Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16146

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
C/09/555952 / KG ZA 18-691
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ambtshalve besloten een raadsonderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen van eisers. Het door eisers gevorderde verbod hiertoe over te gaan wordt afgewezen. Wettelijke grondslag voor het raadsonderzoek is aanwezig en aan beroep van eisers op artikelen uit het EVRM en IVRK wordt voorbij gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/555952 / KG ZA 18-691

Vonnis in kort geding van 19 september 2018

in de zaak van

1 [ouder 1] te [plaats 1] ,

2. [ouder 2] te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J.T. Willemsen te Haarlem,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door eisers bij brief van 3 september 2018 overgelegde aanvullende producties;

- de door gedaagde bij brief van 3 september 2018 overgelegde producties;

- de op 5 september 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eisers zijn de ouders van [kind A] , geboren op [geboortedatum 1] (hierna: [kind A] ), [kind B] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [kind B] ) en [kind C] , geboren op [geboortedatum 3] (hierna: [kind C] ), gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. Eisers dragen gezamenlijk het gezag over de kinderen. Bij de kinderen is sprake van ontwikkelingsproblematiek, waardoor zij bijzondere zorgbehoeften hebben.

2.2.

[kind A] is bekend met een autistische stoornis/PDD NOS, een aandachtstekortstoornis, taalproblematiek en een beneden gemiddeld intelligentieniveau. Hij is in de periode van 2008 tot en met mei 2014 opgenomen geweest voor behandeling in een gespecialiseerde zorginstelling. Sinds mei 2014 woont hij weer thuis. [kind C] is bekend met een psychiatrische aandoening (een angststoornis en een pervasieve ontwikkelingsstoornis) en een taalontwikkelingsstoornis.

2.3.

In verband met de zorgbehoeften van de kinderen hebben eisers vanaf 2015 persoonsgebonden budgetten (PGB’s) en zorg in natura aangevraagd bij de gemeente Houten . Het sociaal team van de gemeente Houten heeft in maart 2016 een opdracht verstrekt aan bureau Welpart Advies en Consultancy B.V. te Huizen (hierna: bureau Welpart) om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de zorgbehoefte van de kinderen. Op 8 juli 2016 heeft bureau Welpart terzake een rapport uitgebracht. Eisers hebben een rechtszaak tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten aangespannen in verband met de genomen besluiten over toekenning van PGB’s.

2.4.

Op 28 oktober 2016 heeft het sociaal team van de gemeente Houten een melding gedaan bij Veilig Thuis, zulks naar aanleiding van het door bureau Welpart verrichte onderzoek.

2.5.

Op 29 juni 2017 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) een melding van Veilig Thuis ontvangen over de kinderen in verband met een complexe zorgsituatie en ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen. Eisers zijn bij brief van 3 juli 2017 op de hoogte gesteld van deze melding.

2.6.

Op 10 augustus 2017 is door de RvdK een eerste onderzoeksplan opgesteld. De aanpak van het onderzoek is nadien met eisers besproken.

2.7.

Bij brief van 18 oktober 2017 is door de RvdK (onder meer) aan eisers bericht dat het onderzoek naar de opvoedingssituatie van de kinderen is opgeschort in verband met de door eisers ingediende klacht tegen een vertrouwensarts van Veilig Thuis, waardoor de melding van Veilig Thuis volgens de RvdK niet als basis kan dienen voor een verder raadsonderzoek. De RvdK bericht verder dat er op basis van de bekende informatie en met inzet van de huidige hulpverlening vanuit wordt gegaan dat de veiligheid van de kinderen geborgd is en dat de RvdK zich te zijner tijd zal beraden over de vraag of onderzoek naar de opvoedsituatie van de kinderen alsnog gerechtvaardigd is.

2.8.

Bij e-mailbericht van 15 november 2017 heeft de RvdK aan [de School 1] te [plaats 2] , de particuliere school die de kinderen destijds bezochten, bericht dat het raadsonderzoek vooralsnog is opgeschort en is [de School 1] verzocht om als er zorgen zijn over het gezin [eisers] , deze zorgen te melden bij de RvdK.

2.9.

Bij uitspraak van 14 december 2017 heeft de bestuursrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, in de onder 2.3 bedoelde rechtszaak, onder meer geoordeeld dat het rapport van bureau Welpart onzorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud onvoldoende inzichtelijk en concludent is.

2.10.

Bij brief van 10 januari 2018 heeft de RvdK eisers bericht dat gelet op voormelde uitspraak van de bestuursrechter en omdat er op dat moment door het [behandelcentrum] (een behandelcentrum voor kinderen met autisme waar [kind C] en [kind A] onder behandeling zijn) en [de School 1] geen zorgen bij de RvdK zijn gemeld over de kinderen, de RvdK besloten heeft het raadsonderzoek naar aanleiding van de melding van Veilig Thuis van 29 juni 2017 te beëindigen.

2.11.

Eisers hebben [kind A] en [kind C] per 5 maart 2018 van school laten wisselen. Sindsdien gaan zij naar [de School 2] te [plaats 3] . Eisers hebben [de School 1] hiervan bij e-mailbericht van 4 maart 2018 op de hoogte gesteld. [de School 1] heeft dit gemeld bij de RvdK.

2.12.

Bij brief van 12 maart 2018 heeft de RvdK aan eisers bericht dat ambtshalve besloten is onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen. Het raadsonderzoek is op 22 maart 2018 gestart. In het onderzoeksplan van diezelfde datum is onder meer het navolgende vermeld:

2. De onderzoeksvraag

I. Is er sprake van een zodanig ernstige bedreigde ontwikkeling van [kind C] en [kind A] dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling nodig is?

II. Is een uithuisplaatsing noodzakelijk?

De beantwoording van de onderzoeksvraag is gebaseerd op de volgende afwegingen:

1. Wat betekenen de zorgen en wat er goed gaat voor het veilig opgroeien van [kind C] en [kind A] als er niets verandert?

2. Wat moet er gebeuren om de zorgen voor veilig opgroeien van [kind C] , en [kind A] weg te nemen.

3. Wat zijn de mogelijkheden van de ouders om met hulp van netwerk en hulpverlening de zorgen weg te nemen?

(…)

5. Onderzoeksplan

De RvdK gaat onderzoeken waarom [kind C] en [kind A] van school zijn gewisseld. Tevens zal de RvdK onderzoeken of er ten gevolge van de wisselingen van scholen en hulpverleners in het
– recente – verleden, sprake is van ontwikkelingsbedreiging bij hen en in hoeverre gedwongen hulpverlening noodzakelijk is om die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.

De RvdK gaat in gesprek met de ouders en de kinderen. In de gesprekken zullen de specifieke problemen van de kinderen, het opvoedershandelen van de ouders en welke hulpverlening in het gezin geboden wordt en of die passend is aan de orde komen.

Naast de gesprekken met de ouders en de kinderen worden de volgende betrokkenen en hulpverleners geraadpleegd:

- Sociaal Wijkteam [plaats 1]

- [de School 1] ( [kind A] en [kind C] )

- [behandelcentrum] ( [kind A] en [kind C] )

- [X] ( [kind A] )

- De huisarts van het gezin

- De politie

- Eventuele hulpverleners van de ouders persoonlijk

- De nieuwe school van [kind C] en [kind A]

(…)

7. Relevante factoren tijdens het verloop van het onderzoek

(…)

Bij het onderhavige raadsonderzoek zal de RvdK, gezien het bovenstaande een nieuwe start maken. Concreet houdt dit in dat de melding van Veilig Thuis aan de RvdK en het onderzoek van Welpart niet mee zullen worden genomen. Tegelijk ziet de RvdK zich dan geconfronteerd met het verloren gaan van de informatie die door hulpverleners en scholen is verstrekt aan Veilig Thuis. Omdat er geen informatie op schrift is van deze van de door Veilig Thuis betrokken instanties zelf zal de RvdK deze instanties zelfstandig en zonder tussenkomst van derden opnieuw gaan benaderen (zie onderzoeksplan welke instanties specifiek benaderd zullen worden).

Wel worden namen van betrokken instanties en periodes van hun betrokkenheid uit de informatie van het vorige onderzoek van de RvdK gefilterd en gebruikt.”

2.13.

Bij beslissing van 24 april 2018 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (hierna: het Regionaal Tuchtcollege) een vertrouwensarts van Veilig Thuis berispt wegens, kort gezegd, door haar verricht onzorgvuldig onderzoek.

2.14.

Eisers zijn niet bereid medewerking te verlenen aan de uitvoering van het raadsonderzoek.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – gedaagde te verbieden het op 22 maart 2018 aangekondigde onderzoek naar het gezin van eisers uit te voeren, totdat in een bodemprocedure hierover is beslist.

3.2.

Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan.

Er is geen wettelijke basis voor het aangekondigde raadsonderzoek. Dit maakt het onderzoek tevens onrechtmatig. Het onderzoek zal een grote druk meebrengen op het gezin van eisers en zal schadelijk zijn voor de kinderen en henzelf, nu de eerder uitgevoerde onderzoeken door Veilig Thuis en Welpart hebben geresulteerd in onterechte beschuldigingen en een schadelijke invloed op het gezin. In het kader van het voorgenomen onderzoek zal met verschillende actoren en instanties worden gesproken, hetgeen een diffamerende werking heeft op eisers en de kinderen. De basis van het raadsonderzoek is dermate summier (een schoolwissel en de RvdK wil onderzoeken waarom dit is gebeurd), dat een raadsonderzoek een veel te zwaar en ongepast middel is. Niet alleen grijpt het raadsonderzoek diep in in het gezinsleven, het is ook gericht op het opleggen van ingrijpende kinderbeschermingsmaatregelen zoals uithuisplaatsing of een gedwongen ondertoezichtstelling, hetgeen tot grote onrust leidt.

3.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

In geschil is de vraag of de RvdK in redelijkheid tot een raadsonderzoek heeft kunnen besluiten.

4.3.

Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) moet de Nederlandse overheid verzekeren dat ieder kind de benodigde zorg en bescherming krijgt en zonodig maatregelen treffen om dit te waarborgen. Het belang van het kind staat daarbij centraal.

Ingevolge artikel 1:238 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de wet de taken en bevoegdheden van de RvdK. De specifieke taken van de RvdK zijn onder meer neergelegd in de Jeugdwet (Jw). De bevoegdheid tot het verrichten van een raadsonderzoek is neergelegd in artikel 3.1 Jw. In het eerste lid is bepaald dat de RvdK een beschermingsonderzoek kan starten op verzoek van een andere in dat artikel genoemde instantie. In artikel 3.1, lid 2, Jw is bepaald dat de RvdK ook een onderzoek kan starten indien a) sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of b) bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak van de RvdK blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een kinderbeschermingsmaatregel overwogen moet worden.

4.4.

Gedaagde stelt dat de door [de School 1] gemelde zorgen de voornaamste aanleiding zijn voor het starten van het raadsonderzoek. Deze informatie, in aanvulling op de reeds bij de RvdK beschikbare feitelijke informatie over eerdere wisselingen van onderwijs van [kind C] en [kind A] vindt de RvdK zorgelijk en hij acht de situatie van de kinderen (potentieel) ernstig bedreigend voor hun ontwikkeling, zo blijkt onder meer uit de door de RvdK aan eisers verzonden brief van 30 mei 2018, waarin de RvdK het besluit tot het starten van het raadsonderzoek toelicht. De RvdK licht in die brief verder toe dat in dergelijke gevallen normaliter een (terug)verwijzing plaatsvindt naar het vrijwillige kader. Gelet op de zwaar verstoorde verhouding tussen eisers en het sociaal team van de gemeente Houding en Veilig Thuis wordt inmenging van die organisaties niet als een reële mogelijkheid gezien en heeft de RvdK er naar eigen zeggen voor gekozen om zelfstandig de zorgen met betrekking tot de kinderen te onderzoeken.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen in de gegeven situatie voldoende grondslag om een raadsonderzoek uit te mogen voeren. Daarbij is van belang dat de bestuursrechter weliswaar heeft geoordeeld dat het rapport van bureau Welpart onzorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud onvoldoende inzichtelijk en concludent is, maar dat laat onverlet dat uit de daarnaast voorhanden zijnde informatie over de kinderen blijkt dat er voldoende signalen zijn om aan te nemen dat er reden is voor het verrichten van nader onderzoek naar de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. Daarbij speelt een rol dat de RvK op 10 januari 2018 schriftelijk aan eisers heeft meegedeeld dat de uitspraak van de bestuursrechter en het feit dat door het [behandelcentrum] en [de School 1] geen zorgen bij de RvdK zijn gemeld over de kinderen, hem heeft doen besluiten het eerder opgestarte raadsonderzoek te beëindigen. Nog geen twee maanden later heeft de RvdK echter wel een melding gehad van [de School 1] , waarbij er zorgen geuit worden over de kinderen. Volgens gedaagde heeft [de School 1] nadien ook nog twee maal bij de RvdK geïnformeerd naar het verloop van het onderzoek. Gelet op deze ontwikkelingen, in samenhang met de bij de RvdK beschikbare informatie over eerdere wisselingen van scholen en hulpverlening, heeft de RvdK op goede grond besloten een raadsonderzoek te starten, teneinde te onderzoeken of er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen. De RvdK heeft daarbij expliciet aangegeven dat daarbij geen acht wordt geslagen op de melding van Veilig Thuis bij de RvdK en het onderzoek van bureau Welpart.

4.6.

Van belang is verder dat de RvdK volgens gedaagde geen zicht heeft op de huidige hulpverlening aan de kinderen. Vragen van de RvdK worden volgens gedaagde niet beantwoord. De RvdK kan derhalve niet inschatten of de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen op dit moment gewaarborgd is. Eisers hebben in dat kader nog aangevoerd dat er na het rapport van bureau Welpart een nieuw onderzoek is gelast door de gemeente Houten . Volgens eisers is de onafhankelijk deskundige die het gezin in opdracht van de gemeente Houten heeft onderzocht het op grote lijnen eens met de door de ouders verzochte zorg en is deze deskundige eveneens van oordeel dat nieuwe onderzoeken niet in het belang van de kinderen zijn. Eisers hebben echter nagelaten deze onderzoeksresultaten in het geding te brengen of, ondanks diverse verzoeken daartoe van de RvdK, aan de RvdK ter beschikking te stellen, noch hebben zij delen van dit onderzoek ingebracht die hun standpunt in deze zouden kunnen ondersteunen. Eisers stellen dat zij geen vertrouwen hebben in de RvdK en dat het rapport om die reden niet wordt overgelegd. Onvoldoende duidelijk is echter waarop zij dit wantrouwen baseren. Het door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde onzorgvuldig handelen van de vertrouwensarts van Veilig Thuis maakt immers nog niet dat de RvdK zijn taken niet naar behoren zou uitvoeren. Daarbij komt dat de RvdK ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de autonomie van de ouders gerespecteerd wordt en dat bij het onderzoek rekening gehouden wordt met de wensen van de ouders. Het is in het belang van de kinderen te beoordelen of de thans geboden hulpverlening volstaat en de RvdK is daartoe de aangewezen instantie. De voorzieningenrechter beseft terdege dat dit belastend kan zijn voor eisers en hun kinderen, maar dit vormt in de gegeven situatie onvoldoende aanleiding de RvdK te verbieden het onderzoek uit te voeren.

4.7.

Het beroep van eisers op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) maakt dit niet anders, nu er als gezegd een wettelijke grondslag is voor het raadsonderzoek. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van eisers dat het raadsonderzoek in strijd is met de artikelen 3 IVRK, 5 IVRK, 18 IVRK en 16 IVRK nu deze inbreuk, voor zover daar al sprake van is, wordt gerechtvaardigd door de met het onderzoek beoogde belangen van de kinderen. Artikel 3 IVRK bepaalt ook dat de belangen van het kind voorop moeten staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Artikel 5 IVRK bepaalt dat de ouders de primaire verantwoordelijkheden voor de zorg, begeleiding en opvoeding van hun kinderen hebben en dat de overheid dit moet respecteren én hierin ondersteuning moet bieden. Artikel 18 IVRK bepaalt dat de overheid er voor moet zorgen dat de primaire verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van hun kinderen wordt gerespecteerd én dat de overheid moet zorgen voor passende hulp en bijstand als dat nodig is. Het raadsonderzoek is er juist op gericht te waarborgen dat voornoemde bepalingen in acht worden genomen, zodat van een inbreuk op deze bepalingen geen sprake is. De bepalingen zien steeds op de belangen van het kind en met de RvdK is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze gediend worden met het instellen van het raadsonderzoek. Artikel 16 IVRK tenslotte bepaalt dat ieder kind recht heeft op privacy en dat de overheid kinderen moet bescherming tegen inmenging in hun privé- en gezinsleven. Van willekeurige of onrechtmatige inmenging in het privé- of gezinsleven van de kinderen is echter geen sprake in het geval dat de RvdK in het belang van de kinderen onderzoek instelt.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eisers wordt afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.442,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.

hf