Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
NL18.13530
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Griekse statushouder. Uitspraak Afdeling 30 mei 2018. Eiser heeft zich niet gewend tot hogere Griekse autoriteiten, terwijl dit volgens de Afdeling wel van hem mag worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13530

V-nummer: [xxx.xxx.xxxx]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , geboren op [geboortedatum] 1971, van Afghaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. R.L. Braakman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.S. van Tol).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 juli 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nietontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de voorlopige voorziening (NL18.13531), plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door G. de Vries als tolk in de taal Dari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De Griekse autoriteiten hebben internationale bescherming verleend aan eiser, op grond waarvan hij een status, geldig van 6 juli 2017 tot 7 juli 2020 heeft verkregen.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 20001 in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 20002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser door de Griekse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en daardoor als statushouder een zodanig band heeft met Griekenland dat het voor hem redelijk zou zijn daarheen te gaan.

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat het vanwege zijn gezondheidsproblematiek voor hem gevaarlijk is om naar Griekenland te gaan. Eiser heeft een chirurgische ingreep aan zijn hoofd gehad, epileptische klachten en is aan zijn linkerzijde verlamd. Ook heeft hij psychische problemen. Door epileptische aanvallen valt eiser op de grond en raakt hij zijn bewustzijn kwijt. Eiser stelt dat in Griekenland niemand zich om zijn toestand bekommert. Eiser vreest dat hij in Griekenland geen woning, geen leefgeld en geen medische behandeling zal ontvangen. Eiser stelt dat hij hierover in Griekenland heeft geklaagd bij een organisatie Praxcis genaamd en telefonisch bij het UNHCR, maar zij konden niets voor hem betekenen.

4. In de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 20183 over de situatie van statushouders in Griekenland, heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

“7. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen (vergelijk de beslissing van het EHRM van 27 augustus 2013, [de persoon] tegen Nederland en Italië,

ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410, punt 179, en de beslissing E.T. en N.T., punt 26). Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd (zie de beslissing van het EHRM van 2 april 2013, [de persoon] tegen Nederland en Italië,

ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510, punt 70-71 en de beslissing [de persoon] , punt 179-180). Echter, indien een persoon, die volledig afhankelijk is van steun van de staat, te maken heeft met “official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity”, is alsnog sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM (zie de beslissing E.T. en N.T., punt 23).

8. Uit de brief van de staatssecretaris van 6 november 2017 blijkt dat statushouders onder de Griekse wet gelijk zijn aan Griekse staatsburgers. Wel komt uit deze brief, de stukken waarop partijen beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdeling naar voren dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk is. Zoals uit vorenbedoelde stukken blijkt en wat de staatssecretaris in de brief van 6 november 2017 ook erkent, is dat het voor statushouders moeilijk is om betaald werk te vinden, dat de toegang tot gezondheidszorg moeizaam is en dat de statushouder volledig op zichzelf is aangewezen om huisvesting te vinden.

8.1

De situatie in Griekenland voor statushouders is, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Zoals de staatssecretaris in zijn brief van 6 november 2017 heeft uiteengezet, hebben de Griekse autoriteiten bijvoorbeeld maatregelen wat betreft de huisvesting voor statushouders aangekondigd. Daarnaast blijkt uit de brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Griekenland van 20 december 2017 dat op lokaal niveau tien Migrant Integration Centres zijn geopend om onder meer de integratie van statushouders te faciliteren (…).”

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op van eiser op het AIDA-rapport4 niet kan leiden tot een ander oordeel dan de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraak heeft gegeven, omdat de Afdeling deze bron al in haar beoordeling heeft betrokken.

6. Ook het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanleiding om aan te nemen dat eiser bij terugkeer in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.5 Zoals volgt uit rechtsoverweging 8.3 van voormelde uitspraak van de Afdeling, mag van eiser worden verwacht dat hij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status effectueert. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hem is medegedeeld dat hij per 1 september 2018 geen woning, leefgeld en zorgverzekering meer zou ontvangen. Gesteld noch gebleken is echter dat eiser zich tot de hogere autoriteiten in Griekenland heeft gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Griekse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat eiser zich had kunnen wenden tot non-gouvernementele instanties zoals de Greek Council for Refugees, die kwetsbare personen bijstaan. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen en dat hij dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het verzoek van eiser om aanvullende garanties aan de Griekse autoriteiten te vragen, is dan ook niet aan de orde.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

15 augustus 2018

Mr. A.C. Loman

Rechter

Rechtbank Amsterdam

M.M. van Duren

Griffier

Rechtbank Amsterdam

Documentcode: DSR3656504

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2018:1795.

4 Country Report inzake Griekenland van Asylum Information Database van 28 maart 2017. 5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.