Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
NL18.1276
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Internationale bescherming in Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1276

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. N. van Luijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1277, plaatsgevonden op 7 februari 2018 in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] . Hij is afkomstig uit Syrië. Op 7 januari 2018 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3. Verweerder heeft die asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat op grond van een door eiser overgelegde Aufenthaltstitel is gebleken dat hij in Duitsland internationale bescherming geniet sinds 8 februari 2016 tot 7 februari 2019.

4. Niet in geschil is dat aan eiser door Duitsland internationale bescherming is verleend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:RVS:2016:2279), maakt dat op zichzelf al dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.

5. Eiser voert echter aan dat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij stelt dat zijn leefomstandigheden in Duitsland slecht waren en dat hij door meerdere verhuizingen steeds opnieuw moest beginnen, waardoor hij aldaar geen leven en toekomst kan opbouwen. Dat hij toegang heeft tot medische zorg in Duitsland, neemt niet weg dat zijn geestelijk lijden door de omstandigheden aldaar wordt veroorzaakt. Het inroepen van bescherming door de Duitse autoriteiten of zich beklagen is volgens eiser niet mogelijk, althans heeft het geen effect.

6. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Verweerder mag ten aanzien van Duitsland in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hierin niet geslaagd. Hij heeft immers niet aangetoond dan wel onderbouwd dat hij zich tot de Duitse (hogere) autoriteiten heeft gewend om zijn beklag te doen over de door hem genoemde verhuizingen en het tevergeefs zoeken naar eigen woonruimte en andere hulp. Daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse (hogere) autoriteiten geen bescherming kunnen bieden in het geval hij deze bescherming inroept. Aan eiser is door Duitsland al internationale bescherming verleend. Hieruit volgt dat de voornoemde autoriteiten bereid zijn om hem te helpen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.