Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15859

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
AWB 18/3556 en 18/3557
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8 EVRM, beroep op gezins- en privéleven, Somalië, hoogte leges

De rechtbank stelt voorop dat eisers stelling dat het intrekkingsbesluit van 18 november 2013 ten onrechte is genomen, niet zal worden behandeld. Dat besluit is immers met de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2015 in rechte komen vast te staan. De rechtbank is echter van oordeel dat de gegevens die eiser heeft aangedragen om zijn verblijf in 2012 te onderbouwen, wel van belang kunnen zijn voor de vraag of sprake is langdurig verblijf in Nederland in het kader van de artikel 8 EVRM-beoordeling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder in het verweerschrift het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van langdurig verblijf in 2012. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat deze gegevens en omstandigheden niet kunnen worden meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op jonge leeftijd (9 jaar) Nederland is ingereisd en dat hij tot 2013 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, derhalve 13 jaar. Eiser heeft zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht. Eiser is hier opgegroeid, heeft hier opleidingen genoten, een sociaal leven opgebouwd en gewerkt. Eisers familieleden, waaronder zijn moeder, tante, opa, zus en broer, verblijven in Nederland en zijn genaturaliseerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Eiser is thans 31 jaar oud en heeft met de overgelegde stukken in beroep aannemelijk gemaakt dat hij langdurig in Nederland heeft verbleven. Eiser is sinds zijn komst naar Nederland nooit terug geweest naar Somalië en stelt hier verwesterd te zijn. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de criminele antecedenten van eiser niet opwegen tegen het door eiser opgebouwde privéleven in Nederland en de problemen die eiser in Somalië stelt te verwachten. Verweerder heeft voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende in het bestreden besluit betrokken. Gelet daarop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in eisers nadeel dient uit te vallen. De beroepsgrond van eiser slaagt. Ten aanzien van de hoogte van de leges, is de rechtbank van oordeel dat, hoewel in het aanvraagformulier ‘familie- of gezinsleven’ niet is aangevinkt, uit de begeleidende brief van 20 maart 2017 afdoende blijkt dat eiser heeft beoogd een aanvraag in te dienen met het oog op gezinsleven en privéleven. Verweerders stelling dat in de brief sprake is van een vergissing, doet hieraan niet af. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers eerdere aanvraag van 12 januari 2017, die door verweerder buiten behandeling is gesteld, ook betrekking had op gezinsleven én privéleven. Bij die aanvraag heeft verweerder ook het lagere legestarief van € 237,- gehanteerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag ook betrekking had op familie- of gezinsleven. De beroepsgrond slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/3556 (beroep)

AWB 18/3557 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. Mustafasade, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘privéleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen. Daarbij is tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 16 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 1 november 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

  1. Eiser heeft de rechtbank voor zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening, verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daartoe op 24 mei 2018 een verklaring overgelegd, waarin hij heeft aangegeven dat hij geen vermogen of inkomen heeft, noch in Nederland, noch in het buitenland. De rechtbank overweegt dat, gelet op de overgelegde verklaring, aannemelijk is gemaakt dat eiser niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om in staat te zijn de verschuldigde bedragen aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt dan ook, waardoor eiser voor zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

  2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden.
    Bij besluit van 19 maart 1999 is aan eiser een verblijfsvergunning tot verblijf onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vreemdeling’ (amv) verleend met ingang van 24 februari 1999 tot 24 februari 2000. Deze verblijfsvergunning is meerdere malen verlengd.
    Bij besluit van 18 november 2013 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf, geldig tot 24 februari 2017, ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 25 mei 2012, wegens verplaatsing van eisers hoofdverblijf. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 augustus 2015 (nr. 201504766/1/V3) in rechte komen vast te staan.

2.1

Eiser is op 13 februari 2015 veroordeeld voor 3 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.
Daarnaast is eiser op 4 september 2014 veroordeeld voor 50 uren taakstraf subsidiair 25 dagen hechtenis voor het opzettelijk handelen in strijd met het artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Eiser heeft op 1 april 2018 een boete gekregen voor het bezitten van een steekwapen (artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie).
Eiser is in België bij vonnis van 13 juni 2014 veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en een boete van € 200,- voor vervalsing van een openbaar of administratief document, strafbare feiten tegen informatiesystemen en andere computer-gerelateerde criminaliteit, veroorzaken van ernstige lichamelijke letsels, verminking of blijvende invaliditeit en veroorzaken van kleinere lichamelijke letsels.

2.2

Eiser heeft op 17 maart 2017, door verweerder geregistreerd op 20 maart 2017, voornoemde aanvraag ingediend. Eiser heeft tegen het primaire besluit van 2 augustus 2017 bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 24 november 2017 (AWB 17/13688) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch dit verzoek afgewezen en overwogen dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is.

2.3

Eiser heeft eerder – op 12 januari 2017 – eenzelfde aanvraag ingediend, die bij besluit van 28 februari 2017 door verweerder niet in behandeling is genomen. Het daartegen door eiser ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 oktober 2017 ongegrond verklaard. Het daartegen door eiser ingediende beroep is bij uitspraak van 28 maart 2018 door deze rechtbank, zittingsplaats ʼs-Hertogenbosch (AWB 17/15430), gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen. Daarin heeft de rechtbank in rechtsoverweging 13 het volgende overwogen:
“Zoals onder de hierna te noemen feiten in procedurenummer AWB 17/13342 is opgenomen heeft eiser bij brief van 17 maart 2017, door verweerder geregistreerd op 20 maart 2017, verzocht om de aanvraag om afgifte van de verzochte reguliere verblijfsvergunning met voorrang in te delen. Verweerder heeft dit verzoek opgepakt als een nieuw verzoek om afgifte van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “privéleven op grond van artikel 8 EVRM”. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens in behandeling genomen en hij heeft bij besluit van 2 augustus 2017 het nieuwe verzoek om verlening van de reguliere verblijfsvergunning op inhoudelijke gronden afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op de zitting is de rechtbank gebleken dat de afwijzing van de verzochte verblijfsvergunning nog in procedure is. Als verweerder nu opgedragen zou worden een nieuw besluit te nemen op de onderhavige aanvraag ontstaat de vreemde en onwenselijke situatie dat verweerder tweemaal inhoudelijk op dezelfde aanvraag zou moeten beslissen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. Daarbij gaat de rechtbank er wel vanuit dat als in de toekomst mocht blijken dat de afwijzing van de aanvraag van 17 maart 2017 geen stand houdt, dat verweerder bij een eventuele verlening van de verblijfsvergunning rekening houdt met de datum van de eerste aanvraag, namelijk 10 januari 2017. Dat eiser geen belang heeft bij een eerdere ingangsdatum omdat hij al een lange periode zonder rechtmatig verblijf is geweest, zoals verweerder op de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet.”

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt. Eiser komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eisers uitzetting is niet in strijd met artikel 8 EVRM. Daarbij betrekt verweerder dat eiser sinds 25 mei 2012 in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd staat als geëmigreerd en vanaf 5 september 2014 als niet-ingezetene. Er is geen sprake van inmenging in eisers privéleven. Indien aangenomen wordt dat eiser vanaf 1995 in Nederland verblijft, dan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij voldoende geworteld is geraakt in Nederland. De verklaring van 11 juni 2015 van ROC TOP en de arbeidsovereenkomst als oproepkracht bij [bedrijf 1] BV zijn onvoldoende in dit verband. Ook is gebleken dat eiser ernstige misdrijven in Nederland en België heeft begaan en dat hij een gevaar voor de openbare orde is. Ook heeft eiser geen kopie van een geldig paspoort overgelegd, zodat hij niet aan het paspoortvereiste voldoet.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft miskend dat, in het geval van eiser, sprake is van familie- of gezinsleven met zijn in Nederland verblijvende familieleden. Al zijn familieleden verblijven in Nederland en zijn genaturaliseerd. Eiser heeft een sterke band met hen en speelt een belangrijke rol in hun leven. Zo verleent eiser mantelzorg aan zijn opa, woont hij bij zijn tante, die alleenstaande moeder is, en ondersteunt haar bij de zorg voor haar kinderen. Eiser wordt financieel onderhouden door zijn familie. Hij verricht geruime tijd vrijwilligerswerk en heeft sinds enige tijd een liefdesrelatie.
4.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van gezinsleven. Eiser is een volwassen man en niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en een van zijn familieleden ex paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarnaast is de gestelde prille relatie van eiser met zijn vriendin niet nader onderbouwd, waardoor op grond hiervan ook niet gebleken is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
4.2 In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald, voor zover thans van belang, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en privéleven. Op grond van het tweede lid van dat artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4.2.1

Op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

4.2.2

Volgens artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid,

onder g, van de Vw, vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

4.2.3

Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), zoals het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (nr. 50435/99, JV 2006/90, www.echr.coe.int), het arrest Jeunesse en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie-, gezins- of privéleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Slechts als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden leidt de afwijzing van een verblijfsaanvraag van een persoon die nimmer formeel verblijfsrecht heeft gehad in het gastland tot een schending van artikel 8 van het EVRM.

4.2.4

Verder volgt uit het arrest Onur tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 februari 2009 (nr. 27319/07, par. 45), het arrest A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk van 12 januari 2010 (nr. 47486/06, par. 32) en het arrest A.A.Q. tegen Nederland van 30 juni 2015 (nr. 42331/05, paragraaf 64) (www.echr.coe.int) dat, wil het familie- of gezinsleven van meerderjarige kinderen met hun ouders binnen de beschermingssfeer van artikel 8 van het EVRM vallen, tussen die kinderen en ouders sprake moet zijn van ‘more than normal emotional ties’. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen volwassen familieleden, dienen factoren als eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst te worden betrokken.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in het standpunt dat eisers gestelde bijzondere relatie met zijn familieleden onvoldoende is onderbouwd. Niet is gebleken dat eisers familieleden zonder de zorg van eiser niet zelfstandig kunnen functioneren of dat eiser niet zonder hun hulp kan functioneren. Dat eiser onderdak krijgt en een financiële bijdrage is hiervoor onvoldoende. Ook het familieleven met eisers partner is onvoldoende onderbouwd. Derhalve heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en daarmee van beschermenswaardig familie- en gezinsleven. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit strijd oplevert met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende zijn persoonlijke omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling. Eiser heeft de meest vormende jaren in Nederland doorgebracht en is hier ruim 21 jaar. Hij heeft geruime tijd over een verblijfstitel beschikt. Alle familieleden van eiser zijn inmiddels genaturaliseerd tot Nederlander. Eiser heeft geen familieleden of sociaal netwerk in Somalië. Eiser heeft hier basisonderwijs en beroepsonderwijs doorlopen. Hij heeft bij verschillende bedrijven in loondienst gewerkt en beschikt over een rijbewijs en heeft hechte banden met zijn familie. In het bestreden besluit heeft verweerder ten onrechte het ontbreken van familieleden of een netwerk in Somalië niet betrokken bij de beoordeling of sprake is van intensieve banden van eiser met Nederland in het kader van privéleven. Eiser heeft immers genoegzaam aangetoond dat hij een sterke band heeft met zijn in Nederland wonende familie en dat hij aantoonbaar invulling geeft aan zijn familieleven met hen. Ook heeft hij foto’s overgelegd van zijn vrienden in Nederland. Daaruit blijkt dat hij ook autochtone vrienden heeft. Verweerder heeft dit miskend door te overwegen dat hij zich voornamelijk ophoudt in de Somalische gemeenschap. De tegenwerping door verweerder dat niet is gebleken van ‘grote maatschappelijke betrokkenheid’ is ten onrechte, nu dit niet vereist is volgens relevante regelgeving en jurisprudentie. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2016. Ook wordt eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij geen werk of opleiding in Nederland volgt op dit moment, terwijl dit niet is toegestaan aangezien eisers verblijfstitel is ingetrokken. Er is een objectieve en subjectieve belemmering voor eiser om privéleven in Somalië uit te oefenen. Eiser kan daar niet resocialiseren omdat hij een afwijkende levensstijl erop nahoudt. Er is sprake van verwestering. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest Butt vs Noorwegen van 4 december 2012 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 31 mei 2017 (AWB 17/148 en 16/27311). Ook in die zaak ging het om een vreemdeling die sterkere banden had met Nederland dan met zijn land van herkomst zodat sprake was van ‘social and professional difficulties’ als die vreemdeling zou terugkeren.
Daarnaast voert eiser aan dat hij thans bewijs heeft geleverd dat hij zijn hoofdverblijf nimmer heeft verplaatst zodat aan de intrekking van 18 november 2013 de grondslag ontbreekt. Eiser heeft in beroep verschillende bankafschriften over de periode januari tot en met december 2012 overgelegd, tevens een verklaring van zijn huisarts waaruit blijkt dat hij op 27 en 29 mei 2013 op spreekuur is geweest. Ook heeft hij daarbij een maandoverzicht van taxiritten over de periode januari tot en met februari 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat hij feitelijke werkzaamheden als taxichauffeur heeft verricht. Daarnaast heeft hij een bewijs van uitschrijving van 11 mei 2015 overgelegd waaruit blijkt dat hij in de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 juli 2012 ingeschreven stond als student voor de beroepsopleiding Verkoopspecialist BOL op voltijd basis aan de ROC TOP. Eiser heeft loonstroken over de periode van juni tot en met september 2007 waaruit blijkt dat eiser werkzaam was als verkoopmedewerker bij [bedrijf 2] B.V. Eiser voert aan dat verweerder dit element, de onjuiste intrekking van zijn verblijfsvergunning, bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM had dienen te betrekken en hieraan een substantieel gewicht had moeten toekennen, hetzij toepassing te geven aan de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 3.71, derde lid, Vb, hetzij toepassing dienen te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ten onrechte heeft verweerder zwaar gewicht toegekend aan de strafrechtelijke antecedenten van eiser. Er is geen sprake van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Eiser heeft slechts een taakstraf gehad voor het bezitten van verdovende middelen en de recente geldboete is voor een overtreding van geringe aard. De criminele antecedenten zijn gepleegd in de periode na de intrekking van zijn verblijfsstatus toen eiser een dieptepunt in zijn leven had bereikt.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden een verblijfsvergunning wordt verleend. De gestelde banden met Nederland zijn niet zodanig sterk dat deze als bijzonder zijn aan te merken. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij sinds zijn aankomst in 1997 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Eiser is naar eigen zeggen op 26 augustus 1997 Nederland ingereisd als minderjarige, samen met zijn broer en zus. Hij verbleef bij zijn grootouders. Eiser is van 24 februari 1999 tot 18 november 2013 (met terugwerkende kracht tot 25 mei 2012) in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Op 18 november 2013 is de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht vanwege verplaatsing van het hoofdverblijf van eiser. Uit de BRP blijkt dat eiser per 25 mei 2012 naar het buitenland is geëmigreerd. Tevens staat eiser per 5 september 2014 geregistreerd als niet-ingezetene. De overgelegde bankafschriften in bezwaar zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiser onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Zo kan uit de door eiser overgelegde stukken slechts sporadisch verblijf worden afgeleid in 2007, 2011 en 2013, met langduriger verblijf in 2012. Wat de precieze duur van het feitelijke verblijf van eiser in Nederland is, is niet vast te stellen.
Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat er bijzondere banden zijn met Nederland, omdat sprake is van criminele antecedenten. Het gaat niet alleen om het bezit van verboden middelen en een geldboete wegens een overtreding, maar ook om verboden wapenbezit, geweldpleging en in totaal 1 jaar en 9 maanden gevangenisstraf. Dat deze gebeurtenissen na de intrekking van zijn verblijfsrecht zijn gebeurd, doet niet af aan de ernst van de feiten. De omstandigheid dat eiser op 9-jarige leeftijd Nederland is binnengekomen, waardoor eiser een band met Nederland heeft opgebouwd en de taal beheerst, is als zodanig geen bijzondere omstandigheid. Eiser heeft zijn vormende jaren in Somalië doorgebracht. De band met Nederland kan wel als sterk worden beschouwd, maar niet is gesteld of gebleken van een grote maatschappelijke betrokkenheid, uitzonderlijke banden of een diepe worteling in de Nederlandse samenleving. Eiser heeft verklaard dat hij bekend is met de Somalische cultuur en taal, waardoor enige binding zeker mag worden verwacht. Gelet op zijn leeftijd, genoten opleiding en verkregen kennis kan eiser in Somalië een bestaan opbouwen. Ook de sociale en culturele netwerken die eiser heeft opgebouwd zijn geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser houdt zich voornamelijk op in de Somalische gemeenschap in Nederland en doet voor Somalische verenigingen vrijwilligerswerk. Hij helpt landgenoten met het vertalen van brieven vanuit het Nederlands naar het Somalisch. Eiser is dan ook bekend met de Somalische taal. Eiser heeft sinds 25 mei 2012 geen rechtmatig verblijf en geen werk en opleiding. Er bestaat geen objectieve belemmering voor eiser om zich in Somalië te vestigen. Niet is onderbouwd dat eiser zou kampen met middelengebruik en depressie.

5.2

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend is.

5.3

De Afdeling heeft in een uitspraak van mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1285) geoordeeld dat een vreemdeling die al een zeer lange tijd in het gastland verblijft geen bijzondere binding met dat land hoeft te hebben om te spreken van beschermenswaardig privéleven. Enkel de lange duur van het verblijf is al voldoende om beschermenswaardig privéleven aan te nemen.

5.4

De Afdeling heeft in een uitspraak van 8 juni 2016 (NL:RVS:2016:1623) geoordeeld dat uit het systeem van de Vw volgt dat een beroep op de algemene situatie in het land van herkomst dient te worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat asielgerelateerde gronden bij de beoordeling in het kader van de belangenafweging die artikel 8, tweede lid, van het EVRM voorschrijft voor de beoordeling van de vraag, of een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, een rol kunnen spelen, indien de staatssecretaris deze gronden al heeft beoordeeld in een asielprocedure (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:4026). Ook als asielgerelateerde gronden niet in een asielprocedure zijn beoordeeld, kunnen deze onder omstandigheden toch een rol spelen in het kader van de beoordeling of een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Dat is het geval indien verweerder een aangevoerde asielrechtelijke grond niet bestrijdt, of indien hij over een aangevoerde asielgerelateerde grond vrij eenvoudig een standpunt kan innemen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4893).

5.5

De rechtbank stelt voorop dat eisers stelling dat het intrekkingsbesluit van 18 november 2013 ten onrechte is genomen, niet zal worden behandeld. Dat besluit is immers met de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2015 in rechte komen vast te staan. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank in deze procedure dient uit te gaan van de rechtmatigheid van de intrekking. De rechtbank is echter van oordeel dat de gegevens die eiser heeft aangedragen om zijn verblijf in 2012 te onderbouwen, wel van belang kunnen zijn voor de vraag of sprake is langdurig verblijf in Nederland in het kader van de artikel 8 EVRM-beoordeling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder in het verweerschrift het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van langdurig verblijf in 2012. Dat verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat slechts sprake is van sporadisch verblijf van eiser in Nederland in 2007, 2011 en 2013, doet daar niet aan af, nu deze tegenwerping niet in het primaire besluit noch in het bestreden besluit is betrokken. Daarbij komt dat het intrekkingsbesluit ziet op het jaar 2012. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat deze gegevens en omstandigheden niet kunnen worden meegenomen in de belangenafweging.

5.6

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op jonge leeftijd (9 jaar) Nederland is ingereisd en dat hij tot 2013 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, derhalve 13 jaar. Eiser heeft zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht. Eiser is hier opgegroeid, heeft hier opleidingen genoten, een sociaal leven opgebouwd en gewerkt. Eisers familieleden, waaronder zijn moeder, tante, opa, zus en broer, verblijven in Nederland en zijn genaturaliseerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Eiser is thans 31 jaar oud en heeft met de overgelegde stukken in beroep aannemelijk gemaakt dat hij langdurig in Nederland heeft verbleven. Eiser is sinds zijn komst naar Nederland nooit terug geweest naar Somalië en stelt hier verwesterd te zijn. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de criminele antecedenten van eiser niet opwegen tegen het door eiser opgebouwde privéleven in Nederland en de problemen die eiser in Somalië stelt te verwachten. Verweerder heeft voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende in het bestreden besluit betrokken. Gelet daarop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in eisers nadeel dient uit te vallen. De beroepsgrond van eiser slaagt.

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het hoge legesbedrag aan eiser heeft opgelegd door zijn aanvraag uitsluitend op te vatten als een beroep op ‘privéleven’. Verweerder heeft miskend dat eiser niet alleen een aanvraag met het doel ‘privéleven’ heeft ingediend, maar dat zijn aanvraag mede betrekking heeft op familieleven. Dit rechtvaardigt een legesbedrag van € 237,- in plaats van € 1.003,-. De beslisambtenaar heeft gehandeld in strijd met het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, nu hij in dezelfde aanvraag van een andere cliënt heeft besloten om voor die cliënt de legeskosten ambtshalve te verlagen en bij de aanvraag van eiser deze juist te verhogen.

6.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de uitnodigingsbrief van 22 mei 2017 voor de loketafspraak, per abuis is aangegeven dat eiser een legesbedrag van € 237,- moet betalen. In genoemde brief staat aangegeven dat de kosten kunnen afwijken van wat in de brief staat genoemd. Dit is aan het loket gecorrigeerd naar het juiste bedrag van €1.003,-. In de begeleidende brief van 20 maart 2017 geeft de gemachtigde van eiser aan dat hij een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. In het aanvraagformulier heeft eiser ook aangegeven dat het een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM privéleven betreft. Hoewel wordt ingezien dat er een fout is gemaakt in de uitnodigingsbrief van 22 mei 2017, kan eiser hieraan geen rechten ontlenen. Bij wettelijk voorschrift is namelijk vastgesteld dat eiser een bedrag van € 1.003,- aan leges is verschuldigd bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM privéleven.

6.2

Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vw is de vreemdeling, in door de Minister te bepalen gevallen en volgens door de Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag.

Ingevolge artikel 3.34, onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) is de vreemdeling ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning met als doel ‘familie of gezinsleven’ € 237,- verschuldigd. Ingevolge artikel 3.34, onder t, VV, is de vreemdeling voor de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning met alle overige verblijfsdoelen € 1.003,- verschuldigd.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het aanvraagformulier ‘familie- of gezinsleven’ niet is aangevinkt, uit de begeleidende brief van 20 maart 2017 afdoende blijkt dat eiser heeft beoogd een aanvraag in te dienen met het oog op gezinsleven en privéleven. Verweerders stelling dat in de brief sprake is van een vergissing, doet hieraan niet af. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers eerdere aanvraag van 12 januari 2017, die door verweerder buiten behandeling is gesteld, ook betrekking had op gezinsleven én privéleven. Bij die aanvraag heeft verweerder ook het lagere legestarief van € 237,- gehanteerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag ook betrekking had op familie- of gezinsleven. De beroepsgrond slaagt.

6.4

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op het heffen van de leges die een bedrag van € 237,- te boven gaan. Nu verweerder met inachtneming van deze uitspraak slechts over kan gaan tot vergoeding van de teveel betaalde leges, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit, voor zover dat ziet op het heffen van leges die die een bedrag van € 237,- te boven gaan, te herroepen en te bepalen dat verweerder aan eiser het teveel aan betaalde leges, zijnde € 766,- , vergoedt.

7. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 Awb alsmede met artikel 8 EVRM. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden van eiser behoeven hierom geen bespreking. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten nu het aan verweerder is om een belangenafweging te maken. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 501,- (1 punt voor de voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit van 2 augustus 2017 voor zover dat ziet op het heffen van een legesbedrag van meer dan € 237,- en bepaalt dat verweerder aan eiser dient te vergoeden het teveel betaalde legesbedrag van € 766,-;

- bepaalt dat deze uitspraak voor zover die ziet op het heffen van een legesbedrag van meer dan € 237,- in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.002,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 501,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2018 .

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.