Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16163

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
C/09/557407 / KG ZA 18-785
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; ligplaats van een boot met horecabestemming is wegbestemd en er is een vervangende lokatie aangewezen; aan de kade waar de boot nu ligt wordt een bouwproject gerealiseerd waardoor er weinig parkeermogelijkheid is; eiser vordert de gemeente te veroordelen meer parkeerruimte te creëren; eiser is niet ontvankelijk omdat er voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/557407 / KG ZA 18-785

Vonnis in kort geding van 13 september 2018

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam eiser] ,

te [plaats] (gemeente [gemeente] ),

eiser,

advocaat mr. C.M.E. Verhaegh te Den Haag,

tegen:

Gemeente Den Haag, zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Gemeente’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door [eiser] bij brieven van 30 augustus 2018 en van 4 september 2018 overgelegde aanvullende producties;

- de door de Gemeente bij brieven van 3 september 2018 en van 4 september 2018 overgelegde producties;

- de op 5 september 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 13 september 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 2 oktober 2018.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] exploiteert een koffiehuis op een boot, gelegen nabij [adres] (hierna: de Koffieboot). De Koffieboot is ingeschreven onder de naam [handelsnaam eiser] en ligt daar al 37 jaar.

2.2.

De clientèle van de Koffieboot bestaat voornamelijk uit aan de bouw gerelateerde bedrijven en personen. Zij bezoeken de Koffieboot veelal vroeg in de ochtend, voor aanvang van het werk, waardoor er tussen 5.00 en 10.00 uur veel bestelauto’s en busjes in de buurt van de Koffieboot geparkeerd worden. Tussen 11.00 en 13.00 is het ook drukker in verband met de lunch.

2.3.

In het bestemmingsplan “ [het Plan] ” uit 2014 is de ligplaats van de Koffieboot wegbestemd. Er is een vervangende locatie aangewezen aan [eiser] . Hierover worden nog onderhandelingen gevoerd tussen [eiser] en de Gemeente.

2.4.

Aan de [de kade] wordt in opdracht van projectontwikkelaar Nu Projectontwikkeling B.V. een bouwproject gerealiseerd door aannemer Stebru Bouw B.V. (hierna: Stebru). Tegenover de Koffieboot is inmiddels een nieuw woongebouw (de [X-toren] ) gerealiseerd. De overige opstallen aan de [de kade] worden gesloopt, waarna ook daar woonplaatsen worden opgericht. Het project is genaamd [X] . Een deel van de openbare ruimte rond de bouwlocatie zal ook worden ingericht als bouwplaats, een veiligheidszone daaronder begrepen. Ten behoeve van voormelde bouw zijn meerdere omgevingsvergunningen verleend. Hiertegen heeft [eiser] geen bezwaar gemaakt.

2.5.

Ten gevolge van voornoemd bouwproject zijn sinds medio 2018 in de omgeving van de Koffieboot openbare wegen en parkeergelegenheden voor een periode van twee jaar aan de openbaarheid onttrokken. Ter plaatse is een bouwhek geplaatst. Dit bevind zich op een afstand van vier meter van de Koffieboot. Ten gevolge van deze onttrekking zijn er minder parkeerplaatsen voorhanden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –

1) primair: de Gemeente te veroordelen om mee te werken aan het creëren van tenminste vijftien door [eiser] te gebruiken extra parkeerplaatsen buiten de acht die er nu al zijn in de directe nabijheid van de Koffieboot, welke parkeerplaatsen voor de duur van de bouwwerkzaamheden nabij de Koffieboot, of zolang het bedrijf van [eiser] daar is gevestigd, door hem gebruikt mogen worden, op straffe van een dwangsom;

2) subsidiair: de Gemeente te veroordelen om de thans op de [de kade] direct voor de Koffieboot aanwezige acht parkeerplaatsen te verbreden, zodat deze geschikt zijn voor bestelbusjes/vans en deze exclusief aan [eiser] in gebruik voor zijn bedrijf ter beschikking te stellen, door toe te laten dat [eiser] daartoe voorzieningen treft, zoals het plaatsen van borden of het afzetten van de parkeerplaatsen, gedurende de periode dat er in de directe nabijheid van de Koffieboot wordt gebouwd en zolang als de Koffieboot op de huidige locatie is gevestigd, alsmede daar nog twaalf voor [eiser] exclusieve parkeerplaatsen aan toe te voegen, op straffe van een dwangsom;

3) meer subsidiair: in goede justitie een voorziening te treffen waardoor de aanwezige noodsituatie voor [eiser] wordt opgeheven.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

Voor de bedrijfsvoering van de Koffieboot is het essentieel dat er voldoende parkeerruimte voorhanden is direct in de nabijheid van de Koffieboot en dat er sprake is van een goede bereikbaarheid. Het is een plaats van samenkomst van ZZP’ers in de bouw, die voor het begin van hun werkdag in het koffiehuis onderling overleggen en afspraken maken. Klanten willen hun voertuigen snel en veilig parkeren, in verband met kostbare gereedschappen en materialen die zich daarin bevinden. Bovendien hebben zij veelal weinig tijd om de Koffieboot te bezoeken. Ten gevolge van de afsluiting van wegen in de omgeving van de Koffieboot en de beperkte parkeermogelijkheden is er sprake van een relevante omzetderving (10 tot 20%). Op dit moment zijn er slechts acht smalle parkeerplaatsen op een doodlopend stukje openbare weg (de [de kade] ) voor de Koffieboot, die [eiser] moet delen met de bewoners van de [X-toren] . Om zijn bedrijf levensvatbaar te houden heeft [eiser] behoefte aan twintig tot vijfentwintig parkeerplaatsen. Door hem deze mogelijkheid te onthouden handelt de Gemeente onrechtmatig jegens [eiser] . Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [eiser] . Hij heeft bij herhaling aangedrongen op overleg en een regeling, maar de Gemeente heeft dit steeds in de wind geslagen. Daarbij komt dat volstaan had kunnen worden met afsluiting van een veel kleiner gedeelte van het openbaar gebied, waardoor er parkeerruimte voor [eiser] overbleef. [eiser] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de afsluiting van het openbaar gebied wordt ingegeven door de wens van de Gemeente om [eiser] te dwingen te accepteren dat zijn bedrijf naar een andere locatie wordt verplaatst. Bovendien veronachtzaamt de Gemeente zijn algemene zorgplicht die hij heeft voor zijn bewoners en bedrijven. [eiser] verkeert al bijna 15 jaar in onzekerheid en laat na er voor te zorgen dat [eiser] zijn bedrijf op normale wijze kan voortzetten, nu dan wel in de toekomst.

3.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Slechts wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, zal de weg naar de voorzieningenrechter in kort geding afgesloten zijn. Hiertoe is vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vlg. Hoge Raad 16 maart 1990, NJ 1990, 500).

4.3.

Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat er voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat. [eiser] stelt zich kennelijk op het standpunt dat de Gemeente als wegbeheerder onrechtmatig jegens hem handelt, door de verkeerssituatie ter plaatse te wijzigen en met name door het aantal parkeerplaatsen in de nabije omgeving van de Koffieboot te beperken. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is er nog geen voor beroep vatbaar (verkeers-)besluit van de Gemeente voorhanden, waartegen [eiser] bezwaar had kunnen maken. Van de zijde van de Gemeente is ter zitting aangevoerd dat er een aanvraag van Stebru ligt voor een instemmingsbesluit inzake de inname van weggedeelten ter realisatie van het bouwproject en dat daarop op korte termijn zal worden beslist. [eiser] kan bezwaar maken tegen het te nemen besluit. Daarnaast had en heeft [eiser] de mogelijkheid de Gemeente te verzoeken handhavend op te treden tegen onder andere het feitelijk gebruik van de voormalige parkeerplaatsen en de toegangswegen door Stebru. Ingeval de Gemeente dit verzoek afwijst, kan [eiser] daartegen bezwaar en later zonodig beroep aantekenen. Hangende dit bezwaar/beroep kan [eiser] een voorlopige voorziening vragen, waarmee een met een kort geding vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open staat, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.5.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen na nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Gemeente te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.

hf