Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15862

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/09/540435
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

RWN

Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen. Verzoekster heeft vrijwillig een andere nationaliteit verkregen en daardoor het Nederlanderschap verloren. Een beroep op het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Unierecht treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 17-477

Zaaknummer: C/09/540435

Datum beschikking: 27 november 2018

Beschikking op het op 28 september 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster]

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. dr. J.B. Bierbach te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelend te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 27 oktober 2017, met bijlage, van de IND;

- de brief van 13 december 2017 van de zijde van verzoekster;

- de brief van 12 april 2018 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 7 juni 2018;

- de brief van 6 augustus 2018 van de zijde van verzoekster.

Op 25 september 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat en [naam Tolk] , tolk Kantonees, en de IND in de persoon van mr. C.M. Meijer. Voorts waren aanwezig: de partner van verzoekster, de heer [naam partner verzoekster] en een broer van verzoekster.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Verzoekster is op [geboortedatum] geboren te [geboorteplaats] als Brits koloniaal onderdaan, welke status bij overname van [geboorteplaats] door de Volksrepubliek China is overgegaan in de Chinese nationaliteit met een verblijfsrecht in de administratieve regio [geboorteplaats] van de Volksrepubliek China.

- Bij Koninklijk Besluit van 15 januari 2007 heeft verzoekster de Nederlandse nationaliteit verkregen.

- Na emigratie naar Australië is aan verzoekster aldaar op 29 januari 2009 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend, waarna verzoekster vervolgens op 21 februari 2014 de Australisch nationaliteit heeft verkregen.

- Op 27 juni 2017 is verzoekster teruggekeerd naar Nederland.

- Een aanvraag van verzoekster voor het verkrijgen van een nieuw Nederlands paspoort op 27 juni 2017 bij het loket van de gemeente Haarlemmermeer te Schiphol is afgewezen, zulks met gelijktijdige inname van haar op 4 juli 2017 te verlopen Nederlandse paspoort.

- Later is verzoekster door de IND te Zwolle meegedeeld dat zij het Nederlanderschap is verloren op 21 februari 2014, op grond van het bepaalde in artikel 15 eerste lid onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) (het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit).

Beoordeling

In geschil is of verzoekster, door het verlies van haar Nederlanderschap van rechtswege, zonder rechterlijke toetsing ook het burgerschap van de Europese Unie kan verliezen.

Verzoekster is van mening dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel indien zou gelden dat zij door het verlies van haar Nederlanderschap van rechtswege tevens haar burgerschap van de Europese Unie zou hebben verloren, nu het voor haar moeilijk, zo niet onmogelijk is om het Nederlanderschap en daarmee haar Unieburgerschap terug te krijgen, nu zij niet in Nederland geboren en getogen is. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een arrest van het Europese Hof van Justitie van 2 maart 2010 (C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104, Rottman arrest) waarin is beslist dat bij de toetsing van een besluit tot intrekking van de naturalisatie nagegaan moet worden of het gelijktijdig verlies van Unierecht gerechtvaardigd is, mede in het licht van de mogelijkheid om deze vroegere nationaliteit terug te krijgen. Volgens haar moet gewacht worden op het antwoord van het Europese Hof in zaken waarin de Raad van State prejudiciële vragen heeft gesteld (ECLI:NL:RVS:2017:1098) over de vraag of het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege op grond van artikel 15 eerste lid onder c RWN in overeenstemming is met de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) welke artikelen iedere discriminatie op grond van etnische of sociale afkomst verbieden. Volgens haar zouden ook in deze zaak prejudiciële vragen aan het Hof gesteld dienen te worden, nu het niet zo kan zijn dat zonder enig toetsingsmogelijkheid het Unierecht verloren zou gaan voor mensen zoals zij, die niet in Nederland geboren en getogen zijn.

De IND deelt het standpunt van verzoekster niet. Kort weergegeven stelt de IND dat verzoekster vrijwillig de Australische nationaliteit heeft verkregen, waardoor zij op grond van artikel 15 lid 1 onder a RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren. De IND ziet geen reden om een beslissing in de onderhavige procedure aan te houden, aangezien de thans bij het Hof voorliggende prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de verenigbaarheid van artikel 15 lid 1 onder a RWN met het Unierecht. De IND ziet daarnaast geen aanleiding om aan het Hof separaat prejudiciële vragen voor te leggen inzake de verenigbaarheid van artikel 15 lid 1 onder a RWN met het Unierecht, omdat bij de herkrijging van het Nederlanderschap geen onderscheid wordt gemaakt tussen oud-Nederlanders die in Nederland of buiten Nederland geboren zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 15 lid 1, aanhef en onder a RWN bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Niet in geschil is dat verzoekster de Australische nationaliteit vrijwillig heeft verkregen. Artikel 15 lid 2 RWN noemt een drietal uitzonderingen waarbij de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit toch niet leidt tot verlies van het Nederlanderschap. Ook niet in geschil is dat verzoekster niet voldoet aan deze in lid 2 genoemde uitzonderingen. Het voorgaande maakt dat verzoekster bij de verkrijging van haar Australische nationaliteit haar Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

De rechtbank is van oordeel, evenals de IND, dat de wettelijke regeling over het verlies van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit en daarmee ook van het Unieburgerschap bij het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit het Unierecht eerbiedigt. Mede gelet op de door de wetgever in het tweede lid van artikel 15 van de RWN opgenomen uitzonderingen op dit verlies van rechtswege van het Nederlanderschap is voldaan aan het evenredigheidsvereiste. Het verlies van het Nederlanderschap van verzoekster is het gevolg van haar eigen handelen, wat voorkomen had kunnen worden, terwijl ook het gevolg op dit handelen, het verlies van haar Nederlanderschap, voorzienbaar was. In zoverre is sprake van een wezenlijk verschil met het verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15 lid 1 sub c. De omstandigheid dat verzoekster aanvoert dat zij er niet van op de hoogte was dat zij door haar handelen het Nederlanderschap zou verliezen brengt niet mee dat hierover anders geoordeeld kan worden.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van voornoemde zaken waarin door de Raad van State prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om in deze zaak zelf prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie zoals van de kant van verzoekster is voorgesteld. De RWN biedt oud-Nederlanders de mogelijkheid om het Nederlanderschap (en dus ook het Unieburgerschap) te herkrijgen, onder meer door de in artikel 7 eerste lid onder f opgenomen optieregeling in de RWN. Het is dus voor verzoekster mogelijk om het Nederlanderschap terug te krijgen.

Dat een voorwaarde hiervoor is dat wordt beschikt over een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel in Nederland en dat volgens verzoekster het voor oud-Nederlanders die niet in Nederland geboren en getogen zijn zoals zij het vrijwel onmogelijk is om een dergelijke verblijfsvergunning te verkrijgen, brengt niet mee dat het verlies van het Unieburgerschap door het nationaliteitsverlies van rechtswege van verzoekster in strijd zou kunnen zijn met het discriminatieverbod op grond van etnische of sociale afkomst van de VWEU. Het verkrijgen van een dergelijke verblijfsvergunning, zoals de IND heeft verklaard, hangt immers met name af van de sterkte van de band van die persoon met Nederland.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.F. Bouwman, J.M. Vink en J.C. Sluymer, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

27 november 2018.