Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:16045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3043
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X BV geen voorziening mag vormen ter zake van de claim van een ex bestuurder van haar voormalig gevoegde dochtermaatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-03-2019
FutD 2019-0675
V-N Vandaag 2019/581
NLF 2019/0720 met annotatie van Warner Bruins Slot
V-N 2019/19.2.2
Belastingadvies 2019/11.3
NTFR 2019/1440 met annotatie van Mr. A.J.W. van Opzeeland
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/3043

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. J. van Leeuwaarden),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 de hierna in 5 vermelde aanslag vennootschapsbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2018 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 7 en 10 september 2018 nadere stukken en op 14 september 2018 een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2018.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Splunter en mr. M. Kaptein-de Bes.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 16 mei 2006 opgericht. Vanaf 22 december 2014 is [bestuurder] enig bestuurder van eiseres. Eiseres was tot 8 maart 2013 enig aandeelhouder van [B.V.] B.V. ( [B.V.] B.V.) en vormde samen met [B.V.] B.V. tot die datum voor de heffing van de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid.

2. [B.V.] B.V. heeft haar bestuurder (de ex-bestuurder) met ingang van 8 augustus 2011 ontslagen. Bij brief van 29 september 2011 heeft de ex-bestuurder protest aangetekend tegen het hem gegeven ontslag. Bij brief van 23 januari 2012 heeft de raadsman van de ex-bestuurder de nietigheid van het ontslag ingeroepen wegens strijd met het opzegverbod tijdens arbeidsongeschiktheid en is subsidiair aanspraak gemaakt op loondoorbetaling en een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

3.1

Op 7 februari 2012 heeft de ex-bestuurder [B.V.] B.V. gedagvaard. Daarbij eist de ex-bestuurder onder meer doorbetaling van zijn salaris van € 12.500 bruto per maand ingaande 8 augustus 2011 tot aan de datum van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Subsidiair eist de ex-bestuurder onder meer veroordeling van [B.V.] B.V. tot betaling van een vergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag van € 100.000.

3.2

In zijn conclusie van antwoord in reconventie van 9 oktober 2012 heeft de ex-bestuurder zijn eis gewijzigd. Daarbij eist hij onder meer [B.V.] . B.V. te veroordelen tot doorbetaling van zijn loon van € 12.500 bruto per maand ingaande 1 juli 2011 tot aan de datum van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Subsidiair eist de ex-bestuurder onder meer veroordeling van [B.V.] B.V. tot betaling van een vergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag van € 1.000.000.

4. Op 14 januari 2013 heeft eiseres de aandelen [B.V.] B.V. verkocht aan drie partijen (hierna te noemen: koper 1, 2 en 3) en op 8 maart 2013 heeft de aandelenoverdracht plaatsgevonden. Koper 1 heeft 85% van de aandelen verworven. De andere twee kopers hebben de overige 15% van de aandelen verworven. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“7.1 [Eiseres] vrijwaart Kopers met uitzondering van [koper 1] voor alle Schade die

het gevolg is van (de Vrijwaringen ):

(…)

(b) alle mogelijke (toekomstige) aanspraken, claims en kosten welke verband

houden met het geschil (…) tussen [ [B.V.] B.V.] en [de ex-bestuurder] in verband met de door hem aangespannen procedure inzake zijn door [ [B.V.] B.V.] beëindigde arbeidsrelatie; (…)”

5. Eiseres heeft voor het jaar 2013 aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 178.020. Bij het vaststellen van de aanslag is (na toepassing van een tweetal niet in geschil zijnde correcties) de belastbare winst en het belastbaar bedrag op € 339.020 vastgesteld.

6. Bij vonnis van 5 april 2017 heeft rechtbank Rotterdam geoordeeld dat sprake was van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen de ex-bestuurder en [B.V.] BV. In verband daarmee heeft de rechtbank aan de ex-bestuurder een vergoeding toegekend van € 64.016,14 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente. [B.V.] B.V. heeft dit bedrag aan de ex-bestuurder betaald. De ex-bestuurder is op 28 juni 2017 in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.

Geschil
7. In geschil is of eiseres in het jaar 2013 € 200.000 ten laste van haar fiscale winst kan brengen in verband met het (alsnog) vormen van een voorziening bij [B.V.] B.V. ter zake van de claim van de ex-bestuurder.

8. Eiseres stelt dat er op 31 december 2012 geen voorziening in verband met de door de ex-bestuurder bij [B.V.] B.V. ingediende claim op de balans van [B.V.] B.V. is opgenomen, terwijl dit wel mogelijk was. Dit dient op de balans van [B.V.] B.V. per 1 januari 2013 te worden gecorrigeerd door daarvoor alsnog een voorziening te vormen. Omdat eiseres en

[B.V.] B.V. op dat moment nog een fiscale eenheid vormden, komt het vormen van die voorziening ten laste van het resultaat van eiseres. Eiseres heeft het bedrag van de te vormen voorziening bepaald op € 200.000, gelet op wat de ex-bestuurder in hoger beroep heeft geëist en de geschatte advocaatkosten. Eiseres verzoekt de aanslag te verminderen tot een belastbaar bedrag van € 139.020.

9. Verweerder stelt dat het nemen van een last bij eiseres door het vormen van een voorziening in het jaar 2013 in verband met de claim niet mogelijk is. Vanwege het feit dat de dienstbetrekking bestond tussen de ex-bestuurder en [B.V.] B.V. (en niet eiseres) en het feit dat het [B.V.] B.V. is die is gedagvaard door de ex-bestuurder voor de betaling van het loon en de schadevergoeding, valt volgens verweerder niet in te zien dat de hieruit voortvloeiende kosten bij eiseres opkomen. Ook is niet duidelijk of eiseres, vanwege de vrijwaring, kan worden aangesproken voor de betaling van de kosten die voortvloeien uit de tegen [B.V.] B.V. aangespannen procedure. Van een doorbelasting van kosten aan eiseres is niet gebleken en voor zover eiseres de kosten van deze procedure draagt, kan zij deze volledig verhalen op koper 1. Voor zover er kosten in verband met de vrijwaring voor rekening van eiseres komen, vallen deze onder de deelnemingsvrijstelling.

Beoordeling van het geschil

10. Het staat vast dat [B.V.] B.V. geen voorziening ter zake van de onderhavige claim heeft gevormd. De claim van de ex-bestuurder rust op [B.V.] B.V. en heeft in het jaar 2017 ook geleid tot een betaling door [B.V.] B.V. aan de ex-bestuurder. [B.V.] B.V. is per 8 maart 2013 ontvoegd uit de fiscale eenheid. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het voor eiseres niet mogelijk om in het jaar 2013 een bedrag ten laste van haar fiscale winst te brengen in verband met het (alsnog) vormen van een voorziening ter zake van de claim van de ex-bestuurder. Het is evenmin mogelijk om op grond van de zogenoemde foutenleer alsnog een last bij eiseres in het jaar 2013 in aanmerking te nemen door middel van een correctie op de beginbalans van [B.V.] B.V. Voor een succesvol beroep op de foutenleer dient er sprake te zijn van een fout in de eindbalans van het laatst vastgestelde jaar. De foutenleer strekt ertoe om te voorkomen dat, ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een stuk bedrijfswinst - in strijd met het in artikel 3.8 Wet IB 2001 neergelegde beginsel dat de winst alle voordelen omvat die uit onderneming worden verkregen - onbelast blijft hetzij dubbel belast wordt (HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR6326). Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake en is er geen (bepaaldelijke) fout in de zin van de foutenleer. [B.V.] B.V. was immers op grond van goed koopmansgebruik niet verplicht tot het opnemen van een voorziening ter zake van de claim in haar eindbalans 2012.

11. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat zij, gelet op de vrijwaringsbepaling in het koopcontract kosten ten laste van haar winst zou kunnen brengen, heeft zij dit niet nader met feiten onderbouwd.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. E.E. Schotte en

mr. S.E. Postema, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.