Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
09/842477-16 en 09/767174-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten waarbij ook meermalen geweld is gebruikt. De rechtbank veroordeelt verdachte voor mishandeling en vernieling in vereniging gepleegd, mishandeling van zijn levensgezel en vernieling, mishandeling en bedreiging en het voorhanden hebben van een omgebouwd pistool, een geluidsdemper en een honkbalknuppel. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, waaronder behandeling. De rechtbank beveelt daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842477-16 (dagvaarding I) en 09/767174-17 (dagvaarding II).

Datum uitspraak: 15 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaken van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 oktober 2017 (pro forma) en 1 februari 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. H.L. Heemskerk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten aanzien van dagvaarding I ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1]

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven,

- door met een honkbalknuppel met kracht tegen haar keel aan te duwen en/of

- door met die honkbalknuppel meermalen, althans eenmaal, tegen haar gezicht

en/of voorhoofd, althans hoofd te slaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of/subsidiair

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen,

- met een honkbalknuppel met kracht tegen haar keel aan heeft/hebben geduwd

en/of

- met die honkbalknuppel meermalen, althans eenmaal, tegen haar gezicht en/of

voorhoofd, althans hoofd en/of haar pols en/of hand/vingers heeft/hebben

geslagen,

- tegen haar be(e)n(en) heeft/hebben geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of/meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

al dan niet met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- met een honkbalknuppel met kracht tegen haar keel aan te duwen en/of

- met die honkbalknuppel meermalen, althans eenmaal, tegen haar gezicht en/of

voorhoofd, althans hoofd en/of haar pols en/of hand/vingers te slaan en/of

- die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen

en/of te duwen;

2.

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (twee ruiten

van) een voordeur (van de woning aan de [straat] ), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningbouwvereniging [benadeelde]

en/of [naam benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt

door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk tegen (die ruit(en) van) die

voordeur aan te schoppen/trappen en/of met een honkbalknuppel tegen (die

ruit(en) van) die voordeur aan te slaan;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 25 juli 2016 te

Leiden een of meer wapens van categorie III, te weten een omgebouwd

alarmpistool (scherpschietend, Bruni), voorhanden heeft gehad en/of in bezit

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden, een wapen(s), van categorie I,

onder 3° (te weten een geluiddemper), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Leiden, een wapen van categorie IV heeft

gedragen, te weten een honkbalknuppel, in elk geval een voorwerp, waarvan,

gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd

aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander

doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en

dat niet onder een van de andere categorieën viel;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daarin in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Daarnaast is aan verdachte ten aanzien van dagvaarding II ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Leiden

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en (met kracht) een gebroken bierflesje

en/of een stuk glas in diens zij en/of rug althans diens lichaam heeft

gestoken en/of heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Leiden

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] vast te pakken en (met

kracht) een gebroken bierflesje en/of een stuk glas in diens zij en/of rug

althans diens lichaam te steken en/of te duwen;

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Leiden

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door voornoemde [slachtoffer 2] vast te pakken en een gebroken bierflesje en/of een

stuk glas bij diens keel te houden;

3.

hij op of omstreeks 09 augustus 2017 te Leiden

zijn levensgezel, [slachtoffer 3] ,

heeft mishandeld door

- haar meermalen, althans eenmaal, met een ploertendoder en/of een stok tegen

haar been te slaan en/of

- haar tegen de grond te gooien en/of

- een kopstoot te geven en/of

- haar keel dicht te knijpen en/of

- haar meermalen, althans eenmaal, te schoppen en/of trappen en/of slaan en/of

stompen;

4.

hij op of omstreeks 09 augustus 2017 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk

een jasje en/of kleding en/of een tas en/of een gsm, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk aan die

jas en/of die kleding en/of die tas te trekken en/of door die gsm door de

midden te breken.

3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de zaken onder parketnummer 09/842477-16, nu er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding. De verdediging heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat er door de verbalisanten bij de aanhouding van verdachte disproportioneel geweld is gebruikt, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) oplevert. Er is hierdoor immers sprake van een ernstige grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, welke schending heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, nu van onrechtmatig handelen of een vormverzuim geen sprake is geweest. De officier van justitie heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in onderhavige zaak met betrekking tot de artikel 12 Sv procedure.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de hoofdofficier van justitie op 25 juli 2016 toestemming heeft verleend om verdachte buiten heterdaad aan te laten houden door een arrestatieteam in verband de verdenking van illegaal vuurwapenbezit en zware mishandeling. In afwachting van het arrestatie- en observatieteam hebben twee verbalisanten in burgerkleding postgevat bij de flat aan de [adres] te Leiden om zicht te houden op verdachte. Aldaar zagen de verbalisanten omstreeks 19:56 uur dat verdachte zijn woning verliet en in de richting van het trappenhuis liep. Zij hebben zich hierop naar de toegangshal van de flat begeven om verdachte aan te houden. Toen zij naar de toegangshal toeliepen zagen zij daar verdachte en [slachtoffer 1] en hebben zij naar verdachte geroepen dat zij van de politie waren. Vervolgens zagen zij dat verdachte met een boze blik hun richting op kwam rennen. Omdat zij verwachtten dat verdachte een vuurwapen bij zich kon hebben en verdachte niet luisterde naar hun bevelen hebben zij meermalen op verdachte geschoten waarbij verdachte in zijn borst en rechterbeen werd geraakt. Toen verdachte viel en kruipend over de grond verder ging hebben zij nogmaals op verdachte geschoten. Vervolgens is verdachte aangehouden.

Blijkens artikel 359a Sv kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard indien er een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden bij het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken. De vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan echter slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde zijn, namelijk indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden geen sprake is van ‘gepast geweld’ door de verbalisanten, maar dat sprake is van buitensporig geweld bij de aanhouding van verdachte. In het bijzonder kan de rechtbank geen rechtvaardiging zien voor het nogmaals schieten op de verdachte nadat verdachte al geraakt was in zijn borst en rechterbeen en hij op de grond lag. Het enkele gebruik van buitensporig geweld doet naar het oordeel van de rechtbank echter geen zodanige afbreuk aan verdachtes recht op een eerlijk proces, dat daaraan de conclusie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten worden verbonden. De rechtbank ziet wel, zoals uit het navolgende blijkt, aanleiding om de op te leggen straf te matigen.

Derhalve acht rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Verdachte wordt ten aanzien van dagvaarding I verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling, allen in vereniging gepleegd en met voorbedachte rade (feit 1), vernieling in vereniging gepleegd (feit 2), het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool (feit 3), het voorhanden hebben van een geluidsdemper (feit 4) en tenslotte het dragen van een honkbalknuppel (feit 5).

Ten aanzien van dagvaarding II wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling (feit 1), bedreiging (feit 2), mishandeling van zijn levensgezel (feit 3) en vernieling (feit 4).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van dagvaarding I wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling in vereniging gepleegd en met voorbedachte rade (feit 1 subsidiair). Zij heeft daartoe overwogen dat verdachte, door het met kracht slaan met de honkbalknuppel op het gezicht van het slachtoffer en het drukken van de honkbalknuppel tegen de keel van het slachtoffer, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zodat in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarnaast is er sprake van voorbedachte rade omdat verdachte door samen met [slachtoffer 1] het plan op te vatten om het slachtoffer een lesje te leren en vervolgens naar de woning van het slachtoffer te rijden en een honkbalknuppel mee te nemen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden over hun gezamenlijke voornemen alvorens zij daar samen naar binnen zijn gegaan waarna zij zich schuldig hebben gemaakt aan de geweldshandelingen.

Daarnaast kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling in vereniging gepleegd (feit 2), het voorhanden hebben van een alarmpistool en geluidsdemper (feit 3 en 4) en het dragen van een honkbalknuppel (feit 5).

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling (feit 1 primair). Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte door het met kracht duwen/steken van een gebroken bierflesje in de zij van het slachtoffer de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zodat in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarnaast kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging (feit 2), mishandeling van zijn levensgezel met dien verstande dat alleen bewezen kan worden dat verdachte haar keel heeft dichtgeknepen en haar meermalen heeft geslagen en geschopt zodat verdachte ten aanzien van de overige handelingen moet worden vrijgesproken (feit 3) Tenslotte kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling (feit 4).

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 primair en subsidiair en met betrekking tot het meer subsidiair tenlastegelegde het onderdeel ‘voorbedachte rade’. Daartoe is aangevoerd dat, gezien het geconstateerde letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het feit dat haar verklaring dat zij met een honkbalknuppel is geslagen niet door overig bewijs wordt ondersteund, niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Aldus kan ook niet gezegd worden dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Voor voorbedachte rade ontbreekt ten slotte in het dossier simpelweg het bewijs.

Met betrekking tot de overige feiten op deze dagvaarding heeft de verdediging zich gerefereerd.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 1 primair heeft de verdediging ook vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de geweldshandelingen jegens [slachtoffer 2] (feit 1) kan, gelet op het letsel wat [slachtoffer 2] heeft verklaard te hebben opgelopen, niet gezegd worden dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 3] onbetrouwbaar is waardoor haar verklaring niet voldoende is voor een veroordeling. Immers wordt haar verklaring op geen enkele manier ondersteund door het dossier, komt de omschrijving van het toegepaste geweld niet overeen met het geconstateerde letsel, zijn er geen getuigen en is de door [slachtoffer 3] genoemde ploertendoder niet in de woning van verdachte aangetroffen.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I. 1

Ten aanzien van feit 1: poging tot doodslag (primair).

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu de raadsman en de officier van justitie zich beiden op het standpunt hebben gesteld dat vrijspraak dient te volgen, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.

Ten aanzien van feit 1: poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling (subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde).

Aangifte

Op 25 juli en 26 juli 2016 heeft [slachtoffer 1] bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling. Zij heeft hierover het volgende verklaard. Op 25 juli 2016 om 10:50 uur werd er bij haar aangebeld. Zij hoorde de stem van haar zusje [naam zus] die aan het schelden was dat zij de deur open moest doen. Zij zag vervolgens dat er bij haar zusje een voor haar onbekende man stond die een honkbalknuppel in zijn hand had. Toen zij naar beneden liep en halverwege de trap was zag zij dat [naam zus] de onderste ruit van haar voordeur intrapte. Zij hoorde daarop een harde klap en zag dat er allemaal glas op de grond viel. Vervolgens zag zij dat de man het bovenste raam van de voordeur kapot sloeg. Wederom hoorde zij een harde klap en zag zij de knuppel door het glas heen komen. De man stak zijn arm door het ingeslagen raam en opende de voordeur. De man en [naam zus] kwamen vervolgens haar woning in en liepen de trap op waarop de man direct de honkbalknuppel tegen haar keel drukte. Zij voelde hierdoor pijn in haar keel en kon geen adem halen. Tegelijkertijd schopte [naam zus] haar tegen haar benen waardoor zij een stekende pijn voelde. Zij hoorde de man en [naam zus] vervolgens tegen haar zeggen: “Pas maar op meisje”. Daarop voelde zij na enkele seconden dat de kracht van de honkbalknuppel af ging en dat zij weer adem kon halen. Daarna haalde de man de knuppel echter naar achteren en zwaaide deze met kracht tegen haar gezicht aan waardoor zij een hevige pijnscheut in haar lip voelde. Vervolgens sloeg de man haar nog een keer met de honkbalknuppel tegen haar voorhoofd en tegen haar pols.2 Bij [slachtoffer 1] is vervolgens een botbreuk in het topje van de middelvinger rechts, een bloeduitstorting in het gelaat ter hoogte van de linker wenkbrauw, een diagonaal verlopende roodheid van de huid bij de linkerwang, enkele kleine ontvellingen en een forse bloeduitstorting aan de handpalmzijde geconstateerd.3

Getuige

Op 25 juli 2016 is [getuige] door de politie als getuige gehoord. Zij heeft onder meer verklaard dat zij heeft gezien dat [verdachte] de honkbalknuppel op de keel van [slachtoffer 1] zette. Ondertussen probeerde zij [naam zus] tegen te houden, maar dat [naam zus] ook naar binnen ging en [naam zus] en [verdachte] [slachtoffer 1] vervolgens beiden hebben geslagen en geschopt.4

Verdachte

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij, nadat hij de ruit van de voordeur had ingeslagen en met zijn hand de klik van de voordeur had geopend, [slachtoffer 1] op ooghoogte zag verschijnen. Daarop heeft hij haar een duw gegeven zodat zij achterover op de trap viel. Vervolgens heeft hij de honkbalknuppel op haar borst gezet en gezegd zij haar zus niets meer moest aandoen. Hij duwde haar omdat hij haar op de trap wilde houden en zij omhoog probeerde te komen. Vervolgens hield hij de knuppel tussen haar kin en borst in. Hij heeft de hele knuppel in de lengte hiervoor gebruikt. Hij heeft de knuppel overdwars tussen haar kin en borst in gehouden.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [naam zus] die dag bij haar zus zijn langsgegaan om haar zus te intimideren. Hij heeft daar het bovenste raam van de voordeur met de honkbalknuppel kapot geslagen. Vervolgens heeft hij zijn hand door het raam gedaan om de voordeur te open te maken. Na dat moment is hij zijn evenwicht verloren en schuin naar voren gevallen, de woning in. Hierbij is hij op [slachtoffer 1] gevallen, die net de trap af kwam lopen, terwijl hij de honkbalknuppel in zijn ene hand zat. Vervolgens heeft hij de honkbalknuppel krachtig tegen de keel van [slachtoffer 1] , tussen haar kin en borst, aangedrukt omdat hij van haar af wilde komen.6

Overwegingen

Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte een honkbalknuppel met kracht op de keel van aangeefster heeft gezet en dat hij en [naam zus] aangeefster daarnaast hebben geschopt, getrapt, geslagen en gestompt. Dat verdachte aangeefster ook daadwerkelijk met de honkbalknuppel heeft geslagen acht de rechtbank op grond van het dossier, nu slechts aangeefster daarover heeft verklaard en gelet op het bij haar geconstateerde letsel, niet aannemelijk.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of voornoemd handelen van verdachte en [naam zus] moet worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling of een mishandeling en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door een honkbalknuppel tegen de keel, tussen de kin en borst, van aangeefster te duwen, niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, zodat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de rechtbank echter wel bewezen dat verdachte en [naam zus] samen [slachtoffer 1] hebben mishandeld.

Voorbedachte rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachten het tenlastegelegde hebben begaan met voorbedachten rade. Verdachte en [naam zus] zijn weliswaar samen naar de woning van aangeefster gegaan, naar eigen zeggen om haar te intimideren, maar dat er sprake was van een vooropgezet plan om aangeefster ook daadwerkelijk te mishandelen is op grond van het dossier niet gebleken. Derhalve zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel uit de tenlastelegging vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 25 juli 2016 tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] door een honkbalknuppel met kracht tegen haar keel aan te duwen en haar te schoppen, trappen, slaan en stompen.

Ten aanzien van feit 2.

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich op 25 juli 2016 schuldig heeft gemaakt aan vernieling in vereniging gepleegd, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde] namens [benadeelde] , blz. 90.

Ten aanzien van feit 3.

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool in de periode 1 januari 2011 tot en met 25 juli 2016, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 75.

  • -

    het proces-verbaal van het team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , blz. 160 en 161.

Ten aanzien van feit 4.

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich op 25 juli 2016 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een geluiddemper, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 75.

  • -

    het proces-verbaal van het team Forensische Opsporing Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , blz. 162, 163

Ten aanzien van feit 5.

Aangezien verdachte heeft bekend dat hij zich op 25 juli 2016 schuldig heeft gemaakt aan het dragen van een honkbalknuppel, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 264.

Dagvaarding II.

Ten aanzien van feit 1 en 2. 7

Melding

Op 7 juni 2017 heeft de politie een melding binnengekregen op het Facebook account van de Politie Leiden Midden met daarin een link naar een YouTube-video. Op de betreffende video was een conflict zichtbaar. Bij dit conflict waren twee mannen betrokken, die zij herkenden als [slachtoffer 2] en verdachte. Op enig moment is zichtbaar dat verdachte een bierflesje kapot slaat waarvan hij de hals in zijn hand houdt. Daarna pakt verdachte de nek van [slachtoffer 2] vast en drukt de kapot geslagen bierfles tegen zijn keel aan. Nadat [slachtoffer 2] is weggelopen en verdachte hier achteraan loopt, lijkt het erop of verdachte zijn rechterarm naar beneden beweegt en de kapot geslagen fles met kracht in de rechterzijde van [slachtoffer 2] steekt en er na een aantal seconden weer uittrekt.8

Bevindingen

[slachtoffer 2] is vervolgens door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat verdachte op enig moment compleet door het lint was gegaan en een bierflesje tegen zijn nek aan had gezet. Hij is daarop weggelopen maar toen kwam verdachte achter hem aan. Verdachte pakte toen zijn hond bij zijn halsband en tilde hem op. Hij probeerde zijn hond los te krijgen en weg te komen en voelde toen een pijnlijke steek in zijn rechterzij. Toen hij thuis kwam voelde hij pijn in zijn rechterzij. In de dag daarna is op die plek een beurse plek ontstaan.9

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en hem bedreigd heeft met het kapotte bierflesje door deze dicht bij zijn nek te houden. Op enig moment heeft hij [slachtoffer 2] ook een duw in zijn zij gegeven terwijl hij het kapotte flesje in zijn hand had. Dit heeft hij gedaan met de hals van het kapotte bierflesje, de niet scherpe kant.10

Overwegingen

Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en een gebroken bierflesje bij zijn keel heeft gehouden. Vervolgens heeft verdachte met kracht met een gebroken bierflesje in de rechterzij van [slachtoffer 2] geduwd. Verdachte verklaart dat hij dit heeft gedaan met de hals van het kapotte bierflesje en niet met de scherpe kant. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , dat hij ten gevolge hiervan weliswaar een beurse plek heeft overgehouden, maar dat hij geen steekletsel heeft opgelopen. Daarnaast is niet gebleken dat het shirt van [slachtoffer 2] ten gevolge van deze handeling op enige manier is beschadigd.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling of een mishandeling en overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door onder voornoemde omstandigheden, te weten met de hals van een kapot bierflesje en niet de scherpe kant, in de zij van aangever te duwen, niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat hem zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, zodat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.

Met betrekking tot de bedreiging is de rechtbank van oordeel dat deze van dien aard was en heeft plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat deze een daadwerkelijke vrees kon opwekken bij [slachtoffer 2] dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 22 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] door hem vast te pakken en met kracht een gebroken bierflesje in zijn zij te duwen. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] op 22 mei 2017 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem vast te pakken en een gebroken bierflesje bij zijn keel te houden.

Ten aanzien van feit 3 en 4. 11

Aangifte

Op 9 augustus 2017 heeft [slachtoffer 3] zich op het politiebureau gemeld. Zij was op dat moment erg emotioneel en verklaarde dat zij was mishandeld door haar vriend, zijnde verdachte. De avond daarvoor hadden zij en verdachte ruzie gekregen. Zij heeft verdachte toen gezegd dat het beter was om te stoppen met hun relatie. Zij is vervolgens naar huis gegaan en is de volgende ochtend, op 9 augustus 2017, weer teruggegaan naar het huis van verdachte om haar spullen te halen. Op het moment dat zij op de galerij stond trok verdachte haar naar binnen en draaide de voordeur op slot. Verdachte schreeuwde tegen haar en liep naar de slaapkamer waar hij een stok pakte dat uit een metalen ding kwam. Verdachte heeft haar vervolgens op haar linkerbeen geslagen. Daarna scheurde hij met zijn handen haar leren jack en hemd uit elkaar. Daarbij heeft verdachte ook haar tas, die aan haar schouder hing, van haar lichaam afgetrokken. Hij heeft hier zo vaak aan getrokken dat de tas kapot ging. Tevens heeft verdachte haar bh kapot getrokken. Toen zij vervolgens half naakt was heeft hij haar op de grond gegooid. Op het moment dat zij weer opstond smeet verdachte haar alle kanten op in de kamer. Ook heeft verdachte met één hand haar keel dichtgeknepen. Daarnaast heeft verdachte haar ook klappen gegeven op haar kaak. Dit deed verdachte met zijn vlakke hand en zijn vuist en dit is ongeveer drie keer gebeurd. Op enig moment heeft verdachte ook haar telefoon door midden gebroken. Zij is op een gegeven moment halfnaakt naar buiten gerend en heeft toen overal aangebeld. Iemand heeft haar uiteindelijk geholpen. Zij heeft van die persoon een shirt gekregen en is naar het politiebureau gebracht.12

De verbalisant die [slachtoffer 3] gehoord heeft, heeft tijdens dit verhoor geconstateerd dat er een rode plek op haar schouder en licht rode striemen en een rode plek in haar nek zichtbaar was.13

Bevindingen

Door de politie zijn de camerabeelden van het portiek op de begane grond, van de lift en van de voor in- en uitgang, bekeken. Op de camerabeelden is te zien dat er op 9 augustus 2017 omstreeks 10:24 uur een dame op de begane grond de lift in stapt. Dit blijkt [slachtoffer 3] te zijn die gekleed is in een grijs hemd en grijs/groen jasje. Diezelfde dag omstreeks 11:06 uur verlaat [slachtoffer 3] de lift op de begane grond. Zij is dan gekleed in een zwart shirtje en strompelt voorovergebogen richting de uitgang van de flat. Vervolgens verlaat zij de flat en stapt zij in een kleine zwarte auto.14

Op 16 augustus 2017 heeft de politie de persoon die aangeefster na het voorval geholpen heeft, wiens naam en gegevens onbekend wenste te blijven, telefonisch gesproken. Deze getuige heeft verklaard op 9 augustus 2017 in een woning aan de [adres] op kraambezoek te zijn geweest toen er op enig moment werd aangebeld. Via de intercom had degene die daar woonde een vrouwenstem gehoord die paniekerig schreeuwde dat zij half naakt was. Daarop is de tussendeur op de galerij geopend. Zij zagen vervolgens een jonge vrouw, die in paniek was, hun richting oprennen. Zij hebben de vrouw vervolgens binnengelaten in de hal van de woning. De vrouw riep: “Hij heeft mijn kleren van mijn lijf gerukt”. Zij hebben daarop een zwart shirt gepakt en deze aan de vrouw gegeven. De vrouw stond te klappertanden, te huilen, haar haren waren helemaal nat, in haar nek en op haar borstkast zaten striemen en op haar armen zaten plekken alsof zij geslagen was. Vervolgens heeft deze persoon de vrouw naar het politiebureau gebracht.15

De politie heeft op 12 augustus 2017 van de moeder van verdachte een bigshopper en een rugzak van [slachtoffer 3] overhandigd gekregen. Daarop heeft de politie contact opgenomen met aangeefster om haar te vragen of zij in de betreffende tassen mochten kijken en om te vragen welke kleding zij precies had gedragen ten tijde van de mishandeling. Aangeefster heeft daarop aangegeven dat dat geen enkel probleem was en dat zij een groen shirt droeg, een groen leren jack, een huidkleurige bh met daaroverheen zwart kant, dat haar tas een bruine schoudertas betrof met een lang hengsel en dat haar telefoon een zwarte Sony was. De politie heeft daarop in voornoemde tassen gekeken en hebben in de rugzak en de bigshopper een bruine schoudertas met een kapot hengsel aangetroffen, een Sony gsm waarvan het gehele scherm versplinterd was en een cup van een huidkleurige bh met zwart kant daaroverheen.16

Overwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 9 augustus 2017 heeft [slachtoffer 3] zich in zeer emotionele toestand bij de politie gemeld. Zij verklaarde dat zij was mishandeld door verdachte. De verbalisant die aangeefster op dat moment gehoord heeft, heeft bij haar een rode plek op haar schouder en rode striemen en een rode plek in haar nek waargenomen. Daarnaast is uit de camerabeelden van de flat gebleken dat aangeefster om 10:24 uur met een grijs hemd en jasje eroverheen bij de flat is aangekomen en dat zij de flat om 11:06 uur heeft verlaten terwijl zij op dat moment gekleed was in een zwart shirtje en voorovergebogen richting de uitgang strompelt. Daar komt bij dat de persoon die aangeefster kort na het incident heeft gesproken en haar naar het politiebureau heeft gebracht, heeft verklaard dat de vrouw die bij hun aanbelde half naakt en erg paniekerig was, striemen had in haar nek en op haar borstkast en plekken op haar armen had alsof zij was geslagen. Voorts heeft deze persoon ook bevestigd dat zij de vrouw een zwart shirtje hebben gegeven. Tenslotte is er door de politie een kapotte tas, een kapotte telefoon en een deel van een bh aangetroffen in de bigshopper en rugzak van aangeefster, die door de moeder van verdachte aan de politie zijn overhandigd.

Gezien voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat er niets in de woning is gebeurd, ongeloofwaardig. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar, te meer nu deze aangifte op essentiële onderdelen steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Op grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft mishandeld en dat hij hierbij verschillende goederen van haar heeft vernield. Gelet op het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 3] in samenhang gezien met het feit dat er in de woning van verdachte geen ploertendoder is aangetroffen, heeft de rechtbank echter niet de overtuiging dat verdachte [slachtoffer 3] ook daadwerkelijk met een ploertendoder heeft geslagen en een kopstoot heeft gegeven, zodat de rechtbank verdachte van deze onderdelen uit de tenlastelegging zal vrijspreken.

Conclusie

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] op 9 augustus 2017 heeft mishandeld door haar keel dicht te knijpen, haar tegen de grond te gooien en haar te schoppen, trappen, slaan en stompen. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 9 augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de kleding, de tas en de gsm van [slachtoffer 3] .

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I:

1.

hij op 25 juli 2016 te Leiden, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] heeft

mishandeld door

- met een honkbalknuppel met kracht tegen haar keel aan te duwen en

- die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen;

2.

hij op 25 juli 2016 te Leiden tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en

wederrechtelijk (twee ruiten van) een voordeur (van de woning aan de [straat] ),

toebehorende aan woningbouwvereniging [benadeelde] en/of [naam benadeelde] , heeft vernield door

toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk tegen (die ruiten van) die voordeur aan te schoppen/trappen en/of met een honkbalknuppel tegen (die ruiten van) die voordeur aan te slaan;

3.

hij in de periode van 01 januari 2011 tot en met 25 juli 2016 te Leiden een wapen van categorie

III, te weten een omgebouwd alarmpistool (scherpschietend, Bruni), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 25 juli 2016 te Leiden, een wapen, van categorie I, onder 3° (te weten een geluiddemper), voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 25 juli 2016 te Leiden, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een honkbalknuppel, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd

aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd

dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

Ten aanzien van dagvaarding II::

1.

hij op 22 mei 2017 te Leiden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] vast te

pakken en (met kracht) een gebroken bierflesje in diens zij te duwen;

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Leiden [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 2] vast te pakken en een gebroken bierflesje

bij diens keel te houden;

3.

hij op 09 augustus 2017 te Leiden zijn levensgezel, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door

- haar tegen de grond te gooien en

- haar keel dicht te knijpen en

- haar te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen;

4.

hij op 09 augustus 2017 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk kleding en een tas en

een gsm, toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft vernield en/of beschadigd door toen en

daar opzettelijk en wederrechtelijk aan die kleding en/of die tas te trekken en/of door

die gsm te breken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorbracht waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om de voorwaarden die aan het voorwaardelijk strafgedeelte worden verbonden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een straf aan verdachte een straf op te leggen met een groot voorwaardelijk strafgedeelte zodat verdachte niet meer vast hoeft te zitten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten waarbij hij ook meermalen het gebruik van geweld niet heeft geschuwd.

Zo heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] . Door de voordeur van de woning van het slachtoffer te vernielen hebben zij zich de toegang tot die woning verschaft. Vervolgens hebben zij haar in haar eigen woning mishandeld, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zich daarbij op een zeer impulsieve wijze gemengd in een conflict waar hij niets mee te maken had en waar hij buiten had moeten blijven.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en bedreiging op een terras van een snackbar. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] beetgepakt en een kapot geslagen bierflesje bij de keel van het slachtoffer gehouden. Doordat dit op een terras gebeurde, was dit voor iedereen zichtbaar. Vervolgens heeft verdachte met de hals van het kapot geslagen bierflesje in de zij van het slachtoffer geduwd. Dit hele voorval is gefilmd en op het internet geplaatst. Verdachte is hierop herkend waarna de politie is getipt.

Tevens heeft verdachte zijn levensgezel mishandeld en heeft hij hierbij verschillende goederen van haar vernield, waaronder haar kleding zodat zij halfnaakt de woning van verdachte heeft moeten verlaten.

Dergelijk gedrag is absoluut onaanvaardbaar. Problemen en meningsverschillen worden zo niet opgelost. Een mishandeling kan bij het slachtoffer, maar ook bij de omstanders gevoelens van onveiligheid veroorzaken. Dit geldt ook voor diegenen die het filmpje van de bedreiging en mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 2] hebben gezien. Door dit gedrag is grote onrust ontstaan in de omgeving van verdachte. Met dit handelen heeft verdachte ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Met het plegen van de vernielingen heeft verdachte voorts geen enkel respect getoond voor andermans eigendom.

Tenslotte heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd pistool, een geluiddemper en een honkbalknuppel. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens vormt een ernstige bedreiging voor de rechtsorde. Gelet op het gevaar voor criminele incidenten en ernstige ongelukken heeft de wetgever hoge straffen gesteld op het voorhanden hebben van illegale wapens.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 4 januari 2018. Daaruit is gebleken dat verdachte de afgelopen vijf jaren meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Verdachte is laatstelijk veroordeeld op 5 oktober 2016 wegens een mishandeling. Daarnaast is verdachte op 22 maart 2016 veroordeeld wegens huiselijk geweld en bedreiging. Verdachte heeft hiervoor een taakstraf opgelegd gekregen, welke verdachte inmiddels ook heeft uitgevoerd. De rechtbank zal dan ook rekening houden met het bepaalde in artikel 22b en 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). Gezien het strafblad van verdachte moet er gelet op het voorgaande rekening mee worden gehouden dat het gevaar voor recidive sterk aanwezig is.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 17 januari 2018 en het emailbericht van [deskundige] d.d. 1 februari 2018. Door de reclassering wordt geadviseerd om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, een alcohol- en drugsverbod, een gedragsinterventie en een eventuele opname in een zorginstelling voor de duur van maximaal 12 maanden. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia rapport d.d. 24 september 2017, opgesteld door [naam GZ-psycholoog] GZ-psycholoog. Uit dit rapport is gebleken dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de zin van borderline-, antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken waarbij mogelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De kans op recidive wordt met behulp van de gestandaardiseerde risicotaxatie als hoog ingeschat. De kans op herhaling kan worden teruggedrongen door abstinentie van middelen, in samenhang met behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek gericht op het verkrijgen van inzicht, het beter leren inschatten van risicovolle situaties en het versterken van de coping, hetgeen binnen het juridisch kader van de bijzondere voorwaarden of van de terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden gerealiseerd. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij de gesprekken bij de reclassering als zeer prettig en behulpzaam ervaart. Verdachte heeft zich echter terughoudend opgesteld ten opzichte van een opname in een intramurale- of forensische instelling voor de duur van maximaal 12 maanden.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de feiten heeft gepleegd in een voor hem zeer zwarte periode in zijn leven. Dat hij thans tracht zijn leven op orde te krijgen en reeds geruime tijd is afgekickt van verdovende middelen.

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Gelet op het vorengaande, alsmede gelet op het feit dat verdachte onderhavige feiten in een zeer korte tijdspanne heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf waarvan een groot deel voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, een passende reactie vormt. Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf zal er mede toedienen verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke of andere strafbare feiten. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van die straf strafvermindering toepassen gelet op het feit dat er bij de aanhouding van verdachte door de verbalisanten buitensporig geweld is gebruikt.

Alles overwogen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafgedeelte de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd. Dit geldt ook voor de eventuele opname in een intramurale- of forensische instelling voor de duur van maximaal 12 maanden.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de toedracht van de geweldsdelicten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het onder dagvaarding I, feit 5 bewezenverklaarde betreft een overtreding. De rechtbank moet daarvoor een aparte straf opleggen. Nu het zwaartepunt vooral is gelegen in de bewezenverklaarde misdrijven, zal de rechtbank voor deze overtreding geen straf of maatregel opleggen als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van dagvaarding I als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.453,67-, inhoudende een bedrag van € 453,67 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000 aan immateriële schade.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.453,67, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich echter op het standpunt gesteld dat de aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met onderhavige casus en dat er voor de vergoeding van psychische schade tevens sprake moet zijn van een vastgesteld ziektebeeld, hetgeen hier ontbreekt.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade groot € 453,67, is namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 500,- toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 953,67.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 25 juli 2016 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 953,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp de onder dagvaarding I, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9 a, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22b, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 62, 63, 285, 300, 304, 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09/842477-16 onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/842477-16 onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

medeplegen van mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk en wederechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding II met parketnummer 09/767174-17 onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding II met parketnummer 09/767174-17 onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk en wederechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte ten aanzien van dagvaarding I, feit 1, meer subsidiair, feit 2, 3 en 4 en dagvaarding II, feit 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, Witte Singel 8 te Leiden, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een Forensische Polikliniek of een Polikliniek van de GGZ, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychiatrische problematiek en middelengebruik, waarbij een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek tot de mogelijkheden behoort indien dit door de reclassering noodzakelijk wordt geacht;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie, bestaande uit een leefstijltraining 24/7 die bestaat uit drie modules van ieder vijf bijeenkomsten van twee uur, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens deze instelling aan hem worden gegeven;

- zich indien de reclassering dit noodzakelijk acht laat diagnosticeren en behandelen in een intramurale inrichting, gedurende de termijn van maximaal 12 maanden of zoveel korter als de leiding van die instelling in overleg met de reclassering nodig acht, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de die instelling en/of reclassering worden gegeven;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 5:

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 953,67, bestaande uit een bedrag van € 453,67 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 953,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1.00STK Pistool: zwart

BBM 315 AUTO

Vuurwapen met houder en zilverkleurige demper.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.W.E. de Ruiter, voorzitter,

mr. J. Holleman, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016208502, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, districtsrecherche Leiden - Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 276, met bijlagen).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , blz. 25 en 26.

3 Geschrift, te weten een letselbeschrijving opgemaakt door [naam arts] , forensisch arts KNMG d.d. 13-09-2016, blz. 213a.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 49.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , blz. 268, 27, 273 en proces-verbaal van bevindingen, blz. 275.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2018.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017140772, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, districtsrecherche Leiden - Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 71).

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 54 en 55.

9 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, blz. 67.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 januari 2018.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017225964, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, districtsrecherche Leiden - Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 87).

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 3 tot 5.

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 4.

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 70.

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 80.

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 61.