Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16151

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
AWB 18/8447
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag. Vraag of het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 van toepassing is. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/8447

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2018 in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Sinnema),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verzoeker heeft hiertegen op 31 oktober 2018 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL18.20334.

Bij verzoekschrift van 31 oktober 2018 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder kenmerk NL18.20336.

Op 8 november 2018 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat hij in de opvang mag verblijven tot op het beroep met betrekking tot beëindiging van de opvang is beslist.

De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. Daarvan heeft verweerder op 8 november 2018 gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.

1.1.

Verzoeker is op 19 juni 2008 samen met zijn moeder, zus en broer met een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis naar Nederland gereisd. Op
22 juli 2008 heeft de (gestelde) moeder van verzoeker mede namens hem een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van
17 december 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van
27 april 2010 (AWB 09/35291) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 oktober 2010 (201005230/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van 27 april 2010 bevestigd.

1.2.

Op 5 september 2011 heeft de (gestelde) moeder van verzoeker opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, mede namens verzoeker, ingediend. Bij besluit van 13 september 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 7 oktober 2011 (AWB 11/29772) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 mei 2012 (201110986/1/V2) heeft de ABRvS de uitspraak van 7 oktober 2011 bevestigd.

1.3.

Op 21 september 2012 heeft verzoeker zelfstandig een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 1 oktober 2012 afgewezen. Bij uitspraak van 1 november 2012 (AWB 12/31388) heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 februari 2013 (201210536/1/V2) heeft de ABRvS deze uitspraak bevestigd.

1.4

Op 4 januari 2016 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 6 januari 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 5 februari 2016 (AWB 16/292) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 maart 2016 (201601145/1/V2) heeft de ABRvS het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Op 22 februari 2018 heeft verzoeker de onderhavige aanvraag ingediend.

2.1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.

Ingevolge artikel 8:83, eerste lid, van de Awb worden partijen zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker met het onderhavige verzoek beoogt te bewerkstelligen dat hij weer wordt toegelaten tot de opvang. In dit kader heeft verzoeker een beroep gedaan op het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465).

4. De vraag is of het Gnandi-arrest onverkort toepassing vindt in de onderhavige zaak waarin het gaat om een herhaalde asielaanvraag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is.

5.1.

In artikel 41, tweede lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten in de in artikel 41, eerste lid van de richtlijn omschreven situaties kunnen afwijken van het gestelde in artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten het de verzoeker toestaan om op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van de procedure om te bepalen of de verzoeker al dan niet op het grondgebied mag verblijven.

5.2.

Genoemd artikel 41, tweede lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn heeft de Nederlandse wetgever geïmplementeerd in artikel 7.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

5.3.

Artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt dat, indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting of overdracht te voorkomen voordat is beslist op een beroep gericht tegen een besluit dat is genomen naar aanleiding van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het de vreemdeling is toegestaan de uitspraak op dit verzoek hier te lande af te wachten.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat van het eerste lid kan worden afgeweken indien uitzetting niet achterwege wordt gelaten op de in artikel 3.1, tweede lid, onder a en e bedoelde gronden.

5.4.

Artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, bepaalt, voor zover hier van belang, dat het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot gevolg heeft dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend nadat een eerdere opvolgende aanvraag definitief is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, definitief niet-ontvankelijk is verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet of definitief als kennelijk ongegrond of als ongegrond is afgewezen met toepassing van artikel 30b of 31 van de Wet, en geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5.5.

In het onderhavige geval is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. De voorzieningenrechter wijst in dit kader naar het verloop van de procedures zoals opgenomen onder 1.1. tot en met 1.5.

5.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de desbetreffende bepalingen uit de Procedurerichtlijn op juiste wijze geïmplementeerd.

5.7.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in het bestreden besluit heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM, zoals in artikel 41 van de Procedurerichtlijn is bepaald. Van een dergelijke strijd met artikel 3 van het EVRM is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

6. Gelet hierop kan het beroep van verzoeker op het arrest Gnandi niet slagen en zal het verzoek worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 november 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.