 augustus 2017, thans C7/14) staat het volgende.

14.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraafC2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel IA van het Vluchtgelingenverdrag:

a. christenen die actief zijn voor nieuwe kerken of evangeliseren;

b. leden van huiskerken;

c. tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van kerkdiensten.

14.3.2

Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2

De iND merkt de volgende groepen aan als risicogroepen:

a. christenen (...)

f. afvalligen van het islamitische geloof.

Voor wat betreft sub a ziet dit op christenen die niet reeds vallen onder de in paragraaf 14.3.1 genoemde groepen. ·

In C2/3.2 van de Vc 2000 staat het volgende over risicogroepen:

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep. De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is aangewezen als een risicogroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.

E. Het ontbreken van bewijs en de mogelijkheid om alsnog aan documenten te komen

4.4.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij erkent dat de kern van eisers vr s is dat de Iraanse autoriteiten weten van zijn afvalligheid en bekering omdat zijn vader bij die autoriteiten aangifte heeft gedaan. Dat is vooralsnog volgens verweerder niet aannemelijk want slechts van horen zeggen en met niets onderbouwd. Gelet op de informatie in het ambtsbericht en het landgebonden beleid kan dit standpunt, aldus verweerder, mogelijk anders komen te liggen als er gedegen onderbouwing komt. Bij een gedegen onderbouwing kan mogelijk aannemelijk worden geacht dat de autoriteiten op de hoogte zijn van de afvalligheid en bekering. In dat geval zou eiser inderdaad risico lopen bij terugkeer naar Iran.

4.5.

Eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij van zijn zus heeft gehoord dat zijn vader aangifte tegen hem heeft gedaan en dat er een dagvaarding tegen hem is uitgebracht. Eisers zus heeft de aangifte zelf gelezen maar de dagvaarding heeft zij niet zelf gezien. De wµigifte had volgens de zus van eiser te maken met eisers bekering. Eisers vader zou op zijn werk last hebben gehad van de bekering van eiser en de familie-eer zou hierdoor zijn aangetast. Eiser heeft voorts verklaard dat zijn zus mogelijk een foto kan maken van de aangifte en van de dagvaarding tegen hem. Eiser denkt <lat de dagvaarding die tegen eiser is uitgebracht in de kluis bij zijn vader ligt. Het is moeilijk om daaraan te komen. Tot op heden is hem dat niet gelukt. Hij wil opnieuw een serieuze poging ondernemen om aan documenten vanuit Iran te komen.

F. Bewijsopdracht aan eiser

4.6.

Ter zitting is me partijen afgesproken en vervolgens door de rechtbank beslist dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld een nadere onderbouwing te geven van zijn stelling dat zijn vader aangifte tegen hem heeft gedaan bij de Iraanse autoriteiten en dat hij is gedagvaard wegens afvalligheid en bekering. De rechtbank heeft om drie redenen voor deze bewijsopdracht gekozen. Allereerst geeft de hierboven vermelde informatie over de positie van afvalligen en tot christen bekeerde moslims in Iran aanleiding tot verontrusting. Die positie wordt slecht genoemd en het landgebonden beleid vermeldt dat groepsvervolging plaatsvindt van tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van diensten. Tegen de achtergrond van deze informatie is grote ehoedzaamheid geboden bij de risicotaxatie.

De tweede reden voor bewijsopdracht aan eiser is dat verweerder na eisers uitgebreide toelichting ter zitting heeft meegedeeld thans wel in te kunnen voelen waarom eiser in verzet is gekomen tegen de strenge religieuze regels van thuis. Ook heeft verweerder gez1rgd niet te twijfelen aan de verklaringen van de getuige, [predikant] , over de geloofsbeleving van eiser. De rechtbank heeft dit aldus opgevat dat verweerder niet langer vasthoudt aan het oorspronkelijk in het besluit ingenomen standpunt dat de gestelde afvalligheid en bekering niet geloofwaardig zijn. De rechtbank begrijpt verweerders huidige standpunt aldus dat de geloofwaardige afvalligheid en bekering geen risico voor eiser bij terugkeer meebrengen. In eisers geval is namelijk niet aannemelijk dat de áutoriteiten hiervan weten. Eiser stelt . daartegenover dat de autoriteiten er wel van op de hoogte zijn, omdat zijn vader aangifte tegen hem heeft gedaan en hij vervolgens is gedagvaard.

De derde reden voor de bewijsopdracht is gelegen in een bestendig beginsel van het internationale asielrecht. Op de asielzoeker rust de plicht om zoveel mogelijk informatie en materiaal aan te dragen dat de nationale autoriteiten in staat stelt het risico bij terugkeer te taxeren. Tegelijkertijd kan het voor de· asielzoekermoeilijk, zo niet onmogelijk, zijn om binnen korte tijd aan bewijs te komen, zeker wanneer dat bewijs uit het land van herkomst moet komen. Als bewijs niet onmiddellijk wordt overgelegd hoeft dat niet altijd beslissend te zijn. De rechtbank verwijst hierbij naar bestendige jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, o.a. J.K en anderen tegen Zweden, 23 augustus 2016, nr.59166/12, N 282, r.o. 92 en naar de UNHCR Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims, par.11.

f Nader bewijs van de kant vafl eiser in het kader van de schorsing van het onderzoek ter zitting

S. Eiser heeft op 19 december 2017 een brief overgelegd van zijn zwager en zus in Iran, voorzien van een officiële vertaling en voorzien van kopieën van identiteitsdocumenten van zwager en zus. De brief luidt als volgt.

"Ik, [de persoon 2] , zoon van [de persoon 3] /, houder van het geboorte- en identiteitsbewijs [nummer] , afgegeven in [plaats 2] , de zwager{= schoonbroer; echtgenoot van zus] van [de heer] . Ik vertel hieronder, in deze tekst, een samenvatting van het verleden van het leven van [naam eiser] en spreek ik ovér de problemen die ontstonden voor [naam eiser] . De familie van [de heer] is zeer religieus en fanatiek. Ook de vader van [naam eiser] , genaamd [naam vader] , is een zeer islamitische religieuze fanatiek persoon. Hij is één van de ambtenaren in het regime van de Islamitische Republiek Iran.

Omdat zijn vader zeer streng is, kunnen wij niet mei hem over [naam eiser] praten. Ondanks het feit dat ik volledig op de hoogte ben van de problemen tussen [naam eiser] en zijn vader, toch kan ik niet met deze vader praten. Binnen de familie zijn de woorden van de vader van [naam eiser] de laatste woorden. Dus zijn woord is het woord Daarom moeten meestal de zaken gebeuren volgens de bepalingen van de vader van [naam eiser] . Daarom de familieleden moeten zaken doen die zij zelf niet leuk vinden, maar de vader van [naam eiser] die bepaald En [naam eiser] moest ook vele zaken verrichten die hij zelf leuk vond, maar zijn vader wel. Over het probleem tussen [naam eiser] en zijn vader moet ik tevens het volgende zeggen: In de laatste tijd had [naam eiser] een boek. Hij bewaarde dat boek in zijn eigen kamer. Toen de vader van [naam eiser] dat boek zqg, begreep hij dat er veranderingen hadden plaatsgevonden in het hoofd van [naam eiser] . Hij besefte dat de religie en godsdienst van [naam eiser] was veranderd. Daarom diende hij een aangifte en aanklacht tegen [naam eiser] in bij de rechtbank. Toen [naam eiser] erachter kwam dat zijn vader aangifte tegen hem gedaan had, en voordat hij door de politie of de justitiële autoriteiten gearresteerd werd, vluchtte hij. Het nieuws van de aangifte en aanklacht van de vader tegen [naam eiser] werd door zijn zus, dus mijn echtgenote, genaamd [naam zus] , aan [naam eiser] werd doorgegeven. Zodoende kon [naam eiser] vluchten en niet in een nieuw probleem terecht komen. Omdat de hele familie bang is voor de vader van [naam eiser] , mag niemand over [naam eiser] met hem praten. De vader van· [naam eiser] heeft een kluis. Hij bewaart zijn documenten in deze kluis. Er is geen mogelijkheid om toegang te hebben naar de inhoud van deze kluis. Wij zullen in de eerste mogelijkheid een kopie van de aangifte, de aanklacht, van de vader van [naam eiser] tegen [naam eiser] over het onderwerp: het veranderen van religie en godsdienst, ofwel de bekering van [naam eiser] , naar [naam eiser] sturen:

De samenvatting van deze brief is een uitleg over het probleem tussen [naam eiser] en zijn vader, genaamd [naam vader] , betreffende het veranderen van religie en godsdienst, ofwel de bekering van [naam eiser] . Wij bevestigen hierbij dat er een groot probleem is ontslaan voor [naam eiser] door de aangifte, aanklacht, door de vader van [naam eiser] tegen [naam eiser] . Wij zijn integer in onze verklaring en bevestigen de juistheid van het bovenstaande. Wij zijn twee getuigen en onze namen zijn:

[de persoon 2] , de zwager {=schoonbroer; echtgenoot van zus] van [naam eiser] en [naam zus] , de zus ván [naam eiser] .

Als bevestiging ondertekenen wij deze verklaring en versturen wij deze verklaring: [de persoon 2] , de zwager [= schoonbroer; echtgenoot van zus] van [naam eiser] [Handtekening]

[naam zus] , de zus van [naam eiser] . [Handtekening] V

Verweerders reactie op het nadere bewijs van de zijde van eiser

6. Verweerder heeft in reactie op het nadere bewijs van eiser- kort samengevat- het volgende naar voren gebracht. Verweerder kent aan de brief van de zwager en zus van eiser niet de betekenis toe die eiser hieraan toegekend wenst te zien. o ·e brief is niet uit objectieve bron atlmmstig en is op verzoek van eiser opgesteld. Daarnaast ac t verweerder de inhoud van de brief inconsistent met de verklaringen van éiser. In de brief staat namelijk dat met de vader van eiser niet over eiser te praten viel. Dit is inconsistent volgens verweerder met de verklaring van eiser dat zijn vader aan zijn zus heeft verteld dat hij aangifte tegen eiser ging doen.

Oordeel rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser de militaire dienstplicht niet heeft doorlopen. De verklaringen die eiser op dit onderdeel van zijn relaas heeft afgelegd zijn vaag, stroken, zoals verweerder heeft opgemerkt, niet met de landeninfonnatie over vrijstelling van de militaire dienstplicht in Iran en zijn met niets onderbouwd.

Het niet vervullen van de dienstplicht is niet de kern van eisers relaas. Dat eiser op dit onderdeel ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, betekent daarom nog niet per se dat de rest van eisers relaas ook ong loofwaardig is.

8.· De kern van eisers relaas is dat hij gelocifsafvallige is en dat hij zich bekçerd heeft tot het christendom. Dit is na de zitting bij de rechtbank ook niet meer in geschil. In geschil is of de autoriteiten in Iran daadwerkelijk hiervan op de hoogte zijn, omdat eisers vader aangifte tegen hem heeft gedaan en eiser daarna is gedagvaard.

9. Het vermoeden van eiser dat de Iraanse autoriteiten weten van zijn afvalligheid en bekering is thans - nadat eiser de brief van zijn zwager en zus in het geding heeft gebracht - een met bewijs gestaafde stelling geworden. De rechtbank zal daarom, conform het toetsingskader uitgewerkt in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 20162 vol toetsend, J,eslissen of verweerder zich terecht op standpunt stelt dat ook met dit bewijs nog niet aannemelijk is geworden dat de Iraanse autoriteiten weet hebben van de afvalligheid en de bekering en dat eiser daarom ook geen risico loopt bij terugkeer naar Iran.

10. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op basis van eisers eigen verklaringen, bezien in samenhang met de brief van eisers zwager en zuster, niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten daadwerkelijk op de hoogte zijn va'n eisers geloofsafvalligheid en bekering tot het christendom. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk niet aannemelijk geworden dat eisers vader daadwerkelijk aangifte tegen eiser heeft gedaan en dat eiser vervolgens is gedagvaard. De aangifte en dagvaarding zijn tot op heden niet overgelegd. Dat dat komt omdat deze documenten zich in een kluis bij eisers yader zouden bevinden, acht de rechtbank geen toereikende verklaring voor het niet overleggen van deze documenten, omdat uit de stukken is gebleken dat de zus van eiser elke dag een aantal uren in het huis van de vader is en het de zus wel een keer is gelukt om de identiteitsdocumenten van de vader uit de kluis te krijgen toen zij die een keer nodig had. Daarnaast heeft eiser niet rechtstreeks van zijn vader vernomen omtrent de aangifte, maar heeft hij deze informatie van zijn zus gehoord. Eiser zelf heeft de aangifte niet gezien en heeft ook niet precies kunnen zeggen wat er in de aangifte staat. Eisers zwager en zus maken in hun brief ook melding van een aangifte die eisers vader tegen eiser zou hebben ingediend, maar zij verklaren hierover zeer summier, zonder daarbij in te gaan op de preci ze inhoud van de aangifte. Ook vermeldt de brief van de zwager en zus van. eiser niet dat zij, of één van hen, de aangifte met eigen ogen heeft gezien. In de brief van de zwager en zuster wordt van een dagvaarding die vervolgens aan eiser zou zijn uitgebracht, in het geheel geen melding gemaakt. Eisers stelling dat er een dagvaarding tegen hem is uitgebracht, vindt dus geen steun in de brief van eisers zwager en zus, terwijl de verklaring van eiser"zelf over deze dagvaarding ook nog eens zeer summier is. Eiser weet in feite niet te vertellen wat er nu precies in deze dagvaarding staat en waar hij zich voor wat precies moet komen verantwoorden. ·

Op basis van de verklaringen van eiser en de brief van èis!;:rs zwager en zus is niet uit te sluiten dat eisers vader wel tegen eisers zus h(?eft gezegd dat hij aangifte tegen eiser zal gaan doen. Dat dat vervolgens ook daadwerkelijk is gebeurd is echter, om de hierboven genoemde redenen, niet aannemelijk geworden.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden d t eisers vader de ,rvalligheid en bekering van zijn zoon daadwerkelijk heeft gemeld bij de autoriteiten en dat' eiserdaarna wegens geloofsafval en bekering is gedagvaard om voor een rechtbank te verschijnen.

De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat bij haar oordeelsvorming geen rol heeft gespeeld dijt de brief van eisers zwager en zus niet objectief is, omdat het afkomstig is van familieleden en op verzoek van eiser opgesteld. Ook verklaringen van familieleden kunnen dienen als bewijs ter ondersteuning van verklaringen van asielzoekers. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van het EHRM inzake Hila/ tegen het Verenigd Koninkrijk van 6 maart 2011 (n·ummer 45276/99), waarin het E aan de verklaringen van de echtgenote van de klager gewicht heeft toegekend en deze verklaringen heeft aangemerkt als steunbewijs voor de verklaringen van klager. Om daadwerkelijk als bewijs te kunnen dienen moeten verklaringen van familieleden echter wel specifiek, gedetailleerd en concreet ondersteuning bieden aan de verklaringen van de asielzoeker. Dat is met de brief van eisers zwager en zus niet het geval, de brief js niet specifiek, concreet en gedetailleerd genoeg.

2 Zie onder andere ECLI:NL:RVS:2016:957.

11. Daarmee is echter nog niet gezegd dat niet aannemelijk is dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Iran dan wel een reëel risico loopt om bij terugkeer naar dat land te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom zijn na de zitting bij de rechtbank niet langer door verweerder in twijfel getrokken en daarom niet meer in geschil. Uit het hierboven reeds aangehaalde algemeen ambtsbericht Iran van mei 2017 volgt dat de situatie voor geloofsafvalligen, bekeerde moslims en leden van nieuwe christelijke kerken slecht is en dat christenen die behoren tot de nieuwe kerken beperkt worden in het praktiseren van hun geloof. Volgens de internationale christelijke organisatie Open Doors wordt de groep van bekeerde moslims het meest vervolgd, waarbij Open Doors geen onderscheid maakt tussen personen die uitkomen voor hun nieuwe geloof en personen die hun geloof privé of geheim houden. Geloofsafval of apostasie is niet expliciet strafbaar gesteld in het Iraanse Wetboek van Strafrecht, maar is op basis van de sharia aangemerkt als huddud-misdaad. Op grond van deze bepaling is een bekering van de islam naar een andere religie geloofsafval. In de sjiitische islam wordt afvalligheid van een geboren moslim (mortad-e fetri) gestraft met de dood. Het ambtsbericht vermeldt ook dat, gelet op de beschikbare bronnen, het niet mogelijk is om te bepalen in welke mate bekeerlingen of afvalligen kans lopen het slaçhtoffer te worden van represailles van de autoriteiten of van familie, vrienden of personen uit hun persoonlijke omgeving. De geraadpleegde bronnen stellen wel dat personen die hun bekering of gelc;>afs afval niet publiek bekendmaken, die niet met anderen spreken over hun persoonlijke keuze en niet om andere redenen in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, doorgaans geen problemen ondervinden enkel vanwegé hun persoonlijke religieuze keuze.

12. In het eveneens hierboven reeds vermelde land gebonden beleid Iran (WBV 2017/7 van 29 a gustus 2017, thans C7/l4) staat dat in Iran sprake is van groepsvervolgingjegens christenen die actief zijn voor nieuwe kerken of evangeliseren, leden van huiskerken en tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van kerkdiensten.

13. Eiser heeft verklaard dat hij in Iran niet naar een kerk ging. Eiser is hier in Nederland begonnen met het bezoeken van een kerk, het volgen van bijbellessen en het bijwonen van religieuze bijeenkomsten. In Nederland belijdt eiser zijn christelijke geloof aldus openlijk. De vraag rijst dan ook op welke wijze hij zijn geloof zal gaan belijden bij terugkeer naar Iran. Als hij dat op dezelfde wijze zal doen als in Nederland, dus openlijk en actief, door het bijwonen van diensten en andere religieuze bijeenkomsten, dan zal eiser vallen onder één van de groepen die in verweerders beleid genoemd worden als groep personen ten aanzien van wie groepsvervolging plaatsvindt, namelijk de groep bekeerlingen die hun geloof openlijk belijden. Alsdan is sprake van gegronde vrees voor vervolging en zijn er substantiële redenen om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Op de hier genoemde vraag - op welke wijze zal eiser zijn geloof in Iran gaan belijden - is vooralsnog niet ingegaan in d<t. besluitvorming. Het bestreden besluit ontbeert gelet op het voorgaande een toereikende motivering en is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14 . Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding voor finale geschillenbeslechting. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak. Bij het nemen van een nieuw besluit zal verweerder moeten ingaan op de vraag hoe eiser naar verwachting zijn geloof zal gaan belijden in Iran. Het ligt in de rede om eiser daarover te oren. Bij nieuwe besluitvorming zal verweerder zich rekenschap moeten geven van het feit dat in het arrest van het Hof van Justitie van de·Europese Unie van 5 september 2012 in de zaak van Y. en Z. ( C-71/11 en C-99/11) is gèoordeeld dat van een gelovige niet m_ag worden geëist dat hij, om vervolging te vermijden, zich onthoudt van het verrichten van bepaalde godsdienstige handelingen (het discretie-vereiste mag niet worden gesteld).

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

0 6 JUL 2018

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's­ Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.