Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
17 / 10403
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran. Homoseksueel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/10403

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde mr. W.A. Berghuis),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Ter zitting van 9 augustus 2017 is gebleken dat eiser in verband met de overplaatsing naar een ander AZC de uitnodiging voor de zitting niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van de zaak aangehouden.

Het beroep is ter zitting van 19 oktober 2017 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is. Op vijftienjarige leeftijd besefte hij dat hij in hoofdzaak homoseksuele gevoelens had. Ook was eiser religieus. Hij verdiepte zich in het islamitische geloof om een wetenschappelijke verklaring te vinden voor zijn seksuele geaardheid en om daarvan te genezen, maar het geloof hielp hem niet. Hij zette zich meer en meer af tegen zijn geloof. Daardoor kon hij zijn seksuele geaardheid meer aanvaarden. Toen hij nog op school zat kreeg hij een relatie met [naam vriend 1] . Later kreeg eiser een relatie met [naam vriend 2] . Op achttienjarige leeftijd beschouwde eiser zich niet meer als religieus en heeft hij zijn seksuele geaardheid aanvaard. Eiser sprak alleen met vrienden en gezinsleden over zijn gedachten, omdat hij niet wilde dat bekend zou worden dat hij zich van het geloof had afgekeerd. Eiser heeft zich niet voor de militaire dienst gemeld omdat hij hoorde hoe homoseksuelen daar werden behandeld. Eiser kwam daardoor niet in het bezit van een afzwaaipas. Hij kon daardoor niet gaan studeren, gebruik maken van overheidsdiensten en gaan werken bij de overheid.

3. Terugkeer naar Iran is volgens eiser niet mogelijk nadat zijn relatie met [naam vriend 2] werd ontdekt. Eiser heeft in september 2015 Iran verlaten omdat de doodstraf staat op homoseksuele handelingen. Ook vreest hij voor wraak van de familie van [naam vriend 2] . Hij vreest ook zijn eigen familie, omdat zij hem verstoten hebben.

4. Verweerder heeft als relevante elementen in het relaas van eiser onderscheiden:

- nationaliteit, identiteit en herkomst;

- seksuele gerichtheid van eiser;

- problemen voortvloeiend uit de seksuele gerichtheid.

Verweerder acht het eerste relevante element geloofwaardig. De overige elementen worden niet geloofwaardig geacht.

5. Ter motivering daarvan stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser tegenstrijdig, vaag en summier heeft verklaard over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie. Eiser heeft geen inzicht geboden in hoe zijn zoektocht naar de islam heeft geleid tot acceptatie van zijn gestelde seksuele gerichtheid. Uit de verklaring van eiser blijkt niet dat hij zich daadwerkelijk heeft afgekeerd van de islam. Ook los van religie heeft eiser summier en tegenstrijdig verklaard over zijn bewustwordingsproces en zelfacceptatie. Over zijn relatie met [naam vriend 1] heeft eiser volgens verweerder ongeloofwaardig verklaard.

6. Over de periode na zelfacceptatie heeft eiser volgens verweerder weinig verklaard. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk over het ontstaan van de relatie met [naam vriend 2] heeft verklaard. Verder acht verweerder niet aannemelijk dat eiser moest vrezen voor de militaire dienst.

7. De verklaringen van eiser over de problemen die hij zou hebben ondervonden acht verweerder niet geloofwaardig, nu zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid niet geloofwaardig zijn geacht. Ook los hiervan heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de gebeurtenissen na de ontdekking van de relaties met [naam vriend 1] en [naam vriend 2] .

8. Verweerder acht het verder bevreemdend dat eiser zich in Nederland niet heeft verdiept in de positie van homo- of biseksuelen nu hij vreest te worden vervolgd vanwege zijn seksuele gerichtheid. De relatie met een jongen in Nederland acht verweerder niet geloofwaardig.

9. Gelet op de ongeloofwaardigheid van eisers relaas komt eiser niet in aanmerking voor een asielvergunning.

10. Ten aanzien van wat eiser heeft aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de onderzoeksmethode zoals weergegeven in Werkinstructie 2015/9 op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele geaardheid, en dat verweerder met die werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid worden beoordeeld.

12. Niet in geschil is dat verweerder het relaas overeenkomstig de Werkinstructie 2015/9 heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen inzicht heeft geboden hoe hij als religieus persoon zijn seksuele geaardheid heeft aanvaard en waarom zijn geloof niet voldeed toen hij binnen het geloof een oplossing zocht voor zijn geaardheid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een fase van bewustwording en zelfacceptatie heeft doorgemaakt en dat hij daarover tegenstrijdig, vaag en summier heeft verklaard.

13. Zo heeft eiser gesteld dat hij biseksueel is. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat uit eisers verklaringen tijdens het aanvullend gehoor juist volgt dat hij zich meer aangetrokken voelde tot de eigen sekse en dat hij de omgang met meisjes flauw en weerzinwekkend vond en dat hij die keuze reeds had gemaakt op zijn veertiende of vijftiende jaar. Verweerder heeft dit terecht tegenstrijdig geacht. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij op zestienjarige leeftijd een relatie met een meisje wilde uitproberen. Deze verklaring heeft verweerder terecht tegenstrijdig geacht met de verklaring van eiser dat hij op veertien- of vijftienjarige leeftijd de keuze voor de eigen sekse al had gemaakt.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser vaag heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid tegen de achtergrond van zijn religie. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij binnen zijn religie probeerde te genezen van zijn homoseksualiteit en hoe hij zijn geaardheid heeft aanvaard onder loslating van zijn religie, toen hij daarbinnen geen verklaring vond, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op eisers verklaring tijdens het aanvullend gehoor dat hij zeer religieus is, maar dat hij er desondanks en ondanks zijn hevige innerlijke strijd en het lezen van geschiedenisboeken ter verdieping van zijn kennis, niet in is geslaagd een antwoord te vinden op de vraag hoe de islam hem zou kunnen helpen bij de aanvaarding van zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid verklaard dat de religie tegen logica en wetenschap is en dat hij tegenstrijdigheden binnen de religie aantrof zonder daarbij te beschrijven hoe de islam omgaat met homoseksualiteit, behalve dan de conclusie van eiser dat de islam deze geaardheid slecht acht. Eiser heeft voorts tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij niet afvallig is van de islam. Verweerder heeft deze verklaring terecht tegenstrijdig geacht met de latere verklaring van eiser dat hij zijn religie heeft losgelaten waardoor hij zijn homoseksualiteit heeft kunnen aanvaarden.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook terecht heeft vastgesteld dat eiser ook buiten de achtergrond van zijn religie tegenstrijdig heeft verklaard over de zelfaanvaarding van zijn seksuele geaardheid. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij op zijn achttiende zijn homoseksuele gevoelens had aanvaard en dat hijzelf geen probleem had en anderzijds heeft hij verklaard dat hij zich, tot twee weken voor zijn vertrek uit Iran in 2015 toen hij 21 jaar was, ziek voelde over zijn geaardheid en dat hij het gevoel had dat het aan hem lag. De stelling van eiser in beroep dat er na acceptatie toch nog twijfels kunnen zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht niet gevolgd, omdat eiser tijdens het nader gehoor ook heeft verklaard dat hij een gevoel van vrijheid ondervond toen hij ontdekte dat de fout in het geloof lag. Daarmee heeft eiser immers gesteld dat hij zijn homoseksuele geaardheid al had aanvaard.

16. Verweerder heeft in het licht van eisers verklaringen over zijn aanvaardings- en bewustwordingsproces ook eisers gestelde relatie met [naam vriend 1] terecht niet aannemelijk geacht. Naar aanleiding van wat eiser in beroep hierover heeft aangevoerd overweegt de rechtbank dat verweerder het terecht bevreemdend heeft geacht dat na de betrapping van eiser met [naam vriend 1] slechts zijn ouders op de hoogte waren van deze relatie terwijl zijn broer, die in hetzelfde huis woonde, en zijn oma niets doorhadden. Het negeren van eiser door zijn ouders gedurende anderhalve maand, de omstandigheid dat [naam vriend 1] bij eiser in huis kwam en dat eiser deze na de betrapping niet meer heeft gezien en het feit dat [naam vriend 1] bekend stond als homoseksueel moet volgens verweerder vragen hebben opgeroepen. Terecht heeft verweerder voorts er op gewezen dat eisers verklaring dat zijn ouders hem wel hadden vergeven maar niet vergeten, strijdig is met de verklaring van eiser dat zijn ouders hem na de betrapping niet meer in de gaten hielden als het om contacten met jongens ging.

17. Met betrekking tot de gestelde relatie met [naam vriend 2] geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat verweerder de verklaringen van eiser daarover terecht niet aannemelijk heeft geacht. Verweerder heeft toereikend gemotiveerd dat eiser aanmerkelijke risico’s heeft genomen voor ontdekking van deze relatie en dat zijn verklaringen, die als strekking hebben dat niemand daarvan mocht weten, niet stroken met zijn handelingen. Verweerder heeft daarbij ook terecht gewezen op het afspreken met [naam vriend 2] in het huis van diens ouders, hoewel deze ouders de omgang tussen beiden hadden verboden. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat eiser dit verbod zeer kort met [naam vriend 2] heeft besproken. Ook sprak eiser af met [naam vriend 2] op openbaar terrein, terwijl eiser heeft verklaard dat hun seksuele geaardheid wel een beetje zichtbaar was voor wat betreft uiterlijk en gedrag.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eiser wisselend verklaard heeft over wat er na de betrapping met [naam vriend 2] is gebeurd. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij na de betrapping naar het huis van zijn tante is vertrokken, omdat de familie van [naam vriend 2] onderweg was naar zijn huis en zijn vader contact met hem opnam om te vertellen dat hij eiser niet meer wilde zien. In het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij naar zijn huis is teruggekeerd omdat de familie van [naam vriend 2] op weg was naar het huis van zijn tante. De nadere verklaring van eiser dat hij naar een vriend is gegaan strookt niet met de verklaring van eiser dat zijn ouders zich bij zijn terugkeer naar huis jegens hem zich vervelend gedroegen en hem niet meer wilden zien. Terecht heeft verweerder geconcludeerd dat deze manier van verklaren afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers relaas.

19. In beroep heeft eiser gesteld dat het vooruitzicht van militaire dienst niet de reden was van zijn vertrek uit Iran. De stelling van eiser dat verweerder in het licht van dit vooruitzicht dient te onderzoeken of eiser vanwege zijn gestelde homoseksualiteit dan wel het feit dat hij aan religieuze verplichtingen zou moeten voldoen kan terugkeren naar Iran, heeft verweerder terecht niet gevolgd. Daartoe stelt de rechtbank vast dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het feit dat eiser in dienst zou moeten niet voldoende is om reëel risico op ernstige schade aanwezig te achten.

20. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn gestelde relatie in Nederland. Ook heeft verweerder toereikend gemotiveerd dat eiser summier heeft verklaard over zijn kennis van de positie van LHBT’s in Nederland. De verklaring van eiser hiervoor dat zijn verblijf in Nederland niet zeker is, heeft verweerder niet hoeven te volgen. Terecht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat iemand die in Nederland bescherming vraagt uit vrees te worden vervolgd voor zijn seksuele gerichtheid zich niet verdiept in de positie van LHBT’s in Nederland.

21. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom terecht afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

22. Het beroep is ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: