Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
09/797068-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte doen zodat vrijspraak dient te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797068-17

Datum uitspraak: 15 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 september 2017 (pro forma) en 1 februari 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. F. van Dijk namens mr. M.M. Vié naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 en/of 13 oktober 2011 te 's-Gravenhage aangifte heeft

gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was

gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een hoofdagent

van politie ( [naam hoofdagent] , werkzaam bij de politie Haaglanden),

opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan inhoudende dat hij,

verdachte, op 10 oktober 2011 door agent van politie [verbalisant ] :

- ( in de hal van het politiebureau Heemstraat) tegen een paal of tegen een

deur of tegen een raam is gegooid en/of (vervolgens, in het trappenhuis)

- is geschopt en geslagen en/of

- tegen een muur is getrapt.

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er een andere verklaring is voor de botbreuk bij verdachte, dat er op het beeldmateriaal niet te zien is dat verdachte tegen een paal, deur of raam terecht is gekomen, en dat uit het onderzoek, waaronder de gehouden reconstructies, is gebleken dat de vermeende mishandeling in het trappenhuis, gelet op de tijdspanne niet kan hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat de verdachte zeer wisselend heeft verklaard over de vermeende mishandeling. In dit dossier zijn verschillende versies van het verhaal van verdachte opgetekend die verschillen in de mate van het toegepaste geweld, de plaats binnen het politiebureau waar dit geweld zou zijn toegepast, hoe het letsel zou zijn ontstaan en de ernst van het letsel. Er is daarom sprake van een leugenachtige verklaring in de aangifte.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk en valselijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Verbalisant [verbalisant ] is niet strafrechtelijk vervolgd omdat er simpelweg onvoldoende bewijs voor was voor de mishandeling, maar dit geldt ook voor het doen van de vermeende valse aangifte. Immers is er voor beide scenario’s (wel of geen mishandeling) geen onafhankelijke en op juiste informatie gestoelde ondersteuning in het dossier te vinden.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van het dossier stelt de rechtbank – voor zover van belang – het volgende vast. Verdachte heeft op 11 oktober 2011 aangifte gedaan tegen [verbalisant ] , inhoudende dat hij op 10 oktober 2011 in het politiebureau door [verbalisant ] zou zijn mishandeld ten gevolge waarvan hij zijn linker pols heeft gebroken. Naar aanleiding van deze aangifte zijn verschillende personen als getuige gehoord en zijn de camerabeelden van de beveiligingscamera’s die zich in het betreffende politiebureau bevinden uitgekeken van 10 oktober 2011. Op 20 februari 2012 heeft de Hoofdofficier van justitie de beslissing genomen om niet tot vervolging van [verbalisant ] over te gaan. Verdachte heeft hiertegen vervolgens een klacht ingediend. Daarop volgend is een zogenaamde artikel 12 Sv-procedure (als bedoeld in artikel 12 Wetboek van Strafvordering) gestart wat heeft geleid tot de beslissing van het gerechtshof Den Haag van 8 mei 2013, inhoudende een afwijzing van het beklag omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om tot vervolging van [verbalisant ] over te gaan. Verdachte heeft daarna verschillende media opgezocht en zijn verhaal naar de buitenwereld kenbaar gemaakt. De klachtencommissie heeft zich vervolgens ook nog over de zaak gebogen en heeft geconcludeerd dat zij niet konden vaststellen hoe verdachte aan het letsel was gekomen. [verbalisant ] heeft in deze periode (te weten op 23 juli 2013) aangifte tegen verdachte gedaan wegens het doen van een valse aangifte jegens hem. Ten slotte heeft de Nationale Ombudsman op 23 december 2015 uitgebreid onderzoek gedaan. Ten aanzien van de vermeende mishandeling is door de Nationale Ombudsman geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat [verbalisant ] verdachte heeft mishandeld.

[verbalisant ] heeft vervolgens op verzoek van de officier van justitie op 20 april 2016 opnieuw aangifte gedaan tegen verdachte wegens het doen van valse aangifte. De oude aangifte van 23 juli 2013 was niet opgepakt en in het ongerede geraakt.

Naar aanleiding van deze laatste aangifte is er nogmaals nader onderzoek verricht. De camerabeelden die zich in het politiebureau bevonden zijn opnieuw uitgekeken, er hebben reconstructies plaatsgevonden en door de rechter-commissaris zijn de verbalisanten gehoord die ten tijde van de vermeende mishandeling aanwezig waren op het politiebureau, waaronder [verbalisant ] zelf. Op de betreffende camerabeelden zijn geen geweldshandelingen waargenomen. In totaal zijn verdachte en [verbalisant ] echter 22 seconden buiten het zicht van voornoemde camera’s geweest, op weg van de ontvangstruimte naar de binnenplaats. Naar aanleiding hiervan is er een reconstructie gemaakt overeenkomstig de verklaring van [verbalisant ] en overeenkomstig de verklaring van verdachte. Uitgaande van de verklaring van [verbalisant ] zou het erop neer komen dat zij 24 seconden uit beeld zouden zijn. Als zij sneller zouden lopen dan zou dit 20,5 seconden betreffen. Uitgaande van de verklaring van verdachte zou dit, inclusief de valpartij, schoppen en slaan, neerkomen op 25,5 seconden en 26,0 seconden indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat een getuige vanaf de straat het kon waarnemen.

Beoordelingskader

Art. 188 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd, met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981).

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van mishandeling gepleegd door [verbalisant ] . Daarbij is van belang of de rechtbank kan uitsluiten dat de verdachte op die dag op enige wijze door [verbalisant ] is mishandeld.

Overwegingen

Verdachte heeft op 11 oktober 2011, een dag na zijn aanhouding aangifte gedaan van mishandeling tijdens zijn aanhouding in bureau Heemstraat gepleegd door de [verbalisant ] . Verdachte bleek, na in vrijheid te zijn gesteld, een gebroken pols en rugletsel te hebben.

[verbalisant ] heeft van meet af aan ontkend dat hij verdachte heeft mishandeld dan wel dat hij op enige andere wijze verantwoordelijk is voor het letsel van verdachte. [verbalisant ] heeft uiteindelijk aangifte gedaan.

Naar aanleiding van de over en weer geuite beschuldigingen is er door meerdere instanties uitvoerig onderzoek verricht.

De rechtbank is op grond van dat onderzoek alsook het overige in het dossier bevindende bewijsmateriaal van oordeel dat niet bewezen zou kunnen worden dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden, maar tegelijkertijd dat ook niet uitgesloten kan worden dat er wel een mishandeling heeft plaatsgevonden. In dat opzicht onderschrijft de rechtbank de conclusies van de diverse instanties dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat er in het trappenhuis in het bureau Heemstraat heeft plaatsgevonden. Zonder enig ondersteunend bewijs blijft het eenvoudigweg het woord van de verdachte tegen het woord van [verbalisant ] . De Nationale Ombudsman heeft als laatste instantie onderzoek verricht en is tot de conclusie gekomen dat het op grond van het onderzoek niet aannemelijk is dat [verbalisant ] verdachte heeft mishandeld. Weliswaar is dit de meest vergaande conclusie van de onderzoeken die hebben plaats gevonden, maar ook in deze conclusie blijft er ruimte over voor twijfel. De reconstructies die hebben plaatsgevonden, zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet overtuigend. Zij sluiten het ene of andere scenario niet volledig uit waardoor het onduidelijk blijft wat er in de ontbrekende 22 seconden aan beeld precies is voorgevallen.

Nu op grond van het dossier niet uitgesloten kan worden dat de mishandeling heeft plaatsgevonden, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan tegen [verbalisant ] . Dat er een andere mogelijke verklaring is voor het letsel van verdachte en dat verdachte na de aangifte wisselende verklaringen heeft afgelegd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Conclusie

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen wettig bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte doen zodat vrijspraak dient te volgen.

4 De vorderingen van de benadeelde partijen

[verbalisant ] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.500,-, inhoudende immateriële schade, met het verzoek dit bedrag voorwaardelijk toe te wijzen onder de voorwaarde dat er door verdachte een openbare rectificatie naar buiten wordt gebracht.

Daarnaast heeft [betrokkene] van de Politie Eenheid Den Haag zich namens de Nationale Politie Eenheid Den Haag als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 520,-, inhoudende materiële schade.

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant ] tot een bedrag van € 1.500,-. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [verbalisant ] .

Daarnaast heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Den Haag tot een bedrag van € 520,-. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 520,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd Nationale Politie Eenheid Den Haag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vorderingen van benadeelde partij [verbalisant ] en de Nationale Politie Eenheid Den Haag niet ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vorderingen van de benadeelde partij [verbalisant ] en de Nationale Politie Eenheid Den Haag af te wijzen. Zo kan de verdediging met betrekking tot [verbalisant ] niet kan vaststellen hoe verzoeker schade heeft geleden, de onderbouwing zoals naar voren gebracht is niet ter zake doende.

Ten aanzien van de vordering van de Nationale Politie Eenheid Den Haag kan de politie niet aangemerkt worden als belanghebbende. Meer subsidiair zijn de exacte kosten die de politie heeft gemaakt niet vast te stellen en kunnen de kosten die de politie gemaakt heeft naar aanleiding van een valse aangifte blijkens verschillende jurisprudentie ook niet verhaald worden op de dader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij [verbalisant ] en de Nationale Politie Eenheid Den Haag niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partijen [verbalisant ] en de Nationale Politie Eenheid Den Haag niet ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Holleman , voorzitter,

mr. S.W.E. de Ruiter, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2018.